top of page
< Back

Hildes De Swaef

Aflevering 6


Pastoors van Sint-Laureins

Oude grafstenen tonen dat reeds voor 1400 priesters in Sint-Laureins verbleven. Helaas zijn de opschriften niet bewaard, de namen zijn verdwenen net als de zerken uit de kerk.


In een oud schrift van 1410 spreekt men van een jaargetijde gesticht in de kerk van Sint-Laureins. In 1400 was het gilde van de H. Laurentius reeds zeer bloeiend. Elk jaar met Pinksteren was er een ommegang. De kerkraad bestond reeds voor 1400 want als men de oude archieven van de kerk bekijkt spreekt men over de kerkmeesters van Sint-Laureins als een oude instelling. De kerkmeesters ontvingen stichtingen van jaargetijden, giften van land, renten op hofsteden… Op 15 april 1449 gaf Jan Slabbaert een stuk land aan de kerk voor een jaargetijde. Maar toch vinden we in deze archieven geen enkele naam van een pastoor terug.

 

Aernout Van Zuudt


De eerste die we tegenkomen is Aernout Van Zuudt in 1550.


Uit een grafsteen aan de ingang van de kerk kon men ten tijde van de jaren 1800 lezen dat in 1489 hier een monnik pastoor was.


In oude oorkonden vinden we nog een priester, Jan Van Zuudt, familie van Aernout.


De familie Van Zuudt was een adellijke familie met in de jaren 1400-1500 veel aanzien. Bij het delven rond de oude afgebroken pastorij heeft men een oude zerk gevonden. Op die steen ziet men de afbeelding van Mattheus Van Zuudt, broer van Aernout. Hij is afgebeeld als een edelman, gekleed zoals de edelen aan het hof van de keizer, met een degen aan zijn gordel. Dat de heer Van Zuudt zeer rijk en godsvruchtig was blijkt uit de stichtingen en giften die hij gedaan heeft voor de kerk en voor de armen.


In die tijd was de kerk te klein voor de bevolking van Sint-Laureins want in 1554 heeft de pastoor de kerk uitgebreid zoals ze nu is.


De werken aan de kerk hebben geduurd tot 1558 of langer want in juli 1557 heeft men de balk achter het koor geplaatst met deze datum. Wanneer pastoor Van Zuudt is gestorven hebben we niet kunnen achterhalen.

 

Remigius Cogghe


Hij was geboren in Sint-Laureins en werd hier pastoor in 1565. Over deze pastoor is niet zoveel gekend. Tussen 1582 en begin 17de eeuw was er in Sint-Laureins geen pastoor. Het is de periode van de geuzenoorlogen.

 

De geuzenoorlog


Sint-Laureins was immers goed gelegen om door het ‘geuzengespuis’ overvallen te worden. De bosgeuzen konden zich goed verbergen in de uitgestrekte bossen die bijna heel onze streek overdekten tot aan Brugge. België stond in die tijd onder Spaans bestuur en gehoorzaamde aan Filips II, zoon van keizer Karel V.


De geus Jacob De Meyere, schoenmaker en zoon van Lieven De Meyere, kleermaker en eerlijk man, werd ter dood veroordeeld in Gent. Hij had immers een aantal Spanjaarden vermoord en ook pater Franciscus Penneman, een minderbroeder. Jacob De Meyere werd dan ook een papenvijand genoemd. Hij werd voor het Gravensteen op een wagen gezet, zittende op een blok tegen een ijzeren staak aan. Daar waren zijn blote armen en benen aan vastgebonden. Een beul neep met een gloeiende nijptang zijn beide duimen af. Voor het Guldenhooft op de Burgstraat werden zijn 2 wijsvingers afgenepen. Zo verloor hij al zijn vingers. Met dezelfde nijptang kreeg hij in zijn armen ook nog 3 nepen. Uiteindelijk arriveerde men in Mariakerke waar de brandstapel hem wachtte. Daar werd hij met een ketting vastgelegd aan een paal op 4 voet afstand van het stro zodat hij langzaam zou verbranden. Hij toonde geen berouw en wilde niet biechten. Hij vond dat hij niet schuldig was omdat hij handelde in opdracht van de Prins van Oranje. Niettegenstaande het gerecht streng optrad gingen de geuzen onder de Prins van Oranje voort met hun opstand tegen de regering en hun vervolging van de rooms-katholieken. De Prins van Oranje wilde zich meester maken van Vlaanderen en de Spanjaarden verdrijven. Het vuur werd aangestoken. Door de wind werd het naar hem gedreven en Jacob wierp zich er midden in. De beul gooide nog wat hout en stro op hem waardoor hij volledig verbrandde. Jacob gaf geen krimp. Enkel toen hij zijn duimen werd afgenepen konden de toeschouwers hem horen schreeuwen.


De moord op Pater Penneman

 

De geuzen en de aanhangers van de Prins van Oranje en het nieuwe geloof vonden in de uitgestrekte bossen hun schuilplaats. Van daaruit deden ze aanvallen in de dorpen en de hofsteden om buit te zoeken en alle soorten van gruwelen te bedrijven. De rijken vluchtten naar de steden maar niemand vond rust. Sint-Laureins, helemaal afgesloten van verbinding met andere dorpen en steden had ook meer te lijden. Reeds in 1566 waren er veel inwoners die de geuzenpreken in Eeklo bijwoonden.


Een hofstede met de naam Paddepoel, ten noorden van Maldegem, diende destijds als toevluchtsoord aan de verjaagde geestelijke van Middelburg en waarschijnlijk ook nog van anderen. Sint-Laureins was toen het middelpunt van de vergaderingen van de gereformeerden.

De gereformeerden van Sint-Laureins begaven zich samen met die van Adegem op 3 november 1578 naar Gent om er de bevelen van de oversten van de opstandelingen te ontvangen. Er werd hen bevolen zich te rangschikken onder Eeklo onder leiding van predikant Balthazar van Baumont. In januari komt Sint-Laureins dan, zonder Adegem, onder Hulst. In september verandert het weer en komen ze onder Brugge en later alweer onder Eeklo. Jan De Moor en Pieter de Rijcke waren hier de predikanten. Het is in 1580 dat het voor Sint-Laureins moeilijker en moeilijker werd.


Onze voorouders kregen het in die tijd hard te verduren, godsdienstoorlog, overstromingen, 80-jarige oorlog…


In 1581 moesten de inwoners dag en nacht werken om de vijand tegen te houden. Eeklo werd voortdurend bedreigd, 12 gemeenten in de buurt moesten op hoger bevel een jaar lang iedere maand het nodige aantal manschappen leveren om aan de versterkingswerken van de stad mee te helpen. In die tijd kwam ook nog eens de pest om het hoekje kijken. De boeren werden gedwongen om vee te leveren aan de uitgehongerde soldaten en waren niet meer in staat hun land te bewerken, hun pacht te betalen. Een deel van de inwoners was gevlucht, een ander deel gesneuveld. Slechte betalers werden niet vervolgd want alle besturen waren verlaten. De bussen in de kerk bleven zo goed als leeg.


Toch is het geloof in Sint-Laureins bewaard gebleven.



De bisschop van Brugge, Matthias Lambrecht, geboren te Sint-Laureins heeft goed voor zijn geboorteplaats gezorgd. Jan Heyne was samen met Arnoldus Lambrecht, de uitvoerder van het testament van Mgr. Lambrecht, dat de parochie genegen was. Evenals de familie Goedertier, in Sint-Laureins goed gekend. In de Goochelaar stond een hofstede bekend onder de naam ‘Hofstede Hendrik Goedertier’. Hendrik leefde ten tijde van de 80-jarige oorlog en stierf op de hofstede aan de watergang in de Vlamingstraat west aan de brug.


Denk nu niet dat met de herstelling van de godsdienst alle problemen waren opgelost. Het zou nog lang duren voor de rust volledig was teruggekeerd.


Dan komen we de naam tegen van EH Van Caekelberghe  in de rekening van het armbestuur van 1610 maar daarna weer niets meer tot 1628.

 


bottom of page