top of page

Luisterwandeling Sente

In samenwerking met het Plattelandscentrum en de Toeristische Dienst heeft ’t Sents archief een luisterwandeling uitgestippeld in het centrum van Sente. Uiteraard met een knipoog naar ons verleden.

 

Langs de wandeling vind je 12 foto’s uit vroegere tijden die we uit onze diepe schuiven opgevist hebben. We schreven er een beetje achtergrond bij en op de foto staat een QR-code waarmee je het verhaaltje achter de foto kunt beluisteren. Wie anders dan ons aller Lieven Blondeel heeft zijn stem daarvoor geleend.

 

Voor wie de wandeling vanuit zijn luie zetel wil (her)beleven zetten we de verhaaltjes ook op de website.

Foto 1

Pronkenburg

Er zijn geruchten dat de Melkerij, de ernaast gelegen Wasserij en het herenhuis bij de wasserij vroeger deel uitmaakten van een veel groter perceel grond, waar zelfs een kasteel, Pronkenburg, zou gestaan hebben.

 

Harde bewijzen voor het bestaan van Pronkenburg zijn niet te vinden. Een ridderfamilie “Pronkenburg” bestond niet in onze Sentse geschiedenis. Misschien was het ook “maar” een grote hoeve en heeft het niets met kastelen en adel te maken.

 

Jan De Swaef, pastoor in Sint-Laureins van 1887 tot 1898, heeft ooit de geschiedenis van Sint-Laureins vastgelegd in een pak handgeschreven schriftjes die we gelukkig konden bewaren voor het nageslacht. Daaruit blijkt dat er tussen het kerkhof en de Rommelsweg twee hofsteden lagen die zich uitstrekten tot aan het Nieuwbedelf. Volgens pastoor De Swaef lag daar, het dichtst bij het kerkhof, het legendarische Pronkenburg. In 1550 had men het over eenen bewalden hof, dictum Pronkenburch. De heer van Pronkenburg zou zelfs zijn eigen private ingang van de kerk gehad hebben. Op de dag van vandaag zien we nog altijd een dichtgemetselde deur aan de zuidkant van de kerk.

 

Stonden er in de vroege jaren nauwelijks huizen in Sente dan groeide het dorp met de jaren uit tot de volgebouwde gemeente zoals we die nu kennen. Onvermijdelijk werd ook de grond van het kasteel versnipperd.

 

In 1888 kocht de uit Lembeke afkomstige notaris Taelman een lap grond uit het vroegere domein en bouwde er Villa Dennenhof met lusttuin op. Er komen nog wat notarissen en dokters wonen tot in 1951 de familie Buysse er zijn intrek neemt. Achteraan het perceel werd Wasserij Sint-Antonius gebouwd die tot 2002 zou blijven draaien.

 

Ondertussen werd al in 1940 de Melkerij Sint-Laurentius – tot dan gevestigd in de vroegere brouwerij Huyghe in de Dorpsstraat, waar nu de ING staat – overgebracht naar de nieuwe moderne zuivelfabriek in de Leemweg. Nog tot 1969 werd er kaas gemaakt.

 

In 1998 werd het ganse gebouw gerenoveerd en herbergt nu het Huis van de Vrije Tijd met verschillende gemeentelijke diensten, waaronder de toeristische dienst en ’t Sents archief.

Foto 2

Gouvernementstraat

Een rentebrief van 8 oktober 1410 vermeldt deze weg als Boterhoeksche Kerkweg. Ook op de oudste kaarten van Sint-Laureins vinden we deze naam terug.

 

Langs deze weg liep een waterloop vanuit de Boterhoek, naar het noorden in de Eeklose Watergang. Deze waterloop was dicht bij het kerkhof zeer diep, een pleisterplaats voor palingvissers. De wallen van het vroegere kasteel Pronkenburg liepen langs de zuidkant van het kerkhof en loosden hun water in de waterloop. In de winter werd daar door de Sentse jeugd geschaatst dat het een plezier was. In de ogen van pastoor Van den Berghe, de geestelijke raadsman van Antonia Van Damme – die van het Godshuis –, was dit natuurlijk niet christelijk genoeg, waarschijnlijk wegens te veel plezier. De wallen werden – op kosten van Antonia Van Damme – vervangen door een muur om het kerkhof als heilige plaats te bewaren.

 

Naast deze waterloop wordt in de oude geschriften eveneens de priesteragie of pastorij langs deze straat gesitueerd, op de hoek met de Dorpsstaat die vroeger Brieversweg noemde. De straat werd dan ook wel eens Pastorijstraat genoemd.

 

Veel later kreeg deze weg of straat de naam van Gouvernementstraat. Omdat de meeste ambtenaren, die Sint-Laureins bestuurden, zeg maar gouverneerden, in deze straat woonden. De naam Gouvernementstraat ontstond waarschijnlijk vanaf 1830.

 

Als Francies Huyghe, de kozijn van Antonia Van Damme, er in 1854 in slaagt om burgemeester van Sente verkozen te worden, is het eerste wat hij doet de steenweg van Sint-Laureins naar Balgerhoeke laten aanleggen. Op eigen kosten, maar eens aangelegd werd het de eerste tolweg van Sente. Er werden barelen opgesteld waar moest betaald worden ten profijte van de burgemeester, want de gemeente had al haar eigendomsrechten aan hem afgestaan. Hoe het ook zij, de weg werd serieus verbreed en Sente kreeg aansluiting met de omliggende gemeenten

 

Toen er in de jaren 50 nog processies uitgingen stond op de hoek van de Leemweg met de Rommelsweg een kapelletje, de derde van 4 kapellen op de omloop van de processie. Het kapelletje was gewijd aan Onze Lieve Vrouw Onbevlekt Ontvangen en werd gebouwd in 1855 in opdracht van burgemeester en brouwer Francies Huyghe.

 

Op de foto zie je links de vroegere brouwerij van De Meulemeester (met de fabrieksschouw). Rechts, bijna helemaal achteraan, vind je de kapel gebouwd door Francies Huyghe.

Foto 3

Kapelletje

Een stoet door het dorp en de zijstraten waarbij we verkleed waren en nee, het is geen carnaval. De jeugd van nu zal het niet meer kennen, maar in de jaren vijftig en zestig gingen er nog processies uit. Wij als schoolgaande jeugd “mochten” daaraan meedoen.

 

Dat gebeurde twee keer per jaar: eentje de zondag na Sacramentsdag - dat is een paar weken na Pinksteren – en eentje op 15 augustus, het feest van Maria.

 

Na de vroegmis gingen we met de meester naar de meisjesschool. De nonnetjes hadden de processiekleren en de andere attributen al uit de kelder van het Godshuis gehaald en in de meisjesschool konden we ons aankleden. De stoet werd samengesteld en daar gingen we.

 

Die processie, die ging zowat van kapelletje naar kapelletje. We hadden vier van die zogenoemde devotiekapellen, alle vier opgericht in de 19de eeuw.

 

De kloeke boerenzoons waren telkens content dat ze de loodzware last van de baldakijn – “den hemel” zeiden de mensen – waaronder de pastoor meeliep met de monstrans, eens konden neerzetten. Die monstrans was een gouden schrijn met in het midden de geconsacreerde hostie.

 

Aangezien we tegendraads zijn lopen we op ons wandeling de processie verkeerd af. Daarnet stonden we aan ’t Gouvernement op de plaats waar de 3de kapel ooit te bezichtigen was. Hier op de hoek van Rommelsweg met Nieuwbedelf (in ’t Sents is dat het Strontstraatje) stond de 2de kapel, gewijd aan de H. Jozef. Ze stond hier sinds 1858 en werd geschonken door Henri Huyghe.

 

Beide kapelletjes zijn al lang “gesneuveld” om vernieuwde wegen aan te leggen. Doodjammer.

 

Maar straks zien we er eentje dat nog bestaat. Op het einde van het Strontstraatje, op de hoek met de Dorpsstraat, staat nog altijd de 1ste kapel van de processie. Vroeger stond daar het huis van Meester Van Hijfte, nu is dat restaurant Barneys. Jules Valcke die er rechtover woonde, legde daar ter gelegenheid van de processie, telkens een prachtig bloementapijt. Die kapel zou geschonken zijn door een weduwe De Smet en was ter ere van het H. Hart of de H. Blasius.

 

Voor de devote mens die het zou interesseren, de 4de kapel staat, in zeer afgezwakte vorm, op de hoek van de Dorpsstraat met de Leemweg, vlak tegenover het gemeentehuis.

Foto 4

Sint-Hubertus en de Pluim

Vóór Sint-Laureins een zelfstandige gemeente werd vormden wij met Maldegem, Adegem en Bentille, het ambacht Maldegem. De schepenen van dit ambacht vergaderden bij bijzondere gelegenheden in Sint-Laureins. Speciaal daarvoor was op de verdieping van Sint-Hubertus een Schepenkamer ingericht. De Schepenen konden hier dan ook blijven overnachten, want bij nacht waren de straten niet zo veilig.

 

Het was natuurlijk in de eerste plaats een herberg, zeg maar een hotel. Hier overnachtte onder meer een groep gendarmen in de tijd dat het Leopoldkanaal gedolven werd. Nadat de gendarmes op Paaszaterdag 1848 minstens één van de delvers tijdens een sociaal oproer hadden doodgeschoten moesten ze zich hier tegen de opstandige werklieden verdedigen, met het geweer in de aanslag. Ja, Sint-Hubertus heeft bewogen tijden gekend.

 

Op het einde van de 19de eeuw worden Jan Longueville en zijn echtgenote Maria Antonia Strymes de herbergiers. Hun zoon Alphons ziet wel brood in het maken van fietsen en wordt rijwielfabrikant. Het probleem was dat er geen kat was die met een fiets kon rijden. Geen probleem zegt Alfons en hij legt, achter de herberg van zijn ouders, een “velodroom” aan, waar zijn klanten konden leren fietsen.

 

Sint-Hubertus bleef echter op de eerste plaats een herberg waar werd gefeest en gedanst. Alfons speelde viool en zijn zuster Louise piano.

 

De zaken draaiden goed en in 1908 kochten ze de ernaast gelegen herberg De Pluim. Zestig geworden wil een Alphons een oude droom verwezenlijken. De Pluim wordt in 1930 verbouwd tot een cinema. Zwart-witte stomme films, al dan niet begeleid op piano door zus Louise Longueville.

 

Later, werden in de cinemazaal bolbanen aangelegd en de Pluim werd het Boldershof.

Foto 5

De kerk

Sint-Laureins was oorspronkelijk een turfdelversdorpje. Al in 1187 was men in het moer van Aardenburg begonnen met het uitdelven van turf, brandstof voor de stedelingen van Brugge en Gent. Die nederzettingen van turfdelvers zullen wel een kapelletje of gebedsplaats gehad hebben, maar veel is daar niet over bekend.

 

De turfontginning was zeer intensief en de veengronden waren vrij snel uitgeput. Rond 1300 was het in de streek rond Sint-Laureins al afgelopen met de turfexploitatie. Wat overbleef was woeste grond, “woestineland”. Toen kwam een hoop kolonisten de streek bewonen om van dat woestineland bouwland te maken.

 

Er kwam zich hier zodanig veel volk vestigen dat de bisschop van Doornik een kerk laat bouwen aan de Dorpsstraat, die toen nog Brieversweg noemde. Al in 1314 is er sprake van een Sente Laureinsparochie. Ook van deze eerste kerk is niet veel bekend. Over het feit of de toren van de kerk nu ooit dienstdeed als vuurtoren of niet zijn de meningen van de historici verdeeld. Met andere woorden, ze weten het zelf niet.

 

In 1555—zie de datum op de buitenmuur van de kerk, rechtover café Sente— ontpopt pastoor Aernout Van Zuydt zich tot bouwmeester. Het was ook nodig want de Sentse bevolking groeide dusdanig aan dat de kerk veel te klein werd. Hij vergroot de kerk met drie koren, en een kooromgang. In 1557 is de verbouwing rond met het plaatsen van de houten zoldering en de dakbedekking.

 

Dan is het wachten op Judocus Blomme die in 1653 pastoor werd in Sint-Laureins. Hij zou de binneninrichting wel eens voor zijn rekening nemen. Een nieuw hoogaltaar, een communiebank, een biechtstoel en een preekstoel. Er blijft op vandaag niet veel van over. Blomme zorgde echter ook voor een nieuwe kostelijke zilveren monstrans die er wel nog is.

 

Nog later slaagt onderpastoor Van den Berghe er in de 19de eeuw in om de schatrijke Antonia Van Damme—die van het Godshuis— ertoe te bewegen om kazuifels, kruiswegen, monstransen en ander gerief voor de kerk te kopen en aan de parochie te schenken.

 

De kerk van Sint-Laureins werd beschermd als monument bij Koninklijk Besluit van 28 december 1936.

Foto 6

Jongensschool

Vanop het kerkhof wandelen we langs het “kerkegangsken” tot aan de Leemweg. Als we uit de kerkwegel komen staan we rechtover de gemeenteschool, de vroegere jongensschool.

 

Ei zo na stond hier geen school want toen de Belgische regering in 1858 aan het Sentse gemeentebestuur vroeg om een gemeenteschool op te richten stelde toenmalig burgemeester Frans Huyghe voor dat de gemeente een aan hem toebehorend huis in de Vlamingstraat aan zou kopen. De andere gemeenteraadsleden hebben dit voorstel echter verontwaardigd verworpen. Die Frans Huyghe was een neef van Antonia Van Damme die het Godshuis liet bouwen. De wereld is klein hé.

 

Op de boerderij waar nu de gemeenteschool staat woonde Jacobus Vercraeye, de 2de burgemeester van Sint-Laureins, van 1808 tot 1831. En wie kocht zijn huis toen hij in 1858 stierf? Antonia Van Damme. Wat had je gedacht.

 

Er werd eerst voorgesteld om een ruil te doen: de gemeente zou de oude bouwvallige school op het kerkhof, mits opleg, ruilen met Antonia Van Damme voor de boerderij van Jacobus Vercraeye, om daar dan de nieuwe gemeenteschool te bouwen. Antonia stelde de gemeente vrij van de opleg op voorwaarde dat er in de nieuwe school een zondagsschool zou mogen opengehouden worden door de pastoor. De gemeente aanvaardt dit, maar zal haar belofte nooit houden.

 

In 1860 start de bouw van de gemeenteschool.

 

Op de nieuwe gemeenteschool worden vanaf 1860 geen meisjes meer toegelaten. Die gingen dan naar de vrije meisjesschool die door de nonnen werd opengehouden.

 

Het oudste deel van de gemeenteschool bestond oorspronkelijk uit twee, later uit drie klaslokalen. Nadien werd er links nog een klas bijgebouwd en net voor de tweede wereldoorlog, in 1938, werd er een verdieping met nog eens 2 klassen op het middenstuk gezet.

 

Zeker tot 1935 werd de school omringd door een hoog opgemetselde omheiningsmuur. Schrik dat de leerlingen zouden gaan lopen?

 

Momenteel is dit de Gemeentelijke Basisschool De Regenboog.

bottom of page