top of page

Moord in den Oudeman

Waterland-Oudeman, de kleinste dorpsgemeenschap van Sint-Laureins. Dat is daar den boerenbuiten. Daar gebeurt toch nooit iets.

Je zou er nog van verschieten, want precies in dat kleine polderdorpje wordt een bloederig moordverhaal geschreven!

Lucien Dossche, achterkleinzoon van Karel Dossche en onbetwiste autoriteit als het over deze moordzaak gaat, heeft honderden bladzijden archief over deze moord en moordpoging in zijn bezit. Hij staaft ons verhaal met de rauwe historische feiten over de assisenzaak, gehaald uit de in de tijd opgestelde processen-verbaal. We nemen zijn getuigenverklaringen over onmiddellijk na het meer geromantiseerde verhaal dat hierna volgt.

Karel Dossche heeft het toch maar getroffen. Zijn oom, Angelus Dossche, een jongman, laat zijn bloeiende boerderij in de Calisstraat – nu de Calusstraat – in Waterland-Oudeman aan hem over. Van een mooie start gesproken. Hij vindt een lief in het naburige Boekhoute en trouwt ermee. Al snel komen er kindertjes. Alles lijkt peis en vree.

De hoeve van Karel Dossche

En dan komt het jaar 1905!

 

Het ganse jaar 1905 loopt het leven op de boerderij van Karel Dossche zijn gewone gangetje. Het wordt winter en er is niet heel veel te doen op de boerderij. De eindejaarsfeesten staan al vlug voor de deur. De ochtend van Kerstmis gaat Clara Pauwels, de vrouw van boer Dossche, samen met een van de knechten naar de vroegmis op den Oudeman.

De kerk van den Oudeman

Zij zijn al vroeg op pad want de mis begint al om 5u30. Maar in de boerenstiel zijn ze gewoon van vroeg op te staan. Boer Dossche blijft thuis met de twee kindjes, de vierjarige Zana en zoontje Alberic, amper 2 jaar. Hij draait zich nog een keer om in zijn bed en wil wat uitslapen. De meid zal hem wel wakker maken als het ontbijt op tafel staat.

 

Het is hem niet gegund!

 

Rond een uur of zes wordt er op het luik van zijn slaapkamer gebonkt. “Boer, uw stieren zijn uitgebroken. Ge moet direct komen!” Met wat grote godfers springt Karel uit zijn bed. Welke onnozelaar heeft die stieren nu laten ontsnappen? En waar zit die koewachter eigenlijk? Kon die de boel niet wat in de gaten houden?

 

Enfin, al foeterend gaat Karel naar de voordeur. Hij pakt de altijd klaarstaande lantaarn, steekt hem aan en gaat het erf op. Geen kat te zien, laat staan ontsnapte stieren. Ook de man die aan het venster had staan roepen is niet te zien. Allé kom zeg, wat voor flauwe plezante haalt er mij hier uit mijn bed?

 

Maar ik ben nu toch buiten, denkt boer Dossche, ik kan evengoed eens gaan kijken of er nu al dan niet iets aan de hand is. Hij loopt naar de koeienstal, trekt de deur open en loopt recht in de loop van een geweer. Geen aarzeling, geen “handen omhoog”, meteen een schot hagel midden in het gezicht van de boer. Karel Dossche mag dan wel gekwetst zijn, hij is niet uitgeteld. De aanvaller grijpt hem vast en wil hem afmaken met een groot mes.

Hoe hij het deed wist hij achteraf zelf niet meer, maar Karel kan zich lostrekken, het mes bemachtigen en zich gaan verschuilen op de hooizolder boven de stal. Het mes verstopt hij in het hooi. De dader slaat op de vlucht maar de zwaargekwetste boer blijft verdoken op de hooizolder. Als hij daar zo half bewusteloos ligt vraagt hij zich toch wel af waarom de koewachter niet komt kijken wat er aan de hand is. Die moet toch in de buurt zijn en bezig met het eten van de koeien te bereiden.

Covent waar de koeier in sliep en trap naar den zolder waar Karel Dossche zich onder het kaf wegstak

De meid die in huis was gebleven begint zich toch wel wat ongerust te maken. De boer blijft zo lang weg. Hij zal toch geen stamp van een koe of een stier gehad hebben zeker. Het begint al wat klaar te worden maar als ze buiten komt valt er niets te zien. Allé, waar zit die nu. Ze zoekt het ganse erf af en in de stal hoort ze een zacht gekreun van op de hooizolder. Als ze Karel Dossche vindt probeert ze hem terug in het huis te krijgen. Gelukkig komt net de boerin terug van de mis. De boer is een oog uitgeschoten en het ander ziet er ook niet al te best uit. Zo goed en zo kwaad als het gaat verzorgen ze de wonden.

 

Maar waar zit toch het koeierke? Die moet toch iets gehoord of gezien hebben. Waarom komt die niet binnen?

 

Enfin, ondertussen zijn er een paar voorbijgangers op het in rep en roer staande hof gekomen. Ze zoeken allemaal mee en uiteindelijk vinden ze de koeier. Raymond Boelens van de Kerselaar, een manneke van 16 jaar, lag morsdood op zijn bed in de stal, badend in zijn bloed. De moordenaar had de jongen verschillende messteken gegeven en uiteindelijk doodgeslagen met een eggetand.

 

Hoewel het motief duidelijk poging tot diefstal moet zijn geweest – de familie Dossche had de naam er warmpjes in te zitten – was er niets gestolen. De moordenaar is waarschijnlijk zelf geschrokken en had het op een lopen gezet.

 

Een van de voorbijgangers was ondertussen naar de gendarmerie in Watervliet gelopen en had de rijkswacht verwittigd. Die gendarmerie lag immers maar een boogscheut verder in dezelfde straat.

De rijkswachtkazerne van Watervliet

De gendarmes waren al snel ter plaatse, maar konden weinig of geen sporen van de dader vinden. Boer Karel verklaarde dat hij zijn aanvaller niet herkend heeft maar dat hij hem zeker aan de hand verwond had. Zo zou men hem gemakkelijk kunnen vinden.

 

De rijkswachters vonden op de hooizolder wel het mes dat de boer van zijn overvaller had kunnen afpakken. Een van de voorbijgangers, jachtwachter Edward Vercruysse, die daar samen met anderen was komen toelopen herkende het mes als komend uit zijn huis. Hola! Toch een eerste spoor.

De jachtwachter had 6 zoons. Van elk werd het alibi nagekeken. Voor vijf geen probleem. Een van de zoons was zelfs de knecht op de boerderij die met de boerin naar de vroegmis gegaan was.

 

Het alibi van zoon Pieter (Peet) Vercruysse, 32 jaar, hing echter met haken en ogen aan elkaar. Het begon al slecht want hij was ooit knecht op de boerderij, maar werd ontslagen omdat hij zijn werk niet deed zoals het hoorde. Hij kende dus de boerderij en als hij dan ook nog eens geen goed alibi heeft … Zeer verdacht.

 

“Ik was het niet”, beweert hij nog eerst, “want ik was naar de vroegmis van 5u30 op Bentille”.

De kerk van Bentille

Als niemand hem daar blijkt gezien te hebben, verklaart hij dat er te veel volk in de kerk zat en dat hij buiten aan de kerkmuur van halfzes tot zeven uur heeft staan wachten tot de mis gedaan was. “Niet waar,” weet stoeltjeszetter Karel Mervielde “want als ik vóór 7 uur mijn water ging maken, stond hij daar zeker niet”. Ook anderen die de mis “gebrost” hebben en buiten bleven staan praten hadden hem niet gezien.

 

Hij was er wel toen de mis gedaan was. Men heeft hem zien staan op de kassei, waar hij wachtte op zijn lief die wel in de mis zat. Dat is mogelijk, want als de overval om 6 uur plaatsvond kon hij gemakkelijk om 7 uur in Bentille staan.

 

En meer nog, Karel Dossche had verklaard dat hij de overvaller gekwetst had aan zijn hand toen hij hem het mes wist af te pakken. Peet Vercruysse had vier verse krassen op zijn rechterhand, hoogstwaarschijnlijk door Karel Dossche aangebracht.

 

Op zijn kleren, vooral op zijn broek, werden bloedvlekken aangetroffen. “Dat is hazenbloed” wist Vercruysse, “want ik ben die nacht gaan pensen”. De wetsdokters hadden echter al vlug door dat het om mensenbloed ging. Dat Vercruysse nog probeerde met “In Holland zijn er hazen met mensenbloed”, werd alleen maar op gelach ontvangen.

 

Het net sloot zich meer en meer rond Pieter Vercruysse.

 

Dan blijkt ook nog eens dat hij het huisgerief van zijn broer Edward, die naar Amerika emigreerde, had overgekocht, maar geen geld had om het te betalen, Hij heeft dus naar alle waarschijnlijkheid de overval gepleegd om zijn broer te kunnen betalen. Het ging over 394 frank.

 

Redenen genoeg om Peet Vercruysse voor het assisenhof te brengen. Het proces werd al in juli 1906 gevoerd. De rechterlijke molens maalden toen toch wat sneller dan nu.

Het gerechtsgebouw in Gent

Er werden 60 getuigen gehoord. Allen ten laste!

 

De jury kreeg 4 vragen voorgeschoteld:

 

  1. Is Vercruysse schuldig aan doodslag op Raymond Boelens?

  2. Was er voorbedachtheid?

  3. Is hij schuldig aan moordpoging op Karel Dossche?

  4. Was er voorbedachtheid?

 

De jury heeft op alle vier de vragen ja geantwoord. Peet Vercruysse werd op 24 juli 1906 veroordeeld tot de doodstraf.

 

Gelukkig voor Vercruysse werd de doodstraf in België al meer dan 40 jaar niet meer uitgevoerd. In vredestijd toch niet. Zijn straf werd omgezet in levenslange gevangenisstraf.

 

Hij ging nog in cassatie, maar het hof verwierp zijn vraag al op 7 oktober 1906. Zei ik al dat de molens van het gerecht toen nog goed geolied waren?

 

Hij heeft jaren in den bak gezeten tot hij bij het aantreden van een nieuwe koning gratie kreeg. Hij mocht niet binnen een straal van ettelijke kilometers in de buurt van de boerderij van Dossche komen. Hij vertrok daarom naar Frankrijk. Hij zou later uit heimwee toch nog teruggekeerd zijn, maar daar weten we het fijne niet van.

De feiten uit de processen-verbaal bijeengesprokkeld door Lucien Dossche

De ochtend van Kerstmis gaat Clara Pauwels, de vrouw van boer Dossche, samen met Knecht August Vercruysse naar de vroegmis op den Oudeman.

 

Zij zijn al vroeg op pad want de mis begint al om 5u30. Maar in de boerenstiel zijn ze gewoon van vroeg op te staan. Landbouwer Dossche blijft thuis met de twee kindjes, de vierjarige Zana en zoontje Alberic, amper 2 jaar blijven slapen, terwijl de meid Amelie DeReu en de koeier Raymond Boelens reeds op waren sedert 3 uren ‘s morgens om hun gewoonlijk werk te verrichten.

 

Rond een uur of zes wordt landbouwer Karel Dossche gewekt door iemand die aan het venster zijne slaapkamer kwam roepen.

“Dat zijne stieren los waren en dat hij zich moest haasten”

 

Dossche sprong dadelijk uit zijn bed, kleedde zicht aan en haastte zicht onmiddellijk naar den stal

 

Juist was hij aan den staldeur gekomen, toen hij, door een geweerschot in het aangezicht getroffen werd. Achteruitdeinzend werd hij onmiddellijk vastgegrepen door ene manspersoon, die gewapend was met een groot mes en poogde hem te doorsteken.

 

Een hevige worteling greep plaats voor de staldeur. Gelukkig kan de landbouwer het mes rukken uit handen van zijnen aanvaller.

Hij vluchtte in de schuur, klauterde een ladder op en raakte zo op een zolder. Waar hij zicht verschool onder een hoop kaf. Het mes wat hij ontnomen had, smeet hij op de zolder.

 

Bevend van angst en koude, bleef hij twee uren liggen, erg gekwetst in het aangezicht tot de meid hem rond 8 uren kwam opzoeken.

 

Terwijl hij daar verdoken lag had Karel Dossche zijne koeier Raymond Boelens horen zuchten en klagen, en hij dacht dat de jongeling misschien vermoord was. Inderdaad toen men, om 8 uren het covent bezocht, waar de koeier gewoonlijk sliep, vond men het lijk door meststeken overladen en zware hoofdwonde.

 

Het lichaam was reeds koud

 

Het gerucht van de verschrikkelijke misdaad verspreide zicht snel in het omliggende. De bevelhebber van de gendarmerie van watervliet kwam toegesneld, als ook enige voorbijgangers.

 

Het slachtoffer Karel Dossche verklaarde dat hij in de duisternis zijnen aanvaller niet had herkend maar, voegde hij erbij, men zal hem gemakkelijke vinden, want ik moet hem aan de hand gekrabd hebben.

 

Ondertussen ging men op de zolder, het mes zoeken dat Karel Dossche van de moordenaar had ontnomen. Men vond het, juist op de plaats door de landbouwer aangewezen, op een tweetal meter van een plas bloed.

 

Onder de personen die daar aanwezig waren, bevond zich de jachtwachter, Eduard Vercruysse, die daar gelijk anderen was toe komen lopen.  Op het zicht van het mes, verklaarde de jachtwachter Vercruysse dat het mes uit zijne huis kwam.

 

Deze belangrijke erkentenis, kwam van ene inwoner van het huisgezin Vercruysse. Dat samengesteld was ui de vader, Moeder en dochter en zes zonen.

 

Het tijdverbruik van ieder lid der familie werd zorgvuldig onderzocht en allen behalve Petrus Vercruysse konden gemakkelijk hun alibi bewijzen en getuigen bijbrengen die ze tijdens het tijdstip de misdaad op ene of andere plaats hadden gezien.

 

Petrus Vercruysse beweerde dat hij op kerstdag s ’morgens om 5 uur gans alleen, zijn huis had verlaten om naar de kerk te gaan in Bentille, waar hij toegekomen was iets na 5u30. Volgens Petrus Vercruysse, was er veel volk in de kerk tot 7 uur. En daarom tegen de zijmuur buiten aan de kerk alleen was blijven staan in de koude en dat hij niemand had gezien, nog niemand hem had gezien.

 

Zijn bewering werd stellig tegengesproken door verschillende getuigen, namelijk, Karel Mervielde stoelkenszetter in de kerk te Bentille, vooraleer de 3de mis ten einde was dus rond 7 uur. Heeft hij zijn water gemaakt juist op de plaats waar Petrus Vercruysse beweert gebleven te zijn en dat hij daar niemand heeft gezien. Daarenboven is het bewezen dat er 4 personen voor de deur van de kerk zijn blijven staan klappen en dit van 5u30 tot 7 uur op korte afstand van de plaats waar Petrus Vercruysse zou gestaan hebben, maar niemand heeft hem gezien nog gehoord.

 

Het is dus zeker dat Petrus Vercruysse niet bij de kerk van Bentille is geweest voor 7 uur. Alleen is gebleken dat na 7 uur als het volk naar buiten kwam, Petrus Vercruysse gezien is geweest op de Kalsijde te Bentille. Dat hij zijne beminde Marie Vereecke aan de kerk te Bentille kwam afhalen.

 

Aangezien de misdaad om 6 uur gepleegd is geweest, en Petrus Vercruysse als verdachte al den tijd had rond 7 uur aan de kerk van Bentille te komen en zicht op die manier een alibi te verschaffen.

 

En meer nog, Karel Dossche had verklaard dat hij de overvaller gekwetst had aan zijn hand toen hij hem het mes wist af te pakken. Pieter Vercruysse had vier verse krassen op zijn rechterhand, hoogstwaarschijnlijk door Karel Dossche aangebracht.

 

Op zijn kleren, vooral op zijn broek, werden bloedvlekken aangetroffen. “Dat is hazenbloed” wist Vercruysse, “want ik ben die nacht gaan pensen”. Door tegenstrijdige verklaringen met getuigen was dit twijfelachtig. De verschillende bloedvlekken op zijnen hoed bloedspatten, op de vest een bloedstreep en op zijn broek ongeveer op de plaats van de rechter knie bevind zich een grote bloedvlek die het linnen heeft doordrongen en die ogenschijnlijk is gepoogd om uit te wassen. De wetsdokters hadden door wetenschappelijke proefnemingen aangetoond dat het over mensenbloed ging.

 

De broer van Petrus Vercruysse, genaamd Edward Vercruysse was geschikt om in de eerste dagen van het nieuwjaar 1906 naar Amerika te vertrekken. Veertien dagen voor kerstdag had hij aan zijne broer Petrus gevraagd of hij zijn goed wilde kopen. Die vraag werd ingewilligd door Petrus als ook zijne beminde en op 24ste december waren Petrus Vercruysse en Marie Vereecke bij Edward gekomen om het goed na te zien. Zij stelden een overeenkomt op om ‘s anderendaags 25 dec de koop te sluiten.

De koopsom werd vastgesteld op 394 frank.

Natuurlijk moest de koop geschieden met gereed geld, aangezien Eduard Vercruysse enige dagen later ging vertrekken naar Amerika.

Maar, Petrus Vercruysse had geen geld meer, zelfs geen duit.

Niettemin had hij gezegt aan zijne beminde dat hij over twee jaren 500 franken had getrokken en dat hij nog omtrent 340 franken over had.

Dit was een stoutmoedige leugen want hij moest op 25 dec 1905 bekennen dat hij niets bezat en hij dus niet in staat was de voorgestelde som van 394 frank te betalen.

Petrus probeerde nog zijn vel te reden door te zeggen dat hij nog 800 frank te goed had van den troep. En ja dit het klopte dat hij nog 800 frank te goed had van den troep, maar hij wist ook, dat hij dit niet kon verkrijgen voor 1 oktober 1907

 

Dit alles bewijst dat de misdaad ten laste gelegd van Petrus Vercruysse kon worden. Hij had voor doel enig geld te verkrijgen ten einde het goed van zijne broer te kunnen overnemen en het aanstaande huwelijk te kunnen voltrekken. Om dit doel te bereiken hoopte hij enig geld te kunnen vinden bij zijn gewezen baas. Die gekend was enige welstand te genieten. Via zijn broer wist hij dat Karel Dossche net stieren verkocht waren en veronderstelde Petrus Vercruysse dat er zeker geld moest zijn.

 

Voorheen was Petrus Vercruysse knecht geweest bij Karel Dossche maar had deze ontslagen voor diefstal. Het is niet onredelijk te veronderstellen dat hij ook heeft gehandeld uit wraak of vijandschap tegen zijne gewezen meester.

 

Redenen genoeg om Peet Vercruysse voor het assisenhof te brengen.

A

Met het inzicht om ter dood ter brengen en met voorbedachten rade een doodslag te hebben begaan op de persoon Raymond Boelens

B

Met inzicht om ter dood te brengen met voorbedachte raad, een poging tot moord te hebben begaan, op de persoon van Dossche Karel,

C

Het voornemen een roof misdaad te begaan.

 

 

Er werden 60 getuigen gehoord. Allen ten laste!

 

De jury kreeg 4 vragen voorgeschoteld:

 

  1. Is Vercruysse schuldig aan doodslag op Raymond Boelens?

  2. Was er voorbedachtheid?

  3. Is hij schuldig aan moordpoging op Karel Dossche?

  4. Was er voorbedachtheid?

 

De jury heeft op alle vier de vragen ja geantwoord. Peet Vercruysse werd op 24 juli 1906 veroordeeld tot de doodstraf.

 

Gelukkig voor Vercruysse werd de doodstraf in België sinds het jaar voor de assisenproces niet meer uitgevoerd. Zijn straf werd omgezet de hoogst mogelijke straf, levenslange gevangenisstraf.

 

Hij ging nog in cassatie, maar het hof verwierp zijn vraag al op 7 oktober 1906.

 

Hij heeft jaren in den bak gezeten tot hij bij het aantreden van een nieuwe koning gratie kreeg. Hij mocht niet binnen een straal van ettelijke kilometers in de buurt van de boerderij van Dossche komen. Daarom ging hij net over de grens nabij Waterland-Oudeman wonen.

Regelmatig kwam hij in den Oudeman, tot hij door Karel Dossche betrapt werd op de Oudeman kermis.

Hij is sindsdien gevlucht naar Frankrijk. Hij zou later uit heimwee toch nog teruggekeerd zijn, maar daar weten we het fijne niet van.

 

Hij is later ook naar Amerika gegaan

bottom of page