top of page

Het Sentse Godshuis 

In het rustige Sint-Laureins staat een gebouw dat groter is dan het dorp zelf. Een kolossaal complex van bakstenen en herinneringen, ooit het hart van de gemeenschap, nu een stille (?) getuige van vergane glorie. Het Godshuis roept vragen op. Wie bouwde dit? Waarom zo groot? En wat is er sindsdien allemaal gebeurd?

 

Wat begint als het verhaal van een rijke erfgename en haar schenking aan de kerk, groeit uit tot een kroniek van macht, religie, liefdadigheid en uiteindelijk verval. Eeuwen van zorg voor wezen, armen en zieken gingen voorbij achter deze muren. In vredestijd en oorlog. Met honderden bewoners, zusters, priesters — en zelfs een verdwaalde relikwie.

 

Maar het is geen heiligenverhaal. Want achter de goede bedoelingen schuilen ook eigenbelang, conflict en verloren dromen. De grootsheid van het gebouw staat in schril contrast met de vele keren dat het werd verlaten, verkocht, herbestemd of simpelweg vergeten.

 

Vandaag is het Godshuis opnieuw bewoond, zij het met een andere bestemming dan waarvoor het ooit werd opgericht. Maar de stenen zwijgen niet. Ze dragen het gewicht van 180 jaar geschiedenis — rijk, tragisch, en alles daartussen.Ontdek het verhaal achter het Godshuis. Over mensen met macht en mensen zonder stem. Over wat ooit was, wat had kunnen zijn, en wat er van overblijft.

Paul De Vendt cartoon

Een kelder vol goud

 

Alvorens we het over het Godshuis kunnen hebben moeten we eerst een beetje de voorgeschiedenis kennen. Al is ’t maar om te weten waar al dat geld vandaan kwam dat nodig was om zo’n monumentaal gebouw neer te poten.

 

In 1754 werd in Sint-Laureins ene Franciscus Van Damme geboren. Hij werd zaakwaarnemer. Dat is zo iemand die voor burgers en buitenlui transacties van onroerend goed regelde, zeg maar een dorpsnotaris zonder diploma. Daar verdiende hij niet slecht mee en als hij dan ook nog ne keer trouwde met een rijke madam uit Kaprijke, Catharina Huyghe, was zijn broodje gebakken.

 

En dan vielen de Fransen bij ons binnen en begonnen maar meteen om al de bezittingen van kerken en kloosters aan te slaan en ten profijte van de Franse schatkist te verkopen. Geruchten gingen dat onze Frans Van Damme hier nogal grof geld mee verdiende. Bewijzen heeft men echter nooit gevonden.

 

In ieder geval was het gezin van onze notaris stinkend rijk. De dorpelingen vertelden dat er in hun huis aan het gemeenteplein (nu het Antonia Van Dammeplein) een kelder was vol met goudstukken. Wie zal het zeggen?

Sint-Laureins Dorpsstraat huis Onderpastoors (2).jpg

Links het huis van de Van Dammes

Frans en zijn vrouw kregen 2 dochters, Maria Jacoba (°1795) en Antonia Bernardina (°1797).

Geboorteakte Antonia Van Damme

Geboorteakte Antonia Van Damme

Maar het jachtige leven haalde onze Frans in en hij overleed in 1808, pas 54 jaar. Catharina bleef achter met 2 kindjes van 13 en 11 jaar.

 

Madam Huyghe en de balling van Boekhoute

 

Die Catharina, dat moet, om het zacht te zeggen, een vrij dominante persoonlijkheid geweest zijn. Zo een die wist dat ze geld had en dacht dat ze daardoor beter was dan een ander. Zo kreeg ze op een goede dag boel met de pastoor. Hoe dat kwam? Wel op het kerkhof was een schooltje opgericht, de zogenaamde kwezelschool, waar nonnen in spe (novicen) lesgaven aan de armere kinderen. Het schooltje werd nota bene opgericht met steun van Frans Van Damme. Maar zijn weduwe wou het schooltje in 1812 niet meer steunen: ze wou een andere school oprichten met een familielid als (betaalde) leraar. Franciscus Lefebvre was toen pastoor en had het lef zich tegen “madam” te verzetten. Maar ’t geld wint altijd, dat was vroeger zo, dat is nog altijd zo. De nonnen werden weggestuurd en stichtten een bloeiende kloostergemeenschap in Waarschoot en onze sukkelaar van een pastoor werd bij wijze van straf verbannen naar Boekhoute. Tot op het laatst ondertekende hij al zijn brieven “Pastoor van Sint-Laureins, in ballingschap in Boekhoute”. Ge kunt peinzen wat een serpent die moeder Huyghe was. Zo zal ze ook haar dochters wel met ijzeren hand opgevoed hebben zeker.

 

Antonia, rijk maar wereldvreemd

 

En dan stierf zus Maria Jacoba (1833). Antonia werd enig kind.

En dan stierf moeder Catharina zelf (1842). Antonia was 45 jaar. Schatrijk. Ze had verspreid over Sente en de naburige gemeenten meer dan 200 hectare landerijen, bossen, boerderijen, huizen, ... en daarnaast nog een hoop geld. Jaarlijks kwam daar nog eens duizenden franken bij van haar pachters.

 

Maar hoogstwaarschijnlijk totaal wereldvreemd!

 

’t Schaap was al heel haar leven gewoon geweest van te knikken en alles te aanvaarden wat moeder zei. En wie weet zat er ook een beetje schuldgevoel bij. Zou haar vader dan toch zwartgoed verkocht hebben?

 

De geestelijke entourage van Antonia

 

In ieder geval was ze een gemakkelijke prooi voor de toenmalige priesters van het dorp. Onderpastoor – later pastoor – Van den Berghe spande de kroon. Hij wist Antonia ervan te overtuigen om kazuifels, kruiswegen, monstransen en ander gerief voor de kerk te kopen en aan de parochie te schenken. Sente bleef geen arm polderdorpke meer, de kerk dan toch niet.

Kerk Sint-Laureins binnenzicht

Binnenzicht kerk

Als dan ook nog pastoor Andries uit Middelburg – de latere kanunnik en de man die ons het Leopoldkanaal gaf – aan de kar kwam steken – hij schijnt regelmatig te paard door de velden van Middelburg naar Sente gereden te hebben op de koffie bij Antonia, dan weet je dat Antonia goed door de kerk “begeleid” werd.

Pastoor Van den Berghe

Pastoor Van den Berghe

Kanunnik Andries

Kanunnik Andries

De geestelijke en andere leiders van Antonia, tot zelfs haar Gentse notaris toe, waren allemaal ultramontanen. Oei wasda? Ultra montes = achter de bergen = achter de Alpen = Vaticaanstad. ’t Waren allemaal hevige pausgezinden. En die waren moreel verplicht om de armen te helpen. Antonia werd overtuigd en haar geld kreeg een bestemming. Voelt ge hem komen?

 

Een hardnekkig misverstand

 

Eerst moeten we nog een misverstand uit de wereld helpen. De meeste mensen (ook historici) menen dat Kanunnik Andries het idee had voor het bouwen van het Godshuis en Antonia de centen. En dat omwille van het feit dat Andries het Sint-Janshospitaal van Brugge een proces aansmeerde op basis van een stratenoud testament van ene Arnulf van Maldegem. Daarin stond dat het Sint-Janshospitaal er eeuwig moest voor zorgen dat de zieken uit Maldegem, Adegem en Sint-Laureins verzorgd werden. Daarom zou Andries gezegd hebben tegen Antonia “bouw uw Godshuis maar, die van Brugge zullen wel met geld over de brug komen”. Andries heeft dat proces gewonnen en Sint-Laureins heeft effectief geld gekregen voor de bouw van een hospitaal. Alleen gaat men eraan voorbij dat dat testament maar in 1849 op de proppen kwam en dat Andries maar in 1857 zijn proces aanspande. De plannen van het Godshuis gaan echter terug naar 1843, lang voor er sprake was van enig testament. ’t Is maar dat ge het weet. Ook in de door de nonnen handgeschreven geschiedenis van het klooster is alleen sprake van Antonia en haar “leidsman” pastoor Van den Berghe. Trouwens, Antonia zal later nog overhoop komen te liggen met Andries, maar dat vertel ik straks nog. Andries was er dus misschien wel bij van in het begin, maar naast onderpastoor Van den Berghe speelt hij maar een bijrol.

 

De bouw van een mastodont

 

Maar terug naar ons vertelselken. Onze geestelijken wezen Antonia erop dat de zieken van Sente en dat waren er nogal wat – nogal veel polderkoorts, zeg maar malaria, want de vaart lag er nog niet – met een steekkarretje naar het hospitaal in Brugge moesten gevoerd worden. Een hele hoop overleefden die tocht niet. Ook al omdat ze meestal te lang wachtten om naar den doktoor te gaan, wegens geen geld. En dat het toch wel beter zou zijn moest Sente zijn eigen hospitaal hebben. En gij hebt toch geld genoeg!

 

Enfin, Antonia liet zich overtuigen en ging op zoek naar een architect. Waar ze hem vond en waarom weet eigenlijk geen kat, maar plots kwam Antonia met een jonge totaal onbekende architect op de proppen. Ene Justin Bruyenne uit Doornik. Haar hoofdzakelijk Franstalige vriendenkring uit Gent en Brugge zal daar wel voor iets tussen gezeten hebben zeker. In ieder geval, voor die Bruyenne was het een vliegende start, want later heeft hij nog tientallen kloosters, kastelen, kerken, gemeentehuizen en dergelijke gebouwd of gerestaureerd.

 

En nog zoiets raars: we kennen dan wel de architect, er is geen mens die nog weet wie de aannemer was.

 

In ieder geval, ze begonnen eraan in juni 1843, nu al meer dan 180 jaar geleden. Dat moet hier in Sente nogal een bouwwerf geweest zijn. Aan de ene kant van ’t dorp waren ze een vaart aan het delven en aan de andere kant richtten ze een mastodont van een gebouw op. Die mannen van de vaart, daar zat wel wat gespuis bij, dat ’s avonds de cafés van Sente onveilig maakte. Op een goeie dag werd er zelfs ene door de gendarmen doodgeschoten. Van de bouwers van het Godshuis heb ik geen baldadigheden teruggevonden.

De grote werf van 1843

 

Alle materialen voor de bouw van het godshuis, bakstenen, kalk en dakpannen, werden uit Mechelen en Boom per schip tot in Balgerhoeke gebracht en van daar door de talrijke pachters van juffrouw Van Damme naar de werf gebracht. Een immens karwei want een goede verbindingsweg tussen Balgerhoeke en Sint-Laureins bestond nog niet. Honderdduizenden bakstenen moesten vervoerd worden en als je voor ogen houdt dat twee paarden 600 stenen konden vervoeren en een man met een kruiwagen met moeite 40, dan weet je het wel. En er zitten honderdduizenden stenen in het gebouw. Naar het schijnt zitten er zelfs meer stenen in de fundamenten dan men boven de grond ziet. Dankzij haar onbeperkte financiële middelen bracht ze het project tot een goed einde. Na 6 jaar bouwen was het af, 75 meter lang en 56 meter breed, met aan de oostkant de uitspringende kapel met de reusachtige koepel.

 

Het gebouw was bedoeld om er armen, noodlijdenden en wezen van Sint-Laureins in onder te brengen.

Er waren 4 niveaus: de half verzonken kelderverdieping, de verhoogde benedenverdieping, de verdieping en de zolders.

 

Het gebouw is volledig onderkelderd. Die kelders vormden een doolhof van gangen en zalen die gebruikt werden als werk- en opslagplaatsen voor steenkool, aardappelen, wortelen, bieten en andere vruchten. Er was een bakkerij, een wasplaats en een slachtplaats. Waren we er maar bij geweest in 1863, dan lag er een voorraad van 400 liter bordeauxwijn. Daarnaast lag er o.a. 900 kg rijst, 250 kg koffie, 15.000 kg aardappelen, 40.000 kg kolen.

Die nonnen hadden niets te kort.

 

Soms werden er zelfs bewoners te slapen gelegd. Als ze wat te veel last berokkenden aan de andere bewoners of wat te luid riepen werden ze verbannen naar de kelder. Nu zouden ze liefdevol op de afdeling van de dementen verzorgd worden, maar toen werden ze alleen als lastigaards beschouwd. Al in 1911 verboden de dokters om nog iemand in de onderaardsche plaatsen te laten verblijven. Maar de nonnen veegden daar ferm hun voeten aan. Pas in 1952 maakte de sociale inspectie er definitief een einde aan.

 

Een tijdlang werden er ook koeien en varkens gestald in de kelders. Maar op het moment dat de nieuwe stallen in april 1909 gebruiksklaar waren werden de dieren naar daar verhuisd, omdat, zeker als het warm weer was, het verblijf van de koeien onder de hospitaalzaal toch niet zo gezond bleek voor de patiënten.

 

Nog kort voor de eerste wereldoorlog stonden er in de keldergangen “gemakhuisjes”, met alle stank van dien.

 

Tijdens de 2 wereldoorlogen kwamen de Sentenaars schuilen in die kelders. Op een gegeven moment moeten er zowat 2.000 vluchtelingen en inwoners van Sente in de kelders geschuild hebben.

Als er in september 1944 hard werd gevochten rond het Leopoldkanaal werden er in de kelders van het Godshuis zelfs kindjes geboren.

Een dorp op zich

 

Het Godshuis was verdeeld in twee gelijke helften: het vrouwen- en het mannenkwartier. De kapel was vanuit beide kwartieren toegankelijk. Elk kwartier had zijn binnentuin.

 

Elk kwartier op het gelijkvloers had een gemeenschappelijke eetzaal, een ontspanningszaal en slaapzalen voor weesmeisjes en voor bejaarde vrouwen en aan de andere kant voor weesjongens en voor bejaarde mannen. En dan waren er nog de slaapzalen voor de nonnen en voor de knechten. In totaal waren er 200 ijzeren bedden met de nodige matrassen en beddengoed.

 

In de beginperiode was er een internaat voor meisjes van welstellende ouders. In 1851 waren er 25 meisjes maar in 1862 nog maar 11.

 

Er was ook een zogenaamde spellewerkersschool waar zo’n 70 meisjes lessen kantwerken volgden. Die bleef zelfs bestaan tot 1907. Toen vroeg de non-lesgeefster opslag en dat kon er niet af. De kantschool werd gesloten.

 

De gehele middelvleugel, die een soort buffer was tussen de mannen- en de vrouwenafdeling, was voorbehouden voor allerlei diensten: een inkomhal en ontvangstplaatsen, het bureau van moeder-overste, de vergaderzaal van de commissie die het Godshuis bestuurde, de keuken, enkele bergplaatsen en dienstvertrekken. In de keuken stond een gesmeed ijzeren fornuis met toebehoren. Tijdens de eerste wereldoorlog stonden er drie koperen fornuizen, maar die werden door den Duits opgeëist. De fornuizen werden gestookt met steenkool tot wanneer tijdens de tweede wereldoorlog de gasleiding werd aangelegd.

Kostkopers en sukkelaars

 

Op de verdieping waren de kamers van de meer begoede bewoners, de zogenaamde kostkopers of tafeliers, de kamers voor de nonnen en een ziekenzaal. Er was zelfs een operatiekamer. Die kostkopers betaalden een vooraf afgesproken bedrag voor levenslang onderhoud in het Godshuis – een soort lijfrente. Die mannen en vrouwen zaten in hun eigen kamer met meer luxe en comfort dan de anderen, moesten niet meehelpen in ‘t Godshuis en deden dus van de ganse dag geen klop. Dit in tegenstelling met de arme bejaarden die geplaatst werden door de armenbesturen van Sint-Laureins en andere gemeenten. Die sliepen in slaapzalen op het gelijkvloers en moesten meehelpen op de boerderij, in de keuken en in de bakkerij.

 

De zolders onder het dak werden gebruikt als opslagplaats voor haver, tarwe, rogge, wol, vlas, appelen en andere vruchten. In 1917 werd er bijvoorbeeld meer dan 31 ton haver bewaard.

De kapel: rijker dan de rest

 

Geheel in de lijn van de verwachtingen werden voor de kapel kosten noch moeite gespaard. Die was rijker en luxueuzer uitgevoerd dan de rest van het gebouw. De volledige uitrusting van de kapel - en eigenlijk ook van de rest van het klooster - werd door onze Antonia betaald. De kapel was volledig uitgerust voor alle godsdienstige plechtigheden. De mis werd er gelezen door de pastoor, door een van de onderpastoors of door een priester op rust die in het godshuis verbleef.

Kapel

Bij de wijding van de kapel schonk Antonia haar nogal lugubere relikwie van de H. Rufinus aan het klooster. Dat was een buisje met bloed van de heilige dat in de kapel bij zijn beeld bewaard werd. Op een goede dag is het naar Gent vertrokken om klaar te maken voor verering. Wat ze daarmee bedoelden is me een raadsel. In ieder geval het buisje bloed is nooit teruggekeerd en geen mens die nog weet waar het zit. Het beeld van de sukkelaar van een Rufinus lag daar nu zonder zijn relikwie.

Rufinus

In het begin was het altaar van de kapel naar het westen gericht. De Rooms-katholieke traditie wilde echter dat het altaar naar het oosten gericht was, omdat dit de richting is vanwaar het licht opkomt en symbool staat voor Christus, het Licht van de wereld. In 1937 werd het interieur van de kapel dan maar omgedraaid: het altaar werd van de westkant verplaatst naar de oostkant. Door dat omdraaien werd de monumentale ingang overbodig en bleef van toen af aan gesloten. Het doksaal kon bereikt worden langs het duivelstrapje, een wenteltrap die vanuit de kelders via een deur op de eerste verdieping te bereiken was. Via het doksaal klom men verder tot op de zolder waar het gebinte te zien was van de koepel waar de klok hing. Een minpuntje was dat ze toen de mooie schilderwerken van kunstschilder Pierre Vietty uit 1924 overschilderden met olieverf, omdat de schilderijen “niet meer pasten”.

Een kerkhof met ambras

 

Als bisschop Delebecque in 1849 de kapel kwam inwijden wijdde hij meteen ook een kerkhof in. Op 31 april 1850 werd er ene Jacobus Van Waes begraven en op slag kreeg onze Antonia het aan de stok met de liberale gouverneur van Oost-Vlaanderen: volgens de gouverneur was een begrafenis een burgerlijke zaak waarbij de volksgezondheid primeerde. Het was het gemeentebestuur dat moest beslissen waar er begraven werd en niet juffrouw Van Damme. Op het einde van ’t spel werd de arme Jacobus ontgraven en opnieuw begraven op het kerkhof naast de kerk. Van het kerkhof bij het Godshuis werd dan maar een boomgaard en een moestuin gemaakt. Dat kerkhof lag langs de kant van de Smissestraat (waar later het speelplein zou komen).

En over ambras gesproken

 

Ook met pastoor Andries van Middelburg, nochtans een goede vriend die frequent bij haar op bezoek kwam, kwamen er spanningen. Hoe dat kwam?

Het Godshuis werd uitgebaat door de Zusters Kindsheid Jesu van Gent. Om zeker te zijn dat haar Godshuis na haar dood in goede handen zou blijven wou Antonia het eerst schenken aan de orde van de zusters die al in het klooster zaten. Maar die moesten het niet hebben omdat ze te veel successierechten zouden moeten betalen. Antonia wou het gebouw dan nalaten aan de mannen van het Brugse Sint-Janshospitaal onder de verplichting dat de inwoners van Sente en Adegem (en eventueel Maldegem) er voor eeuwig gratis zouden verzorgd worden. Die wilden wel maar dan moest Andries zijn proces stopzetten – je weet nog wel, het fameuze proces over het testament van Arnulf van Maldegem. Maar Andries wou daar niet van weten, hoe Antonia ook aandrong, dus kreeg ze wat boel met de kanunnik. Op het einde heeft ze het gebouw dan maar geschonken aan de Commissie van Openbare Onderstand van Sint-Laureins, de voorganger van het OCMW.

En dan kwamen de zusters

 

Die zusters van de Kindsheid Jesu zorgden dus dat alles zijn draai vond in het Godshuis. In 1849 kwamen ze in twee shiften met zes man af. Ze brachten 16 weeskinderen mee uit Gent. Omdat er toen in Gent een cholera-epidemie heerste zaten er al gauw 115 wezen in ’t Godshuis.

 

Bij het Godshuis hoorde ook een vrij grote, goed uitgeruste boerderij, geleid door een opzichter. De laatste opzichter was Herman Schautteet, grootvader van Filip De Keyzer uit het café in ’t Dorp. Herman werd in 1939 aangesteld en zou de laatste boer van ’t Godshuis zijn.

 

De boerderij was voorzien van alle gebouwen en gerief die een landbouwbedrijf nodig had: graanschuur, hangar, karren, landbouwmachines, paardenstal, koestal, varkensstal, melkerij, zelfs een schrijnwerkerij. De verkoop van paarden, koeien en varkens was zelfs een belangrijke bron van inkomsten voor ’t Godshuis.

Het dagelijkse leven

 

Het dagelijks leven in het Godshuis verliep nogal strak.

Niet iedereen mocht zich buiten het Godshuis begeven en diegenen die wel mochten moesten op tijd thuis zijn. De regel was: als de nonnen gingen slapen moest iedereen in zijn bed liggen. Het ging zelfs zo ver dat in 1952 alle ingangen afgesloten werden behalve de hoofdingang waar een portierster zat. De enige toegang naar het Godshuis was via de kloosterdreef.

De kost was ook niet om over naar huis te schrijven: ’s morgens boterhammen zonder iets bij, ’s middags soep, aardappelen, een beetje groenten, een stukje vlees als er was en een pint bier, ’s namiddags opnieuw droog brood en ’s avonds pap en gestoofde aardappelen.

Eeuwfeest en eerbetoon

In 1949 werd het eeuwfeest van het Godshuis gevierd: optochten, fanfares, turnclubs, een Brussels circus en zelfs een schilderijententoonstelling. Daarnaast een Vlaamse kermis met liggende wip, gooikramen. Kortom voor elk wat wils. Er werd reclame gemaakt om de nogal macabere relikwie van Rufinus te bezoeken. Ze lokten de mensen naar de kelders waar geheel Sint-Laureins zich verschuilde tijdens de hevige bombardementen van de laatste oorlog. De gangen werden geverfd, de deuren gevernist, de ontelbare vensters gewassen.

Alleen: dansen mocht niet! Daarvoor moest de jeugd naar het Dorp, waar er twee danstenten stonden. In eentje ervan speelden de wereldberoemde – in Sente dan toch – Honolulu Boys.

Begin van het verval

 

Maar eigenlijk was het Godshuis toen al in verval. Al lang voor de tweede wereldoorlog liepen de onderhoudskosten al hoog op en na de oorlog begonnen ze de spuigaten uit te lopen. De gewone onderhoudskosten bedroegen bijvoorbeeld in 1949 60.000 frank en in 1953 al 190.000 frank, een verdriedubbeling op 4 jaar tijd. De gemeente moest al maar meer bijpassen. Toch konden ze de boel nog min of meer in behoorlijke staat houden tot in de jaren zeventig.

 

Sinds een deel van het pleisterwerk tijdens het bidden door een overvliegende straaljager naar beneden donderde durfden de nonnen de kapel niet meer in. Misschien hadden ze een beetje te luid hun gebeden opgezegd?

In 1968 stond in de krant dat de nonnen uit het Godshuis zouden vertrekken. Er wordt veel over gepalaverd maar in 1971 waren de zusters effectief weg uit het klooster. Ze namen hun intrek in het door hen in 1960 opgerichte EPI. De een na de andere verdween ook daar en in 1991 verliet de laatste non definitief Sint-Laureins. De zusters van Kindsheid Jesu waren 142 jaar aanwezig geweest in Sint-Laureins.

 

Leegloop en sluiting

 

Na het vertrek van de zusters was een van de vleugels van het Godshuis stervend en in de andere vleugel zaten nog zo’n 70 bejaarden. In 1980 was nog maar een derde van het complex in gebruik. De kapel was een ruïne Wat vroeger een paleis was voor de bejaarden was op den duur een gevaarlijke ruimte geworden: vocht, schimmel, niet brandveilig, gevaarlijke trappen, slecht sluitende ramen, ...

In 1982 werd door het ministerie van welzijnszorg de onmiddellijke sluiting geëist.

 

Het gebouw stond te verkrotten. Omdat het niet afgesloten was werd het een oord van plundering, kleine criminaliteit en ongedierte. Stilletjes aan verviel het ganse Godshuis tot ruïne.

Godshuis in verval

Pogingen tot redding

 

Een gemeente met nog geen 7.000 inwoners kon dit niet onderhouden. “Wie helpt ons van het Godshuis af?” vroeg burgemeester Van Braekel zich in 1989 af. Voor de restauratie zou 400 miljoen frank nodig zijn en dat had Sente niet. Vandaar dat er, voor minder geld, een nieuw rusthuis gebouwd werd, dat in 1990 in gebruik werd genomen.

Het Godshuis dreigde een spookhuis te worden, hoewel het ondertussen in 1986 als monument geklasseerd was, voornamelijk door toedoen van een Eeklose architect, Ronny Lippens. De gemeente wou het besluit nog tegenhouden maar dit mislukte. Volgens de burgemeester betekende dit het failliet van Sente.

 

In 1992 verkocht de gemeente het Godshuis voor 0 frank aan een aannemer uit Harelbeke. Voor de grond, de stallingen en de opritten werd 1.750.000 frank betaald. Frank hé, geen euro. De koper moest het gebouw restaureren maar daar werd geen termijn op geplakt. En dan bleef het oorverdovend stil langs zijn kant. Wachten tot de boel in mekaar donderde om de grond nadien te kunnen verkavelen zeker?

 

Gered!

 

Maar dat was zonder de Lofting Group en Condominium gerekend, met als drijvende kracht Rudy Leroy van Lofting Group. In maart 1999, ei zo na 150 jaar na de inzegening van het gesticht (15 september 1849) kochten die het totaal vervallen complex met de bedoeling om er lofts in te maken. Het werd uiteindelijk een hotel met 64 kamers, 7 feestzalen, een bistrobar en een wellnesscenter. Het project had 15 miljoen euro gekost. De bevolking van Sint-Laureins liet zich hierbij niet onbetuigd. Wanneer de investeerders “aandelen” verkochten om de zaak te helpen opbouwen gingen de mensen van Sente daar gretig op in. Duizenden euro’s werden zo opgehaald.

 

In 2004 was de officiële opening. Het Godshuis was gered! Ontelbare paartjes, waaronder Debbie Pfaff, zijn hier getrouwd.

Of niet gered?

 

In 2008 sloeg de economische crisis toe. Bedrijven belegden geen seminaries meer, toch al zeker niet in zo’n afgelegen gemeente. Lag Sente dan toch echt te afgelegen om rendabel te kunnen zijn? Het Godshuis kwam die klap nooit meer te boven. Vanaf dan ging het bergaf en in 2013 was er een eerste hapering en moest de rechtbank tussenkomen. Rudy Leroy wou dan assistentiewoningen laten oprichten om een recurrent inkomen te hebben en zo het Godshuis te kunnen redden. Volgens Leroy is dit mislukt door de tegenwerking van een Sentse schepen. In 2016 ging het Godshuis failliet. Ook de mensen van Sente waren hun geld kwijt.

 

Het handelsfonds werd daarna overgenomen door een Russische groep, maar het gebouw zelf moesten ze niet hebben. Het gebouw werd in 2018 dan toch nog door de curator verkocht en de Russen moesten het pand verlaten. Ze mochten de inboedel die bij het handelsfonds behoorde verkopen maar ze maakten er me toch zo’n rotzooi van. Alles werd vernield, radiatoren werden uit de muren gerukt, badkamers afgebroken, ... Het Godshuis bleef als puinhoop achter.

 

Wat rest

 

Toch bleef de bevolking hopen op een goede afloop. Door hun financiële steun was het Godshuis toch ook een beetje hun gebouw.

 

Maar het mocht niet zijn. De grandeur van vroeger is weg. Het ooit zo trotse Sentse Godshuis is nu een asielcentrum.

bottom of page