Sociaal oproer of dronkemansruzie?

In 1970 schrijft onderpastoor Robert Bernaert de kronieken van Sint-Laureins. Alhoewel, “schrijft”. Hij maakt duchtig gebruik van de handgeschreven geschiedenis van ons dorp door pastoor Theodoor De Swaef, die onze geestelijke herder was van 1887 tot 1898.

 

Op een bepaald moment heeft Bernaert het over moeilijkheden in 1848 met het volk dat de vaart aan het delven is. De toenmalige onderpastoor moet op een kwade dag de laatste sacramenten toedienen aan een slachtoffer van een vechtpartij onder de “delvers”.

 

Wat zou daar gebeurd zijn? Om er het fijne van te ontdekken worden de oorspronkelijke boekjes van pastoor De Swaef erbij gehaald. Die boekjes waren ei zo na in de vergeetputten van het Rijksarchief beland, maar gelukkig hebben we ze kunnen redden. Te vinden in ’t Sents archief natuurlijk.

 

Het verhaal van het Leopoldkanaal ga ik hier niet opnieuw vertellen. Laat ons zeggen dat het in 1848 in Sente nogal een drukke bedoening is. In de tuin van Antonia Van Damme zijn ze het Godshuis aan het oprichten en aan de andere kant van het Dorp zijn ze een vaart aan het graven.

 

Die metselaars van Antonia Van Damme blijken nogal brave jongens te zijn. Velen zijn ook uit de streek. Het volk dat de vaart delft, dat is een ander paar mouwen. Daar zijn honderden en honderden mannen aan het werk uit alle uithoeken van België. Als ge een gedacht wil hebben hoe het zou kunnen geweest zijn, kijk eens naar dit schilderij.

Het graven van de Gentse vaart - Garemijn.jpg

Het is van de hand van de Bruggeling Jan Garemijn. Het schilderij zal wel in het Brugs museum hangen. Ge moet maar eens gaan kijken.

 

En nee, dat schilderij gaat niet over het graven van het Leopoldkanaal. Zo ver heeft Sente het nog niet gebracht. Wel over het delven van de vaart tussen Gent en Brugge. Gegraven een 50 jaar vóór het Leopoldkanaal, maar met dezelfde technieken en dus met dezelfde nodige massa volk die met hun schopjes alles uit moeten graven. In Sente ging het er ongetwijfeld gelijkaardig aan toe.

 

Opzichters en ploegbazen om niet te spreken van de ingenieurs zullen wel in de diverse Sentse herbergen knus overnacht hebben. Het voetvolk wordt bijeen gedrumd in tenten en haastig ineen getimmerde hutjes.

 

De werklui zijn allemaal jong en velen zijn vrijgezel. De Sentse cafés draaien overuren en het karig loon van de werkman verdwijnt grotendeels in de zakken van de waard. De zondag en een groot deel van de maandag draaien de orgels en fiedelen de “spelemannen”. Het bier en de jenever vloeit bij beken. Ook het gespuis van Sint-Laureins – dixit pastoor De Swaef – viert mee en stort hun gezin in de armoe.

 

Ondertussen zijn er overal in Europa schermutselingen. De opkomende socialisten steken het vuur aan de lont. De werkman mort en staat op tegen het gezag. Dat ze in Sente boel voorzien blijkt uit het feit dat de 2 plaatselijke champetters al weken de gewapende steun krijgen van 3 gendarmes die in herberg Sint-Hubertus, naast De Pluim, verblijven.

 

Maar of het volgende verhaal moet gerangschikt worden onder sociaal oproer – zoals de betreurde historicus Daniel Verstraete meent – of dat het gewoon een uit de hand gelopen dronkemansruzie is? Ik ga er mij niet over uitspreken. De Swaef heeft het in ieder geval uit de eerste hand, zijn goede vriend, schoolmeester Jan Baptiste Van Damme, een kozijn van Antonia Van Damme van ’t Godshuis – ja, je vindt haar in Sente op elke straathoek – is ooggetuige.

 

In 1848 gaat een van onze jeugdige gravers de zaterdagavond voor Pasen de nodige druppels drinken in café De Linde op de hoek van de huidige Dorpsstraat en de Smissestraat, uitgebaat door Joannes Baptiste Latomme en Marie Therese De Meulemeester.

café De Linde.jpg

Als er moet betaald worden weet onze werkman nergens van. De gotvers en miljaars zijn niet uit de lucht en als de zattepulle ook nog eens dreigt om bazin Marie Therese een pak rammel te geven, wordt veldwachter Jan Van Haelemeesch erbij gehaald. Deze probeert tevergeefs om de woedende man tot bedaren te brengen. Uiteindelijk wordt de woesteling aan de deur gezet. Maar eens buiten blijft de man roepen en tieren en schelden. En binnen het kwartier – zegt De Swaef – kwamen daar zo’n twaalf- tot dertienhonderd man op af. Laat hem nu nog de helft overdrijven, ’t is toch een serieuze meute die daar plots voor onze brave champetter zijn neus staat.

 

Dat werkvolk is al wat verhit van pinten te drinken en staat al “slaat hem dood” te roepen. Met alle chinezen maar niet met den dezen denkt Van Haelemeesch en hij laat er zijn collega veldwachter en de drie gendarmen bij roepen. Die zitten maar een paar honderd meter verder, in Sint-Hubertus, dus die zijn er in een wip. Met hun hulp wordt de opstandeling in de kraag gevat om naar het gevang gebracht te worden. Die gevangenis staat op het kerkhof, ongeveer daar waar we nu de opslagplaats van de gemeentewerkmannen vinden. Niet zo heel ver, maar ver genoeg met zo’n horde achter uw gat.

 

Want die bende laat dit zo maar niet gebeuren. Honderden kameraden van de gevangene volgen het kleine konvooi en staan klaar met schoppen en houwelen om hem te bevrijden. Er is al meer dan één slag uitgedeeld en het schoon uniform van onze arme Van Haelemeesch hangt al een beetje in slunsen.

oproer.jpg

Aan de Kantijnestraat kan de gevangene zich lostrekken en vlucht tussen zijn kameraden. Van Haelemeesch, blijkbaar van geen kleintje vervaard, vliegt erop af en grabbelt hem opnieuw bij zijn kraag. Zijn collega’s schieten hem te hulp, maar het blijft natuurlijk een kleine minderheid, vijf man tegen een overmacht van honderden opgehitste mannen. Nu zouden ze daar een paar traangasgranaten tussen gooien en ze met het waterkanon uiteen spuiten. In die tijd kon dat uiteraard niet en de chef van de gendarmen grijpt naar een noodplan. Hij beveelt zijn manschappen om het volk op afstand te houden met de bajonet op het geweer. Hier en daar valt een gekwetste maar de menigte blijft opdringen. Dan beslist de brigadier van de gendarmen om te schieten op de massa. Eén man valt al direct dood op de grond, een zekere Jan Baptiste Alterwie uit Merksem, 26 jaar oud. Zwaargekwetsten blijven op de grond liggen, licht gewonden vluchten weg. Ongedeerde mannen en vrouwen – want ook de vrouwen lieten zich niet onbetuigd – gaan de onderpastoor halen om de laatste sacramenten toe te dienen. Het moet gezegd dat de menigte dit heel respectvol laat gebeuren. Er wordt zelfs hier en daar een traan gelaten terwijl onderpastoor Dhauwer zijn plicht vervult.

 

Ondertussen is ons kleine konvooi er met zijn arrestant stillekes vanonder gemuisd. De gevangenis op het kerkhof lijkt hun echter moeilijk te verdedigen en ze besluiten hun gevangene mee te nemen naar Sint-Hubertus, rechtover de Vlamingstraat. Ze worden er op slag belegerd door de menigte die hun doden – ja, pastoor De Swaef heeft het al over doden, meervoud – wil wreken. De champetters en de gendarmen moeten eraan!

 

Burgemeester Bovyn had ondertussen al een paar rappe koeriers naar Eeklo en Gent gestuurd om meer gendarmen te laten overkomen. Die moeten echter te paard (sommigen) of te voet (de meesten) komen en zo rap zijn ze nu ook weer niet.

 

De gendarmen willen geen verdere confrontatie en verschansen zich op de verdieping van het gebouw. Ze willen zo veel mogelijk bloedvergieten voorkomen maar dat zal dan toch aan de belegeraars zelf liggen want de gendarmen hebben zich boven aan de trap opgesteld met het geweer in aanslag. Al wie de trap opkomt gaat eraan!

 

Het blijft bij roepen en tieren maar niemand durft de trap op en als dan eindelijk, midden in de nacht, de versterking toekomt, begint het volk af te druipen en komt de rust weer over Sint-Laureins. ’s Anderendaags is het Pasen en iedereen gaat “zijn Pasen houden” zoals de Kerk het voorschrijft. Niets aan de hand zou men denken, ware het niet dat er hier en daar enen tussen zit met een blauw oog of met zijn arm in het verband.

 

De rijkswachters blijven nog wat in Sente plakken tot alle gevaar voor verdere opstand verdwenen is.

 

De gendarmen kregen een eervolle vermelding van hun oversten. De dappere Van Haelemeesch wordt bevorderd tot brigadier-veldwachter. De ermee gepaard gaande loonsverhoging kan hij goed gebruiken, want hetzelfde jaar nog trouwt hij met zijn lief. De delvers van de vaart zijn niet uitgenodigd op de receptie.

vaart.tif