top of page

Raymond Strymes vertelt

Het leven van een misdienaar vroeger

Na het verhuizen van Arnold en Jozef Van Vlierberghe met hun ouders – hun vader was douanier – was men in de kerk ineens 2 misdienaars kwijt, ze woonden toen 3 huizen verder naast ons, dus ik die naast de kerkingang woonde was eerste keus. Arnold heeft mij in een snelcursus  de Latijnse antwoorden geleerd en in geen tijd had ik een nieuwe voltijdse job. Ik ben lang misdienaar gebleven tot ik na het 7e studiejaar naar het Middelbaar bij de Broeders in Oostakker vertrok.

Wij waren bij alle vieringen in de kerk aanwezig van bij het begin tot het einde, en er waren er heel wat in die tijd! Wij mochten dan de klas verlaten, bij het begin, soms na een kwartier of een half uur na het begin der lessen en dat was dan meestal voor gans de voormiddag, tot ergernis van sommige meesters! Dit was het geval bij huwelijken, begrafenissen, jubilea, en dan te weten dat wij ook nog op zaterdagvoormiddag naar school moesten, en het gebeurde ook soms op maandagvoormiddag voor een mis na elke wijkkermis.

 

Als iemand stervende was gingen we mee met de priester aan huis voor de berechting, in de ene hand een brandende lantaarn, in de andere een bel waarmee we onze voorbijkomst aankondigden, en dit, terwijl de meeste mensen nog thuis stierven.

 

Voor elke hoogdag gingen we op dezelfde manier ’s morgens vroeg te voet met de communie voor de zieken tot aan de grenzen der parochie zowel in Celie als tot op het einde der Kruiskensstraat of Eerstestraat of tot aan Neeltjesbrug. Nadat we bij de laatste post, meestal een boerderij, een boterham met hesp of droge worst en een warme kop koffie of chocomelk hadden gekregen, werden we als we geluk hadden teruggebracht met de auto. Ik heb het ook nog meegemaakt dat onderpastoor Debbaut bleef tafelen (en druppelen!) en mij te voet terugstuurde om zoals hij zei op tijd in school te zijn!

 

We hadden de Sacramentsprocessie op een zondag waarbij we na de Hoogmis rond het centrum der gemeente trokken hierbij halt houdend aan elk der 4 kapellen op de hoeken van de omloop. De straten werden toen gestrooid met fijn geknipt groen en bloemen uit de tuin en voor elk raam op de omloop stond een H. Hartbeeld tussen twee brandende kaarsen.

 

Zo hadden we ook de 3-daagse processie in de velden tot juist buiten de dorpskom, elke dag een andere richting uit, om Gods zegen af te smeken over de vruchten der aarde. Onderwijl werden de ganse tijd alle heiligen aanroepen onder het zingen van het niet onaardig deuntje Sancte ……. (Cecilia) ora pro nobis.

 

Elke weekdag moest minstens 1 mis gediend van de drie, er waren toen immers een pastoor en 2 onderpastoors. Soms moesten we inspringen voor een zieke collega en zo kon het gebeuren dat we ze alle drie voor onze rekening kregen en soms één extra als er een priester of pater in St.Laureins op familiebezoek was, en ik was uiteraard telkens de pineut, daar we naast de ingang der kerk woonden!

 

Er was bijkomend werk tijdens de periodieke zendingen toen een paar paters met donderpreken de goegemeente  eens op hun plichten kwamen wijzen, de devotie kwamen opvijzelen en de geestelijke stal even kwamen uitmesten. Het was wel goed voor de commerce want wij verkochten in de winkel ook paternosters en kerkboeken, en we konden de bestellingen amper bijhouden. Scapuliers, heiligenbeeldjes, relikwieën, paternosters werden na de vieringen bij ons in de winkel door de paters speciaal gewijd en de godsdienstige boeken van Pater Geerebaert gingen massaal de deur uit. Waarschijnlijk hebben weinigen daar ook in gelezen want het was straffe kost en onnoemelijk saai! De pater kwam wel na de plechtigheid onschuldig en van niets gebarend even kijken in de winkel of de verkoop goed vlotte! Ik heb in elk geval nog een exemplaar liggen waarvan de bladzijden nog niet open gesneden zijn!

 

De zondag hadden we naast de twee vroegmissen, de eerste druk bijgewoond door de duivenmelkers, nog de plechtige hoogmis waar alle misdienaars van de partij waren, in de namiddag de Vesper en ’s avonds het Lof. En tijdens de meimaand elke avond een Lof, waarna nog een kleine wijksamenkomst om te bidden aan de Mariakapelletjes in de verscheidene straten.

 

Dan hebben we het nog niet gehad over de diensten van de Goede Week, de week voor Pasen, toen waren we niet uit de kerk en soms van midden in de nacht. Als de klokken vertrokken waren naar Rome moesten we een paar dagen hun taak overnemen en met een ratel door het dorp trekkend het begin der vieringen aankondigen!

 

Ook Allerheiligen en Allerzielen waren drukke dagen en met Kerstmis hadden we een middernachtmis.

 

Besef daarbij dat er in die tijd in de kerk geen verwarming was en een gebrekkige verlichting met veel gebruik van kaarsen en wierook, wat in de winter best onaangenaam was!!!

 

Niettegenstaande bleek ons publiek dolenthousiast , winter of zomer, koude of hitte, regen of sneeuw, hagel of storm, ze bleven alles trotseren, ze gaven niet op; in de speciale vieringen steeds volle zalen, in de week meestal een halve kerk. Reeds een halfuur voor de aanvang zat er somwijlen een rij wachtenden aan de zijkant in de kerk voor de biechtstoelen geduldig nadenkend tot de priester kwam om hun zonden te belijden. Jaarlijks met Pasen kwam er versterking, een paar priesters van het college in Eeklo of paters kwamen meehelpen om biecht te horen, quasi de ganse parochie passeerde toen de revue.

 

Ik heb gediend onder pastoor Verhulst, die begaan was met zijn misdienaars. Bij de jaarlijkse St.Hubertus broodjeswijding vroeg hij of wij onze “pistoles”, met de klemtoon op de tweede lettergreep, hadden meegekregen na de dienst. Maar als ik als oudste het ambt van wieroker bekleedde moest ik eens een halve dag met de staalborstel de voet van een pilaar afschrobben. Na een urenlang durende dienst verveelde ik mij bij het aansteken en brandende houden van het wierookvat achter het altaar zodanig dat ik de pilaar met de voorradige houtskool bewerkte en toen heb ik de pastoor, zijn gezicht hoogrood aanlopend, in een nogal Roomse koleire meegemaakt! Naderhand kwam de zachtaardige, maar ietwat hautain overkomende pastoor Moens, heel vriendelijk, maar met een eigen gedacht.

 

Bij de onderpastoors heb ik Debbaut weten arriveren op de parochie met een groen uitslaande soutane van armoede en later weten vertrekken als gezette burger! Hij viel mij ferm tegen vanaf het moment dat hij op een van onze berechtingstochten tegen een boerin in een gesprek over mij zei: “Oh, die, die heeft het licht ook niet uitgevonden!”. Onderpastoor Standaert “de lange Fons“ was zo consciëntieus dat het meermaals voorviel dat hij halfweg zijn mis dacht iets verkeerds gedaan te hebben en ik weer mee moest op de knieën onderaan de trappen voor het altaar om opnieuw te beginnen van vooraf aan! Daarna kwam een nieuwe lichting zoals Van Hulle bij wie de misdienaars elk jaar rond Kerstmis thuis uitgenodigd werden voor krentenkoeken en chocolademelk en De Smet wiens broer later nog als pastoor van onze parochie zou aangesteld worden. Ik had met de latere pastoors en onderpastoors nog op verschillende vlakken contact maar niet meer als misdienaar. Goede zielen als onderpastoor Van Laere en Laureyns en pastoor Dhont maar ook met castaards als pastoor Broodcorens en onderpastoors Van Wichelen, De Geyter, Wijffels, e.a. Een kanunnik op het Bisdomplein in Gent heeft mij later bij een onderhoud in het Bisschoppelijk Paleis toevertrouwd dat priesters met een “strafblad” of dwarsliggers bij voorkeur naar St.Laureins werden gezonden omdat de parochie als de meest gemakkelijke en slaafs volgzame van het hele diocees bekend stond. Ze konden hier weinig schade aanrichten! Hoe konden ze't weten!!

 

En hoewel ik, achteraf bekeken, die periode van mijn leven als het ware, dag en nacht in de kerk zat, moet het toch wel zijn meegevallen, want voor de rest van mijn leven tot aan mijn pensionering heb ik steeds middenin de pasters doorgebracht en er goede herinneringen aan overgehouden, enfin toch aan de meeste!

bottom of page