Raymond Strymes vertelt.

De schaapzak der douane!

Sint-Margriete, één der parels aan de Sentse kroon, is, daar het op de grens met Nederland gelegen is, sinds het ontstaan van het Koninkrijk België in 1830, lang voor de Europese binnengrenzen opengingen, steeds geconfronteerd geweest met grensbewaking. Het was dan ook een thuisbasis voor wat men hier noemde, de tollers en lollers of anders gezegd de kommiezen en de smokkelaars. Bloem en suiker vonden hun weg naar Holland, koeien varkens en schapen werden België binnengesmokkeld. Dit alles gebeurde vooral ’s nachts en in die tijd gebeurde alles te voet, pas in 1934 zullen de eerste wielrijdersbrigaden opgericht worden. Voor die tijd had bijna elk dorp langs de grens een douanebrigade en bleef de onaangepaste dienstkleding alsook de stroeve dienstregeling quasi ongewijzigd. Het is pas kort na de tweede wereldoorlog met name in 1948 dat alles meer soepeler geworden is. Tot 1942 was elke tolbediende verplicht zich dagelijks bij het posthoofd te melden om zijn dienst voor de volgende dag in ontvangst te nemen. Die dienst bedroeg 60 uur per week, zijnde voor de helft dag- en voor de helft nachtdienst. Maar wat heel wat commotie en discussie met zich meebracht, ook bij de bevolking, waren de dienstorders: ze moesten zich naar de daags voordien aangeduide plaats begeven en mochten die onder geen enkel beding verlaten, ook al werden ze verwittigd dat de lollers een eind verder voorbijtrokken. Hadden ze bij controle hun plaats verlaten, liepen ze het risico zelf bestraft te worden. Vandaar dat er meer vee en smokkelwaar aangeslagen werd door de gendarmen en de champetters, die zich wel mochten verplaatsen, wat uiteraard als concurrentie werd ervaren en wrevel opwekte bij de kommiezen. Na heel wat tussenkomsten werd deze werkwijze later dan ook verlaten.

 

Omdat de tolbeambten dus dikwijls urenlang op dezelfde plaats bij wind en koude, verdoken opgesteld moesten liggen wachten tot het de smokkelaars zou believen langs te komen, zag men ze dan ook, altijd met twee, in de vooravond voorbijtrekken met een pak op de rug naar de hun aangeduide plaats, op tijd om de smokkelaars voor te zijn en in de hoop (!) dat niemand de locatie gelekt had! Dat pak nu was een grote zak, gemaakt van schaapvel, aan de zijkant tot halfweg volledig dicht, die verder met knopen kon gesloten worden, de zogenaamde schaapzak. Na de eerste wereldoorlog werd dat uitrustingsstuk officieel afgeschaft maar sommige oudere douaniers bleven het tot lang daarna verder gebruiken.

img210.tif
img211.tif

Mijn grootvader, Rik Maeyens gehuwd met Sophie De Roose, wonende in het centrum van St. Margriete, was leverancier van dergelijke schaapzakken en maakte daar in die tijd ook reclame voor met een tweetalige folder zoals op bijgaande afbeelding. Op bijgevoegde prentbriefkaart ziet U hem uiterst rechts in de deuropening van zijn werkstal waar hij tevens het beroep van gareelmaker en schoenmaker uitoefende en die hij deelde met zijn zoon Raymond beginnend velomaker. De werkstal samen met de twee huizen daarnaast zijn ondertussen verdwenen en hebben plaatsgemaakt voor de rijweg.

dorp_st_margriete_17.jpg

Dat de zak van de douane verdacht veel lijkt op wat wij kennen als een slaapzak mag U niet op verkeerde gedachten brengen, het is wel degelijk een schaapzak! Trouwens geen haar op mijn hoofd dat er zou durven aan denken dat iemand het plichtbewustzijn van onze ouwe trouwe kommiezen in twijfel zou willen trekken!