top of page

10.000 stappen door Sente

1 Plan 2.jpg

Sint-Laureins of Sente zoals ze het hier noemen is vooral bekend voor zijn monumentale Godshuis dat je al van ver ziet opdoemen. Voor de rest lijkt het polderdorpje op het eerste gezicht wat ingeslapen. Een paar restaurants, een café, een buurtwinkeltje, ... Niet meteen een bruisende metropool. Maar vergis je niet, onder dit kalme oppervlak ligt hier een schat aan geschiedenis verscholen! En die zetten we op onze wandeling graag in de kijker.

 

We starten aan het Godshuis, niet alleen omdat het een iconische plek is, maar ook omdat parkeren hier geen probleem is. Voor de bouw van dit imposante gebouw moeten we bij Antonia Van Damme zijn. Die erfde van haar ouders een reusachtig fortuin, waarvan kwatongen beweerden dat het afkomstig was uit de verkoop van zwart goed, kerkelijke eigendommen die door Napoleon geconfisqueerd werden en door haar vader doorverkocht zouden zijn. Wat er ook van zij, onze Antonia was rond 1842 schatrijk. Toen ze hoorde dat zieke Sentenaars op een boerenkar naar het hospitaal in Brugge vervoerd werden, een tocht die velen niet overleefden, bouwde ze tussen 1843 en 1849 een hospitaal in Sint-Laureins. Later deed het gebouw nog dienst als weeshuis, woonzorgcentrum en zelfs hotel. Vandaag heeft het de zielige bestemming van asielcentrum. Wil je meer horen over deze geschiedenis? Op de hoek van de parking staat een erfgoedfoto met een QR-code, een paar jaar geleden geplaatst door ’t Sents Archief en de toeristische dienst.

Maar kom, met hier te blijven staan kletsen gaan we er niet geraken. We wandelen de parking af langs het wegje naast de drankencentrale, slaan linksaf de Dorpsstraat in en gaan op weg naar het Leopoldkanaal. Onderweg kom je nog een paar van die erfgoedfoto’s met QR-code tegen. Wil je meer weten over de vroegere meisjesschool of waarom het deel van de Dorpsstraat, voorbij de Smissestraat, Karelshoek heet, dan stop je maar even bij de foto’s, smartphone in aanslag.

 

Aan het einde van de Dorpsstraat komen we aan het Leopoldkanaal, Plaatselijk meestal de vaart genoemd, maar ook wel de Blinker als tegenpool van het Schipdonkkanaal, de Stinker. Voor dat kanaal moeten we terug naar de 19de eeuw. Na Napoleons Waterloo werden België en Nederland samengesmolten en konden de polders gemakkelijk afwateren naar de zee. Toen in 1830 België de echtscheiding aanvroeg – nou ja, vroeg – waren de Nederlanders een poosje onze beste vrienden niet meer en ze sloten alle afwateringsgrachten af. Gevolg? Er brak malaria uit wat ze destijds polderkoorts noemden. En dan komt onze plaatselijke politicus, pastoor Andries uit Belgisch Middelburg, met het plan om de polders via een kanaal rechtstreeks naar de Noordzee te doen afwateren. Het Leopoldkanaal werd gegraven tussen 1846 en 1848. Dat moet hier in die tijd nogal een drukte geweest zijn in Sint-Laureins: aan de ene kant van het dorp zijn ze met duizenden aan de slag met het graven van een kanaal en aan de andere kant zal er ook wel wat volk nodig geweest zijn om het Godshuis op poten te zetten.

 

Het Leopoldkanaal miste zijn doel niet, de polderkoorts verdween als sneeuw voor de zon. Tijdens de Tweede Wereldoorlog speelde het Leopoldkanaal nog een strategische rol als Duitse verdedigingslinie, vooral tijdens de slag om de Schelde in 1944. Tegenwoordig speelt het uiteraard nog zijn rol als afwateringskanaal, maar is het vooral geliefd bij fietsers en wandelaars.

Nabij de brug staat het fameuze Boerenparlement waar op warme avonden de plaatselijke roddels worden afgewisseld met de wereldpolitiek en waar het op een leugentje min of meer niet aankomt. Het gebouwtje werd een tijd geleden opnieuw opgericht nadat het oude in de vaart gewaaid was. Mocht je geïnteresseerd zijn, ook hier heeft ’t Sents Archief zijn sporen achtergelaten.

 

We steken de vaart niet over, maar volgen een eindje de Moershoofdeweg. Waar die links afbuigt blijven we de vaart volgen. Geniet maar van de stilte en de natuur, want het is een eindje wandelen. Onze tocht voert ons voorbij de Appelzak. Nu een woonhuis, maar in de jaren ’70 een tearoom/restaurant, de place to be voor de Sentenaars die hier op zondag van hun koffie “met iets erbij” kwamen genieten. Hoewel ze soms wel wat geduld moesten hebben, want de uitbater, door iedereen de snor genoemd, durfde wel eens blijven plakken in de dorpscafés als hij zijn boodschappen deed bij bakker en slager.

 

Aan de grens met Maldegem ligt een Baileybrug over het kanaal. Vroeger lag hier een houten brug, handig voor landbouwers en, laten we eerlijk zijn, smokkelaars. In 1944 maakten de Duitsers daar korte metten mee: boem, weg brug. De Canadezen, die oprukten, hadden echter een snelle oplossing en legden een tijdelijke kapokbrug over de vaart. Al moet je daarvoor niet hier zijn, maar een eindje terug, recht tegenover de Vuilpanstraat. Op de plek waar we hier staan werd pas na de oorlog een nieuwe houten brug gebouwd. Mooi, maar niet bepaald duurzaam: weer en wind kregen er vrij spel, en regelmatig moest ze hersteld worden. Toen de Baileybrug bij Fred’s Café te klein werd en daar plaats moest maken voor een stenen exemplaar, zag het leger zijn kans schoon. De Belgische genie haalde de brug op en sleurde ze rond 1955 over het Leopoldkanaal naar hier. Maar ook deze brug heeft haar beste tijd gehad. Ondertussen werd iets verderop, op Maldegems grondgebied, alweer een nieuwe brug gelegd.

De Baileybrug mag oud en versleten zijn, ze houdt ons nog wel. Hop, naar de overkant! Een beetje naar rechts en na 100 meter naar links. Zo komen we aan de Vlotweg. Midden de jaren ’50 zaten we hier in het centrum van de smokkel. Ja, niet moeilijk zo vlak op de grens; in sommige huizen liep de grens door de keuken. Boter, vee, alcohol, suiker, … werden ’s nachts langs de donkere polderwegen illegaal van Nederland naar België gebracht. Er werd verstoppertje gespeeld met de douaniers, die ook die paadjes kenden, en soms liep dat al eens verkeerd af. Zo escaleerde zo’n confrontatie tussen de commiezen en de smokkelaars in 1958 bij de brug waar we net vandaan komen. Twee smokkelaars overleefden het niet.

 

We volgen de Vlotweg tot aan de Vuilpanstraat, die we links inslaan. De naam is afkomstig van een café dat hier ooit zou gestaan hebben. We lopen de Vuilpanstraat uit en slaan rechtsaf de Brieversweg in. Dit was ooit een belangrijke handelsroute tussen Brugge en Antwerpen, en misschien zelfs verder.

 

Zo komen we op de wijk Moershoofde. En die heeft alles te maken met de oorsprong van Sint-Laureins als turfdorp einde 13de eeuw. Wat vroeger het Moershooft van Ardenburch was, strekte zich uit van Aardenburg tot Boekhoute. Het huidige Moershoofde is er dus maar een flauw afkooksel van.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd door de Duitsers een draadversperring opgericht die de vaart volgde. Een elektrische draad met 2.000 volt op, daar geraak je zo maar niet voorbij en het ganse gehucht was afgesloten van het dorp, en zo van de rest van België. Het werd al rap Klein België genoemd. Een oude vellenfabriek werd zelfs ingericht als schooltje zodat de peuters en kleuters van Klein België niet te veel leerachterstand zouden krijgen. Dit schooltje werd na de oorlog omgebouwd tot de rij werkmanshuisjes die we aan onze rechterzijde voorbijwandelen.

Aan het grote witte huis, recht tegenover het wegeltje dat men als herinnering aan voorgaande geschiedenis, Klein België genoemd heeft slaan we linksaf, een onverharde weg in.

 

Die volgen we tot aan de Eeklose Watergang; dat is daar waar die bomen staan, niet zo ver dus. We flirten hier wat met de Belgisch-Nederlands grens. We komen aan een schilderachtig stukje natuur. Omdat er hier regelmatig een paar koeien staan te grazen mogen de hondjes, groot en klein, niet mee. En omdat de koeien niet zouden ontsnappen wordt het geheel afgesloten met prikkeldraad. Er is gelukkig wel een trapje zodat je over de draad kunt geraken. Moeilijk? Niet echt, want zelfs de 75-jarige stoffige archivaris van ’t Sents Archief geraakte er gezwind over.

 

En nu de Eeklose Watergang. Terug naar de turfwinning! De Gentenaars hadden in 1250 de Lieve laten graven. Misschien dat we onze turf langs daar konden transporteren? Niets van, zeiden de Gentenaars, jullie komen met jullie prutsbootjes vol turf niet op onze Lieve. De turfstekers waren echter niet voor één gat gevangen. Ze verbonden de bestaande waterlopen met elkaar en hop de fosseit vers Rodembourg, de latere Ecloschen waterganc kwam tot stand. Vanuit Sint-Laureins konden ze met platbodems hun turf via de Eeklose Watergang naar Aardenburg vervoeren en dan vandaar naar Brugge, waar ze veel turf nodig hadden om hun stoof te doen branden.

Op het einde van ons wandelingetje door de wei wordt een nieuwe klimpartij over de prikkeldraad ons bespaard, want een goede ziel heeft er een poortje gehangen. Eens door het poortje zitten we in een wip op de Kantijne en terug in België.

 

Die Kantijne doet ons denken aan onze legerdienst, toen we in de kantine met de kameraden een pint konden gaan drinken. En toeval of niet, hier stond ooit een fort vol soldaten. In 1602 bouwden de Spanjaarden het om hun gebied te beschermen tegen die opstandige Hollanders.

Na de Vrede van Münster in 1648, waarmee officieel een punt werd gezet achter de Tachtigjarige Oorlog tussen Spanje en de opstandige Nederlanden, moest het fort eraan geloven. Maar de kantine? Die bleef gewoon bestaan, onder dezelfde naam, als herberg.

 

We volgen de Kantijne, maar waar ze 100 meter verder naar rechts afbuigt gaan wij koppig rechtdoor en komen zo terug aan ons Leopoldkanaal. Een paar stappen naar links en dan kunnen we de berm van het kanaal afdalen en via een voetveer aan de overkant geraken. Als je met een grote groep zou zijn om te wandelen zul je een paar keer heen en weer moeten, want het is maar een mini-veertje. Het veer zelf heeft een bewogen begin gekend. Toen het er pas lag, maar nog niet formeel in gebruik, besloot een groep wandelaars het toch te proberen en kwam door een verkeerd manoeuvre in het water terecht. Het had nog heel wat voeten in de aarde voor het veer officieel in gebruik kon worden gesteld.

Aan de overkant van de vaart volgen we de aardeweg tot aan de Vlamingstraat, steken die over en wandelen verder door de Comercaatsweg, nog steeds getrouw de Eeklose Watergang volgend. Die Comercaatsweg noemt pas zo sinds de fusie van 1976, tevoren noemde de weg de Molenstraat. Daar stond vroeger effectief een molen, de Stientjesmolen, zo genoemd naar molenaar Constantijn, zeg maar Stien, De Meulemeester.

 

Waar de Comercaatsweg naar links afbuigt blijven we volhardend de Eeklose Watergang naar rechts volgen, langs een piepklein wegeltje dat het Singelken genoemd wordt. In veel steden verwijst singel naar een waterloop die deel uitmaakte van de stadsverdediging. Het was vaak een gracht rondom de stad, bedoeld om vijanden buiten te houden. Ik betwijfel of dat voor ons Singelken het geval is. Wel waar is dat het onooglijke wegeltje een levensechte buurtweg is. Hoe dat komt? In 1951 zouden ze de wijk Comer aansluiten aan het elektriciteitsnet. En laat het nu net langs dat Singelken zijn dat de leidingen moesten gelegd worden om De Kommer van elektriciteit te voorzien. Op zich geen probleem, ware het niet dat die voetweg officieel niet bestond. Nu moesten de werken voor het aanleggen van de leidingen doorgaan onder politietoezicht en de politie mocht enkel toezicht houden op erkende wegen, dus moest het Singelken in zeven haasten erkend worden als buurtweg. Wat gebeurde.

Aan het eind van het Singelken gaan we rechtsaf, de Goochelaar in. Aan de Dorpsstraat gekomen nemen we afscheid van de Eeklose Watergang. We slaan rechts de Dorpsstraat in en zitten weer in het hart van Sente.

 

De Dorpsstraat lijkt nu maar een saaie bedoening, maar vroeger bruiste het hier. Zo had je aan de rechterkant (nrs 186 tot 192) de vroegere Rijkswachtkazerne. Daarvoor moeten we terug naar einde 19de eeuw. Burgemeester Leopold De Zutter kocht grond op het Moleneinde waar hij twee woningen liet bouwen om te verhuren. De ene werd verpacht aan douaniers, de andere aan gendarmes die er op 15 november 1885 introkken. Oorspronkelijk was alles gelijkvloers maar al in 1890 werd er, op verzoek van het hoger bestuur, een verdieping op gebouwd.

 

Maar wat zegt gij daar, Moleneinde? Er is hier in geen velden of wegen een molen te bespeuren. Nee, nu niet meer, maar vroeger stond hier de Eykensmolen, later molen De Vos genoemd, opgericht door Felix Eykens, een klokkenmaker uit de Nederlandse Kempen. Die kwam in 1844 om God weet welke reden in Sint-Laureins wonen en bouwde in 1846 de naar hem genoemde molen. En die molen vond hij niet genoeg, hij richtte ook nog eens een fabriek op voor fosfoorstekjes die echter al in 1861 afbrandde. Ja, met lucifers spelen kan gevaarlijk zijn.

We blijven de Dorpsstraat volgen en op de hoek met de Nieuwbedelfstraat, door de Sentenaars oneerbiedig ’t Strontstraatje genoemd, staat nog een originele kapel waar vroeger de processie stilhield. De kapel dateert van 1905 en is de enige die de tand des tijds doorstaan heeft.

Een eind verder, op de hoek van de Dorpsstraat met de Leemweg staat nog een kapel, maar dat is al lang de originele niet meer. Die kapel is momenteel een rusthoek. Je kan de geschiedenis van de 4 kapellen die Sente ooit bezat nachecken op het paneel dat in de kapel hangt.

 

We slaan de Leemweg links in. De Leemweg noemde vroeger de Gouvernementstraat, waarschijnlijk omdat er nogal wat notabelen in die straat woonden. Ze had ooit de twijfelachtige eer de eerste en enige tolweg te zijn van Sint-Laureins.

 

Een paar honderd meter verder vinden we aan onze rechterkant de ingang naar het Godshuis en zit onze wandeling erop.

bottom of page