
Een scheervlucht over de Sentse dorpen
Aflevering 17
Sint-Laureins
Tegen het einde van de 16de eeuw ging het er allesbehalve rustig aan toe in en rond Sint-Laureins. Wat ooit een vredig dorp was tussen turfputten en polders, kwam plots in de vuurlinie te liggen tussen twee werelden, die van de katholieke Spaanse koning en die van de opstandige protestanten uit het Noorden.
En ge kunt u daar best niet te veel illusies over maken, als de geuzen passeerden, dan was dat zelden om een taske koffie te komen drinken. Nee, dan werden kerken geplunderd, huizen afgebrand, mensen verdreven, of erger.
Al van bij het begin van de oorlog was het prijs. In 1575 werd pater Frans Penneman, een franciscaan uit Sluis, vermoord door bosgeuzen toen hij onderweg was naar Sint-Laureins. Hij werd overvallen, mishandeld en voor dood achtergelaten in een gracht. Zijn lichaam werd later door schaapherders van de Comer gevonden en naar Sente overgebracht. De moordenaars, Andries Bosschaert en Jacob de Meyere, werden opgepakt, gruwelijk gefolterd en uiteindelijk terechtgesteld.

Een van de hardst getroffen plekken in Sente was de toenmalige Gockelaere, de huidige Goochelaarstraat. De weg liep vanaf de Eeklose Watergang tot op de baan van Eeklo naar Bentille, en vormde een belangrijke toegang tot het dorp. Rond 1550 was dat een bloeiende buurt. Langs de Goochelare, tussen de Eeklose Watergang, de Vakeleetstraat (Kruiskenstraat) en de Waterstraat, stonden acht grote boerderijen en één kleinere. Voorbij de Waterstraat vonden we er tot aan de wijk Hoogte her en der verspreid ook nog eens negentien.
Maar in 1581 sloeg het noodlot toe. Op 22 mei trokken de geuzen Aardenburg binnen, roofden de marktwaren en trokken daarna verder richting Eeklo en Sint-Laureins. Wat volgde, was een ware verwoesting. Heel de Goochelaar werd platgebrand, de boerderijen gingen in vlammen op, en wie er niet op tijd weggeraakte, werd vermoord. Pastoor De Swaef noteerde dat de Sentenaars de geuzen smalend merketenters noemden, lieden die na het plunderen van de markt ook nog eens de Goochelaar in de as legden. De naam zou nog jaren blijven hangen en de Goochelaar zou deze ramp nooit meer te boven komen.

Over de pastoors van Sint-Laureins tijdens de geuzentijd vinden we niet veel terug. Met veel moeite komt er eens een naam naar voor. Maar wanneer benoemd, wanneer gestorven, wat ze gedaan hebben? Geen woord over te vinden. Al wat “paaps” was en de godsdienst betrof werd vernield door de geuzen. Ja, het was toen niet veilig in Sint-Laureins, zeker niet voor pastoors.
Tot in 1629 was de Biezenpolder tussen Sint-Laureins, Eede en Aardenburg een verzamelplaats van de gereformeerden. De meeste inwoners van Sint-Laureins voelden nochtans niet al te veel sympathie voor die nieuwe godsdienst en zouden liever met rust gelaten worden. Aartshertogin Isabella gaf opdracht om die vergaderingen te verbieden, maar welke maatregelen precies getroffen werden is niet bekend.
Volgens pastoor De Swaef bleef er evenwel geen enkele inwoner van Sint-Laureins bij de nieuwe sekte. Dat is natuurlijk de katholieke versie. Of het helemaal klopt zullen we wellicht nooit weten.
Sint-Margriete
In 1570 kreeg de streek rond Sint-Margriete een zware storm te verwerken. Verschillende dijken braken, onder meer de Ware, en het water stroomde tot bij het dorp. Ook de kerk die Jan de Plaet daar midden in de tweede helft van de 15de eeuw had laten bouwen, raakte zwaar beschadigd.
Niet veel later, in 1583, tijdens de woelige beginjaren van de Tachtigjarige Oorlog, zetten de Staatse troepen het water als wapen in. Om de Spaanse opmars vanuit het zuiden te stuiten, werden dijken doorgestoken en sluizen opengezet. Hele polders verdwenen onder de vloed, ook rond Sint-Margriete. Het water bleef jarenlang staan en veranderde vruchtbare akkers in drassig, onbruikbaar land. Uit die tijd dateert het Hollandersgat met in het verlengde ervan de Blokkreek.
Pas in 1613 werd de Kruispolder opnieuw herdijkt, zij het wat kleiner dan tevoren, waardoor de kerk buitendijks kwam te liggen. Ze bleef, opgelapt en vaak alleen per boot bereikbaar, nog in gebruik tot er in 1673 een nieuwe kerk kwam.
In 1622 volgde een nieuwe militaire ingreep. De Staatse troepen legden toen de Brandkreek aan, een kunstmatig gegraven verdedigingslinie. Daarbij maakten zij deels gebruik van een geul die al bij de inundaties van 1583 was ontstaan en die ze nu uitdiepten en plaatselijk rechttrokken, al bleef de loop grillig. Dat gebeurde niet alleen op Sint-Margriets grondgebied, maar ook verderop in Waterland-Oudeman. Toen in 1664 de rijksgrens werd vastgelegd, liep die precies in de bedding van de Brandkreek.

Meer naar het noorden lag de Passageule-Linie, in sommige bronnen ook gewoon de Linie genoemd. Tussen beide kreken bleef een hoger gelegen strook land grotendeels gespaard van overstroming. Zo ontstond een gebied van zowat 750 hectare dat volledig omringd was door kreken, het Eiland. De naam bleef ook na de herinpoldering bestaan, als herinnering aan de tijd dat het water hier baas was. Er werd later wel eens beweerd dat de uitbreiding van het Brandkreekgat bewust tot aan de rand van het Eiland werd beperkt om een strategisch droge doorgang te behouden voor troepenbewegingen, al is daarvoor geen rechtstreeks bewijs gevonden.

Na al die oorlogs- en overstromingsjaren kwam er in de tweede helft van de 17de eeuw langzaam wat rust in de streek. In 1651, na het aanleggen van de Generalen Vrijen Polder, konden de Sint-Margrietenaars opnieuw gebruikmaken van hun oude kerk. Ze stond er nog, al was ze bouwvallig en moeilijk bereikbaar. Pas in 1673 kwam er een nieuwe, op een veiligere plek.
Op het punt waar Sint-Laureins, Sint-Margriete en Nederland elkaar raken, ligt de Kantijne. Tegenwoordig een vredige uithoek met velden en knotwilgen, maar ooit het toneel van militair vertoon en grensconflicten.
Oorspronkelijk heette het hier het Rabot, naar een aanlegplaats of sluis op de Eeklose Watergang. In 1602, midden in de oorlog, bouwden de Spanjaarden er een fort net tegenover waar nu de grenspaal staat. Het moest het land beschermen tegen de raids van de Hollanders.
Na de Vrede van Münster in 1648, die de oorlog formeel beëindigde, werd het fort zoals zovele andere afgebroken. Volgens de overlevering zou er nog een kantine of herberg zijn blijven staan, die mogelijk de naam aan het gehucht gaf, de Kantijne. Harde bewijzen hiervoor ontbreken echter.

Volgende aflevering
Liever alles in één keer lezen?
👉 Bestel het boek hier