
Een scheervlucht over de Sentse dorpen
Aflevering 8
Sint-Jan-in-Eremo
Sint-Jan-in-Eremo was een van de dorpen die zwaar te lijden had onder de stormvloed van 8 oktober 1375. De kerk werd zwaar beschadigd door het water en de plek werd tijdelijk verlaten. De pastoor trok zich terug richting het zuiden, naar Bentille, dat hoger lag en veiliger was.

In de decennia nadien krabbelde de parochie langzaam recht, met aarzelende pogingen tot heropbouw.
Ze waren al onmiddellijk na de stormvloed van 1375 aan het inpolderen geslagen. Vanaf de Waardijk werden bedijkingsactiviteiten gestart, want er was sprake van den polre bewesten de kerke en van die van beoosten der kerken. De kerk, hoewel zwaar gehavend, stond er dus nog. Beide polders waren echter al vóór de volgende storm terug in de golven verdwenen. Ook de Bentillepolder die ze in 1398 op de zee teruggewonnen hadden ging in de storm van 1404 weer ten onder. Het bleef dus dweilen met de kraan open, de zee pakte altijd maar weer terug wat de mensen moeizaam hadden drooggelegd.
Bentille
De naam Bentille is een samenstelling van bent (een grassoort) en hil (een natuurlijke verhevenheid, vergelijk met het Engelse hill). De nederzetting lag op de Heerst, een hoger gedeelte van het landschap, wat wellicht verklaart waarom Bentille vandaag nog altijd op dezelfde plek ligt als in de 13de eeuw.
In 1375 was Bentille geen zelfstandige kern, en zou het ook nooit worden, maar het was al bewoond. Er lag een bewoningslint langs de Heerst, met turfstekers, pachters en enkele verspreide boerderijen. Deze bewoners vielen kerkelijk onder Sint-Jan-in-Eremo, maar ze hadden hun eigen leefwereld op een iets hoger gelegen terrein, beschermd door de dijk.

Toen de stormvloed van 8 oktober 1375 het noorden van het Meetjesland overspoelde, bleef Bentille grotendeels gespaard. Het lag net hoog genoeg om aan het ergste te ontsnappen, al liep het lagergelegen gebied ten noorden van het dorp wél onder water. De Heerst bood bescherming, waardoor Bentille relatief veilig bleef en mogelijk een toevlucht bood aan bewoners uit omliggende, lagergelegen gebieden.
Sint-Laureins
Ook Sint-Laureins had in 1375 net iets meer geluk dan de andere dorpen. Of een iets betere ligging? De kerk was toen een dikke halve eeuw oud en stond op een relatief droge plaats. Het water kwam, dat is zeker. De velden rondom werden overstroomd. Maar de kern bleef overeind. De hogere ligging op de Heerst, samen met de bescherming van de Ware, die iets ten oosten van het dorp, op de Zonne, begon, spaarden Sente city voor het grootste deel.

De Ware hield de zee niet helemaal tegen, maar bood genoeg weerstand om alles wat ten westen lag, Aardenburg, Sint-Kruis, Heille en Sint-Laureins, redelijk droog te houden, en dat was in die tijd al heel wat.
Volgens sommige verhalen zochten mensen uit Sint-Margriete en Roeselare er na de storm toevlucht. Bewijzen ontbreken, maar het wijst er wel op dat Sint-Laureins als relatief veilig beschouwd werd.
Sint-Margriete & Roeselare
Tussen waar nu de Roeselarepolder en het Eiland liggen, vonden we in de 14de eeuw de dorpen Roeselare en Sint-Margriete op een boogscheut van elkaar. Ze werden verbonden door turfbeekjes en weegjes. Roeselare werd gesticht door Gozewijn van Roeselare, Sint-Margriete behoorde toe aan de Sint-Baafsabdij en had een kerk toegewijd aan de heilige Margaretha.
Op 8 oktober 1375 brak vanuit de Braakman een vloedgolf door richting het zuidwesten. Via de laagten tussen Biervliet en Watervliet overspoelde het water in enkele uren tijd het achterland tot aan Sint-Margriete en Roeselare. Van de oude site van Roeselare bleef volgens latere beschrijvingen geen spoor bewaard, het dorp raakte bedolven onder modder en werd vergeten. De kreek De Val is een overblijfsel van deze overstroming.

Ze bleven niet bij de pakken zitten want in 1399 werd, onder impuls van het Sint-Janshospitaal van Brugge en van de beide Gentse abdijen, Sint-Baafs en Sint-Pieters, de bedijking van een nieuwe polder aangevangen. Die werd Sint-Maergrietepolre genoemd omdat de Sint-Margarethakerk of wat er nog van restte daarin stond.
De Sint-Elisabethvloed van 1404 overspoelde de ganse streek opnieuw en ook de Sint-Margrietepolder verdween in de golven. De kerk kreeg toen haar genadeslag.