top of page

Een scheervlucht over de Sentse dorpen

Aflevering 10

IV         Van Storm naar Storm

Inleiding

De stilte na de storm

De storm was gaan liggen. Maar het water was nog lang niet weg.
 

Na de ramp van 1375, en zeker na de Sint-Elisabethsvloed van 1404, was het noorden van het Meetjesland veranderd in een leeg, verlaten gebied. Waar ooit dorpen lagen, vond je enkel nog slijk en volgelopen turfputten. De Braakman had zich definitief het land in gevreten. De oude turfgronden rond Watervliet, Elmare, Sint-Nicolaas-in-Vaerne en Roeselare lagen diep onder het slijk. Kreken, geulen en getijdenstromen hielden het land dag na dag onder water. Het gras kwam niet terug, de wind joeg over het open water. Het geheel werd Zuudzee, Zuidzee, genoemd.

Dijken en eerste herstel

Voor de Sint-Elisabethsvloed van 1404 lagen in onze streek al enkele oude dijken, zoals de noord-zuid gerichte Waardijk en de oost-west gerichte Heerst.
 

In 1405 gaf hertog Jan zonder Vrees bevel tot herstel van de zwaar beschadigde dijken. Het stuk dijk tussen Boekhoute en Bentille werd als eerste aangepakt. Niet toevallig, want daar liep de oude Heerst, en de schade was er nog te overzien. De Heerst werd verhoogd en verzwaard en van daaruit verbond men ook andere overgebleven dijkresten met elkaar, tot één aaneengesloten waterkering. Die nieuwe versterking stond bekend als de dijk van hertog Jan, later Graaf Jansdijk genoemd. Niet verwarrend, want onze Jan zonder Vrees was zowel hertog van Bourgondië als graaf van Vlaanderen.

Abdijen en hun rechten

Meteen na de Elisabethsvloed organiseerden de schepenen van het Brugse Vrije inspecties op de door het zoute water overstroomde gronden en lieten ze herdijkingsplannen opstellen. Grote abdijen met grond in het oostelijk Vrije werden om leningen verzocht om de herstellings- en dijkwerken te bekostigen. Sint-Baafs en Sint-Pieters pruttelden eerst nog wat tegen maar kwamen uiteindelijk toch over de brug met een lening, terug te betalen met de opbrengsten van herwonnen land.
 

Tegelijk probeerden diezelfde abdijen hun oude rechten op pacht- en tiendgronden veilig te stellen. Archiefstukken tonen dat ze zich bleven beroepen op titels, cijnsrollen en oude akten, ook voor percelen die nog niet opnieuw bedijkt waren. Dorpen en parochies die grotendeels verdwenen waren, bleven in de administratie voortbestaan als bron van rechten, inkomsten en geschillen.

Nieuwe inpolderingen

Herdijkingsprojecten in de omgeving van Sint-Laureins tonen hoe die rechten werden ingezet. Vanaf 1422 volgden de werken elkaar snel op: de Sint-Janspolder (1422), de Oostpolder (1423–1425), een deel van de Sint-Margrietepolder (1429), de Roeselarepolder (1444) en de Sint-Jorispolder (1450), waar zowel Sint-Baafs als Sint-Pieters het tiendrecht bezaten.
 

Het gebied tussen Watervliet, Elmare en de latere Passageulepolder bleef tot diep in de 15de eeuw grotendeels overstroomd, verlaten en juridisch onzeker. Er was lange tijd geen sprake van vaste bewoning of georganiseerde landbouw. Wel is duidelijk dat abdijen, heren en later ook nieuwe inpolderaars gaandeweg weer rechten probeerden te vestigen, op basis van oude titels of nieuwe concessies.

Langzaam herstel

De streek herademde. Langzaam. Hier en daar dook een boerderij op. Maar van echte bewoning was nog geen sprake. Waar eens dorpen lagen, groeiden voorlopig alleen biezen en wat moerasriet. Mogelijk herinnert het gehucht De Biezen tussen Sint-Laureins en Eede nog aan die tijd.
 

Pas in de loop van de 15de eeuw durfden mensen opnieuw spreken over een toekomst. Niet zoals het geweest was, de oude dorpen kwamen niet terug. Maar van iets nieuws, nieuwe plannen, nieuwe polders, nieuwe nederzettingen. Op veiliger grond.

Stilletjes opnieuw beginnen

Vanaf het midden van de 15de eeuw begon de regio zich langzaam te herstellen van de verwoestende stormvloeden van 1375 en 1404. Geen spectaculaire herrijzenis, maar kleine stapjes. De eerste herstellingen aan de Graaf Jansdijk en enkele kleinere dijken deden hun werk. Hier en daar kwam er weer land droog, eerst schorren, dan kale platen waar je tot aan je knieën in het slijk zakte, en uiteindelijk kleine perceeltjes waar al eens een koe kon grazen.

De abdijen lieten zich niet onbetuigd. Pachters keerden terug naar oude gronden, meestal niet uit vrije wil, maar onder druk en met wat lichtere voorwaarden. Vrije boeren waren het zelden; de meesten bleven op een of andere manier gebonden aan hun abdij, afhankelijk van pacht, cijns of oude rechten.

In de tweede helft van de 15de eeuw zijn er aanwijzingen dat instellingen als de Sint-Pietersabdij van Gent opnieuw actief werden in het gebied tussen Watervliet en Waterland-Oudeman. Deze abdij had vóór de stormvloeden bezittingen in Elmare en Sint-Nicolaas-in-Vaerne, en liet volgens de bronnen bepaalde gronden opnieuw opnemen in haar administratie. Toponiemen in tiendregisters verwijzen soms naar verdwenen nederzettingen of herkenningspunten van vóór de overstromingen.

Ook andere grootgrondbezitters, onder wie de Sint-Baafsabdij, hadden belangen in aangrenzende gebieden. Gottschalk wijst op hun aanwezigheid in het zuiden van het verdronken land. Rechten liepen er geregeld door elkaar, wat aanleiding gaf tot ruzie en betwiste claims.

Vanaf het midden van de 15de eeuw kwamen er langs de randen van het overstroomde gebied nieuwe polders bij. Die werden gefinancierd door investeerders uit Brugge en het Brugse Vrije, en door abdijen. Zij lieten dijken aanleggen en verdeelden het gewonnen land. Zo ontstond een netwerk van investeerders dat elkaar rond de tafel vond voor nieuwe projecten.

In die context dook in de Brugse administratie een opmerkelijke figuur op, Hiëronymus Lauwerijn, bastaardzoon van Bavo Lauwerijn en Barbara Roels. Hij schopte het een heel eind binnen het Bourgondische bestuur en begon rond 1500 met de systematische herinrichting van het gebied waar vroeger Watervliet lag. Het moest een heus stadje worden met markt, kerk, rechtspraak en handelsprivileges. De grote werken zouden pas na 1500 op gang komen, maar in het laatste decennium van de 15de eeuw lagen de eerste plannen, met metingen, octrooiaanvragen en financiële afspraken al op tafel. In 1504 verleende Filips de Schone aan het nieuwe Watervliet stadsrechten, een markt, een haven, en vrijstellingen van tol in geheel Vlaanderen.
 

Ook de namen van oude dorpen kwamen stilaan weer boven water, al was het voorlopig alleen nog als herinnering. Bijvoorbeeld het dorp Sint-Margriete was in deze periode nog niet fysiek herrezen, maar in sommige tiendregisters werd het al aangeduid als de plaats waar ooit een verdwenen kerk stond.

Volgende aflevering

bottom of page