
Een scheervlucht over de Sentse dorpen
Aflevering 11
Vanaf hier kan het verhaal opnieuw dorp per dorp verteld worden. Geen heroïsche herrijzenis, maar een moeizaam herbegin, met natte voeten en veel geduld.
Sint-Jan-in-Eremo en Bentille
Na de ramp van 1375 stond de polderkerk van Sint-Jan-in-Eremo er maar wat beteuterd bij. Het water stond hoog, de schade was groot, en veel bewoners trokken naar veiliger oorden, veelal naar Bentille.

In 1415 werd langs de zuidelijke rand van de Zuidzee de Bentillepolder gedeeltelijk herdijkt. Enkele jaren later, in 1422, volgde de herdijking van de Sint-Janspolder, ten westen van het door de stormvloeden van 1375 en 1404 zwaar getroffen Sint-Jan-in-Eremo. Dat gebeurde met actieve steun van de Gentse Sint-Pietersabdij, die hiervoor 13.000 schoven stro liet aanvoeren uit haar schuren in Groede en Ruschevliet. Tegelijkertijd werd de Oostpolder aangelegd, ten oosten van de Sint-Janspolder en ten noorden van de Bentillepolder. Door die rol van Sint-Pieters werd hij eerst ook wel le polre St Pierre genoemd. Op de grens van de Sint-Jans- en de Oostpolder groeide Sint-Jan-in-Eremo opnieuw uit, vermoedelijk op dezelfde plaats waar vroeger al het kerkje stond.
In de daaropvolgende decennia groeide het dorp langzaam weer aan. Waarschijnlijk al vóór 1443 verrees de Sint-Jansmolen op de Sint-Janspolderdijk, op de plaats waar later restaurant ‘Elmare’ zou komen, meer bepaald op de parking van dat restaurant. In 1447 gaven de schepenen van het Brugse Vrije toestemming om een toren op de kerk te plaatsen. Daarmee weten we dat er op dat moment al een nieuwe kerk stond, op de grens van de Sint-Jans- en de Oostpolder, ten noorden van de Oostpolderkreek.
Bentille beschikte intussen al over een Sint-Antoniuskapel, al bleef die afhankelijk van de moederkerk in Sint-Jan. Terwijl de bewoners hun toevlucht zochten bij de kapel, waren de abdijen druk bezig met de herwonnen polders. De herdijkingen van Bentille- en Sint-Janspolder liepen immers gelijktijdig, en na 1422 waren de monniken er als de kippen bij om percelen te verpachten en tienden te innen. In 1447 verkocht Sint-Baafs nog een stuk land in de Bentillepolder aan een lokale boer, en verpachtte tegelijk de tiendrechten in de Sint-Janspolder. Het land moest renderen, elke akker telde.
Maar de polders bleven broos. In 1452–1453 noteerden de bronnen zelfs brandschade in de Bentillepolder, wellicht door rondtrekkend krijgsvolk. Het toont hoe zelfs in zogezegde vredestijd de streek kwetsbaar bleef, op de grens tussen droog en overstroming. De Oostpolder lag daarbij op een sleutelpositie: als de dijk het daar begaf, liep Sint-Jan onder water en kwam ook Bentille in gevaar, ondanks zijn iets hogere ligging op de Heerst. Het Brugse Vrije moest voortdurend middelen vrijmaken voor onderhoud en versterking, en stedelijke investeerders en abdijen draaiden mee op voor de kosten, want zonder stevige dijken was elke investering verloren moeite.
Sint-Laureins
In Sint-Laureins ging het leven na de stormen van de 14de eeuw gewoon voort. Niet dat het allemaal van een leien dakje liep, maar vergeleken met de dorpen die letterlijk van de kaart waren geveegd, had Sente chance gehad. De kerk was overeind gebleven, de huizen stonden er nog, zij het soms wat scheefgezakt, en de vlakbij gelegen Waardijk had de watermassa enigszins weten tegen te houden.
In de loop van de 15de eeuw begon het dorp stilaan te groeien. Niet spectaculair, maar geleidelijk. De meeste inwoners leefden van de landbouw, aangevuld met wat veeteelt en houthakken. Rond 1500 lag Sint-Laureins verscholen in het bos. Van de Goochelaar tot aan de Kruiskenstraat, van de Eeklose Watergang tot aan de dorpskern, het was al eik wat de klok sloeg. Alleen de boerenhoven zorgden voor wat open plekken.
En waar bos is, zijn beesten. Het krioelde er van het ongedierte, vossen, marters, en vooral slangen. Die slopen in stallen, houtmijten, soms zelfs in huis. En als het nat was, wat hier meer dan op zijn toer gebeurde, zochten ze hogere grond op. Volgens de Sentse historicus, pastoor De Swaef, vonden kerkgangers in 1554 twee slangen onder de goten van het dak van de kerk. Ter herinnering aan dat voorval liet men een afbeelding van die beesten op de kerk aanbrengen, aan de noordkant van het gebouw. Ge moet maar eens gaan kijken, net boven het jaartal 1555 op de zijgevel van de kerk, ze hangen daar nog.

Dat jaartal 1555 is ook niet zomaar op die muur gekwakt. In dat jaar begon pastoor Aernout Van Zuydt aan de grote verbouwing van zijn kerk. Sente groeide als kool, en de kerk zat telkens stampvol. Wat eerst een smal eenbeukig kerkje was, werd verbreed met zijbeuken en uitgebreid rond het altaar. In 1557 werd het geheel afgewerkt met een nieuwe houten zoldering en dakbedekking. Een serieuze investering, maar het was dan ook nodig want Sint-Laureins was niet langer een nederzettingske van niets, het was uitgegroeid tot een volwaardig dorp met toekomst.
Pastoor Van Zuydt woonde in het dorp, rechtover de Leemweg, aan de oostkant van de Klappersbrug (zouden de mensen van toen daar ook al staan komeren hebben?). Korte tijd nadat hij de kerk vergroot had, wou hij zelf ook wel wat groter gaan wonen. Hij verkocht zijn huis en ging wonen op het huidige Antonia Van Dammeplein. Daar stond dus de oude pastorij.
Uit de tijd van pastoor Van Zuydt zijn er over die pastorij geen geschriften bewaard gebleven. Het oudste document is een beraadslaging van 13 maart 1639 tussen de hoofdman, de schepenen, de kerkmeesters en de notabelen. Het doel was duidelijk: 'het maecken van een woonhuijs ende caemer ten dienste van den heer pastor der prochie Sint-Laureins'. Waarschijnlijk ging het om een grondige renovatie van het gebouw waar Aernout Van Zuydt een eeuw voordien ingetrokken was. De pastorij zou daar blijven tot Pastoor De Swaef ze te bouwvallig vond en op het einde van de 19de eeuw verhuisde naar een huis een eind verder in de Leemweg, rechtover het kerkegangske.
Pastoor Van Zuydt wou er zeker van zijn dat de latere Sentenaars die nieuwe kerk als zijn werk zouden erkennen en hij liet een gedenksteen plaatsen in de kerk. Maar wat lezen we op die steen? Daar schrijft onze pastoor dat het gaat over de kerk van Sinte Lauwereyns in Heremo, genaamd ten Blokke.

Ja maar wacht eens! In Heremo of in Eremo kan er nog in, dat is hetzelfde als Sint-Laureins-in-de-Woestine. Maar Ten Blokke? En ja, dan vinden we een gehucht Sint-Laureins-ten-Blokke, iets ten noorden van Sint-Laureins (nu grondgebied Sint-Margriete), waar later de Blokkreek zou komen. Er stonden enkele hoeven en er zijn sporen van een kleine nederzetting, maar over een eigen parochiekerk is in de bronnen uit die tijd niets terug te vinden. Mogelijk was er wel een kapel of bidplaats, bedoeld voor dagelijks gebed, terwijl de bewoners voor mis en sacramenten naar Sint-Laureins trokken. De bewoners kwamen langs de Blokkekerkweg (nu Vlamingstraat) naar de kerk van Sint-Laureins. De naam verwees naar een iets hoger gelegen “blok” of rug in het veenlandschap en bleef nog tot in de 16de eeuw in gebruik, tot het gehucht verdween in den Draaiput bij de inundaties van 1583.
Volgens sommigen diende de toren van de kerk zelfs als vuurtoren. Of dat klopt? Daar zijn de historici het niet over eens. Misschien is het een fabel, misschien zat er een grond van waarheid in. Maar het zegt wél iets over de uitstraling van de kerk. Ze lag aan wat toen nog de Brieversweg heette, nu onze Dorpsstraat, en domineerde het landschap.
En dan was er nog die ene legende. Die van Pronkenburg. Volgens de schriftjes van pastoor De Swaef, liefdevol bewaard in ’t Sents Archief en ooit, begin de jaren 1970, gretig geciteerd door onderpastoor Bernaert, lag er ten zuiden van het kerkhof een hoeve met een aarden wal eromheen, die men Pronkenburch noemde. Het zou een soort herenhof geweest zijn, met zelfs een eigen ingang tot de kerk. Als je langs de zuidkant van de kerk wandelt zie je nog een toegemetselde deur. Zouden ze langs daar binnengekomen zijn? Rond 1550 spreekt men van een bewalden hof, dictum Pronkenburch. Een kasteel? Of gewoon een goed onderhouden boerderij met een pompeuze naam? Geen mens die het nog kan vertellen.
