
Een scheervlucht over de Sentse dorpen
Aflevering 9
Sint-Nicolaas-in-Vaerne & Elmare
Op het meest noordelijke puntje van het huidige Sint-Laureins, eigenlijk al net over de grens met Nederland, lag het dorp Sint-Nicolaas-in-Vaerne, ontstaan rond de priorij Elmare, een bijhuis van de Gentse Sint-Pietersabdij. Arbeiders in dienst van de kloostergemeenschap bouwden er huisjes, en nog vóór 1230 stond er een eerste kerk. We hebben gezien dat het dorpje, onder de naam Langaardenburg, vermeld werd op de lijst met smalle steden en zo een plek kreeg tussen de erkende gemeenschappen van het graafschap Vlaanderen.
Maar status hield geen water tegen. Toen de woeste orkaan op 8 oktober 1375 over onze streek rolde, werd ook Elmare meegesleurd. De kloostermuren stortten in, de graven op het kerkhof verdwenen in het slijk, en de priorij werd onherstelbaar verwoest.

Wat nog bruikbaar was zou worden afgebroken en weggevoerd naar veiliger plaatsen. Er was geen sprake van heropbouw, en de kloostergemeenschap werd nadien niet opnieuw opgericht. De monniken die het overleefden, keerden vermoedelijk terug naar Gent. Er zijn geen ooggetuigenverslagen, maar mogelijk speelde ook hier de instabiliteit van de door turfwinning aangetaste veenbodem een rol.
De abdij verdween uit het zicht én uit het geheugen. Alleen de naam bleef hangen, als echo. De exacte plek werd pas eeuwen later teruggevonden door Nederlandse archeologen.
Van het dorp bleef evenmin iets bewaard. Sint-Nicolaas-in-Vaerne had geen kerk meer. Nadat het was uitgegroeid tot een kleine gemeenschap met een zekere handelsfunctie en een verbinding via de turfkreken naar de grotere waterlopen, ging het in één vloedgolf ten onder.
Watervliet
In 1375 was Watervliet een kleine maar goed uitgebouwde nederzetting, met een kerk, een markt en een klooster in de nabijheid. Er was zelfs een schepenbank, zeg maar het college van burgemeester en schepenen uit die tijd. De gemeenschap was ontstaan langs een getijdengeul waar turf en andere goederen werden vervoerd richting Biervliet en verder. De ligging was veelbelovend, maar precies die strategische ligging werd het dorp fataal.
Toen op 8 oktober 1375 de Braakman openscheurde, lag Watervliet rechtstreeks in het vizier van het binnenstromende zeewater. Het gebied werd bijzonder zwaar getroffen. De Braakman breidde zich uit in zuid-westelijke richting en splitste zich in meerdere armen die het achterland, waaronder Watervliet, binnendrongen.
Van kerk, klooster en woningen bleef niets bewaard. Van het dorp bleef enkel een smeerboel over, slijk, plassen en water dat bij hoogtij vrolijk terugkeerde alsof het nooit was weggeweest.
Ook het Wilhelmietenklooster werd zwaar beschadigd. Het klooster, dat sinds 1249 bestond en zich toelegde op geestelijke begeleiding en turfontginning, overleefde de ramp op papier, maar functioneerde nadien nauwelijks nog als kloostergemeenschap. Er zijn aanwijzingen dat de Wilhelmieten hun gebouwen nog een tijdlang probeerden op te lappen, maar na de Sint-Elisabethsvloed van 1404 gaven ze het definitief op. Ze verkochten hun gronden en restanten van gebouwen en trokken naar Brugge.

Stilte en modder
Toen het water zich uiteindelijk terugtrok, bleef er weinig meer over dan modder en stilte. Waar eens dorpen waren lag nu een grijze vlakte, vol slijk en rommel. Hier en daar stak nog een dakrand boven, een scheefgezakte boom, misschien de resten van een schuur. Het moergebied in het noorden van het Meetjesland, ooit vol leven, lag erbij alsof er nooit iemand gewoond had. Turfstekers, boeren, pachters, pastoors, ze waren verdwenen. Dorpen ook. En wie het overleefde, trok verder naar het zuiden. Naar waar het nog droog was.
En in 1404 was het weer prijs
Je zou denken dat één ramp voldoende was. Maar nog geen dertig jaar later, op 19 november 1404, kwam de beruchte Sint-Elisabethsvloed. De streek van Sint-Laureins kwam er nog relatief goed vanaf, zeker in vergelijking met de kust en Zeeuws-Vlaanderen. IJzendijke bijvoorbeeld verdween in de golven en Biervliet werd voor vele eeuwen een eilandje, maar wat in 1375 al half verdronken was, werd nu verder uitgespoeld. Dorpen die “maar” half verwoest waren, kregen hun doodsteek. De hoop op herstel ervan werd definitief de grond in geboord.

Een ander land
Van de zeven dorpskernen die in de eeuwen voordien met moeite op de zee veroverd waren, stonden er na 1404 maar twee meer overeind, Sint-Laureins en het gehucht Bentille. De rest, Sint-Jan-in-Eremo, Sint-Nicolaas-in-Vaerne, Roeselare, Sint-Margriete en Watervliet, werd zwaar beschadigd, grotendeels verlaten of volledig weggespoeld.
Wat achterbleef was geen land meer, maar een wildernis van slijk en puin, met hier en daar nog een stomp van een boom, een ingestorte muur of een kerktoren zonder spits. Voor sommige dorpen kwam het nooit meer goed.

Er kwam geen hulp. Geen rampenplan. Geen heropbouwfonds.
Sommige namen leefden nog voort, als perceelnaam of aanduiding in oude registers, Roeselare, Vaerne, Elmare. De “Moer” werd vooral een beschrijving van wat er niet meer was. Van sommige dorpen wist men later niet eens meer met zekerheid waar ze precies gelegen hadden.
De verdwenen dorpen hadden laag gelegen. Ze waren gebouwd op turfgrond, in de eerste fase van de ontginning ervan, toen men dacht dat het veen stevig genoeg zou blijven. Maar het veen zakte, de turfputten ondergroeven het land, en de dijken hielden minder goed stand dan gedacht. Toen het water kwam, waren deze dorpen de eersten die kopje onder gingen.
De dorpen die standhielden, Sint-Laureins en Bentille, lagen net iets hoger. Of ze waren beschermd door natuurlijke barrières, zoals de Ware en de Heerst, die het water nét wisten tegen te houden.
Maar de modder won niet. Beetje bij beetje begon het land zich te herstellen. Niet op dezelfde plek, en niet met dezelfde dorpen, maar op nieuwe gronden, met nieuwe bewoners, nieuwe dijken, nieuwe kansen.
In de eeuwen daarna zouden andere dorpen ontstaan.