
Een scheervlucht over de Sentse dorpen
Aflevering 7
Sint-Laureins
De parochie van Sint-Laureins was de tweede waarnaar verwezen werd in de hogergenoemde Rijselse cijnsrol. Maar welke van de twee kerken, Sint-Jan of Sint-Laureins, er nu eigenlijk het eerst stond weten we niet. Het zal alleszins wel een millimeterspurt geweest zijn. In de bronnen lijkt Sint-Jan gewonnen te hebben: Gottschalk vond het jaartal 1311 terug. Sint-Laureins lijkt de jongste van de bende zijn. Er wordt er voor het eerst in 1317 iets van op papier gezet. Voor zover we weten dan toch.
Net als bij Sint-Jan-in-Eremo ging het in Sint-Laureins om een reactie op de snelle bevolkingsgroei in een tot dan toe onherbergzame streek. De vele kolonisten die er kwamen turfsteken of boeren, mochten niet als wilden leven, dus zorgden de kerkelijke autoriteiten ervoor dat er kerken kwamen. En vanzelf ook pastoors.

Aan het begin van de 14de eeuw was Sint-Laureins nog een nederzetting in wording. Op de plek waar nu de kerk staat stond vermoedelijk al een kleinere kapel, de voorlopige voorloper van de latere parochiekerk. Of het hier ging om die kapel van de Aerdenburghers, waarover we het al gehad hebben, weten we niet.
De grafelijke administratie verdeelde de moergronden toen in grote, rechthoekige kavels die men ‘maten’ noemde. Elke maat werd daarna nog eens opgesplitst in kleinere stukjes, zodat meerdere mensen er turf konden winnen of het land konden bewerken. Die oude verkaveling is vandaag nog verrassend goed zichtbaar in het landschap rond de Viermatenwatering, wie de weg van Balgerhoeke naar Sint-Laureins volgt, rijdt recht door dat eeuwenoude raster van percelen.

Toch bestaat er ook een andere verklaring voor dit strakke patroon: sommige bronnen stellen dat die rechte wegen er pas later kwamen, toen men na het uitturven van het land overging op bosbouw.
Sint-Laureins maakte deel uit van een groter geheel van ontginningsdorpen binnen het Oostvrije van Brugge, waar abdijen, adellijke heren en Gentse burgers zich tot vennootschappen verenigden voor turfwinning en landbouw. Het dorp lag op een licht verhoogde zandrug, de Heerst, tussen twee veenstroken in. Precies die ligging, op de Heerst en ten westen van de Ware, zou later van levensbelang blijken.
Sint-Laureins ontstond als nederzetting door de grafelijke moerontginningen (13de - begin 14de eeuw). Kerkelijk viel het onder het bisdom Doornik. Er is geen bewijs dat Sint-Baafs of Sint-Pieters hier patronaat of tiendrecht uitoefenden. Gottschalk stelt expliciet dat deze jonge parochie niet tot hun patronaat behoorde.
De voorgaande decennia was de turf massaal afgevoerd via een netwerk van waterwegen, waaronder de Eeklose Watergang, richting Aardenburg en Brugge.
Het veen was tegen het midden van de 14de eeuw op veel plaatsen al grotendeels uitgeput. Wat overbleef was woestine of slechte grond, die men probeerde vruchtbaar te maken met greppels, sloten en ontwateringsgrachten.
De gronden die na de turfwinning achterbleven, kregen al snel een nieuwe bestemming. Eerst kwamen er vochtige graslanden waar men koeien en schapen hield. Sommige percelen werden beplant met bos, soms met eik, bedoeld als toekomstig hakhout of timmerhout. In de lagere, natte zones plantte men ook wilg aan.
Binnen het Brugse Vrije maakte Sint-Laureins, samen met Adegem en Bentille, deel uit van het Ambacht Maldegem, en werd door de schepenbank van Maldegem bestuurd.
De patroonheilige van het dorp, Laurentius, diaken en martelaar, werd traditioneel aangeroepen bij brand, maar misschien ook wel bij natte voeten.

Er hing iets in de lucht
De mens is lui en de zo zorgvuldig opgeworpen dijken werden verwaarloosd. Ook door het turfsteken was het niveau van de bodem op sommige plaatsen kunstmatig zodanig verlaagd, dat het achterland bijzonder kwetsbaar was voor overstromingen.
Och dacht men, laat het water maar stijgen, het zal wel weer zakken.
Tot het niet meer zakte.
III De storm van 1375 en wat volgde
De eerste stormvloed
Na twee eeuwen van intense turfuitbating was het niveau van de bodem op sommige plaatsen in de Vlaamse kuststreek fel gezakt, zodat, ondanks de aanleg van talrijke dijken, het achterland aan overstromingen bloot stond.
Op 8 oktober 1375 kregen we van de lat. Aan de noordkust van het graafschap Vlaanderen, ten oosten van Biervliet, beukte de zee verwoed in op de dijk. En het moest ervan komen, in de dijken werd een bres geslagen. En het was geen klein scheurke! Wat begon als een gewone doorbraak, werd een reuzengroot gat in de dijk. De naam Breckeme, verwant aan het Middelnederlandse breke voor bres of doorbraak, raakte in gebruik voor het overstroomde gebied. Uit dat Breckeme ontstond later de naam die we vandaag kennen als de Braakman. De Braakman, tot dan toe een vrij bescheiden inham, werd als het ware opgezweept tot een brede zeearm die met een vernietigende kracht het binnenland binnendrong.

Uiteraard volgde het water de weg van de minste weerstand, door moerassen, langs verlaten veenputten, tussen slappe dijken en over de laagstgelegen polders. Dat was de logische route. Maar logische route of niet, de mensen op het veld, in hun houten huizen, konden er niet echt mee lachen.
Er ontstond een grote inham van de zee. In het noorden liep de grens van Biervliet tot het verdwenen dorp Sint-Cathelijne bij Oostburg. In het westen lag de Waardijk, van net voorbij Sint-Cathelijne tot de wijk Zonne bij Sint-Laureins-Bentille. In het zuiden sloot de Heerst van Sint-Laureins, via de Zonne tot voorbij Boekhoute, de inham af. In het oosten zorgden de hogere zandgronden richting Assenede en Ertvelde voor een natuurlijke begrenzing. Zo ontstond een laaggelegen kom, allicht door het weggraven van veen (turf).

De Ware of Waardijk en de Horst of Heerst speelden hier een belangrijke rol. De eerder lage Waerdic werd al in 1290 vermeld en liep, zoals hierboven gezegd, van op de wijk de Zonne noordwest tot de scherpe hoek van de huidige Belgisch-Nederlandse grens en zo verder, richting Oostburg. Al wat oostelijk lag verdronk: Sint-Jan-in-Eremo, Nieuw-Roeselare, Sint-Margriete, Sint-Niklaas-in-Vaerne en Watervliet. Sint-Laureins lag ten westen van de Ware en werd dan ook grotendeels gespaard. De Heerst was iets hoger en lag iets zuidelijker, van Boekhoute over Bentille naar Sint-Laureins.
Van de dorpen in wat nu de gemeente Sint-Laureins is, bleven er die dag geen zeven meer over. Sommige verdwenen zonder veel sporen na te laten. Alles spoelde weg.