top of page

Een scheervlucht over de Sentse dorpen

Aflevering 6

Sint-Margriete

Over de vroegste geschiedenis van Sint-Margriete is weinig met zekerheid bekend. De eerste kerk werd al vóór het beëindigen van de turfexploitatie, in 1244, opgericht op initiatief van de abt van de Sint-Baafsabdij, voor de kolonisten die in de eerste helft van de 13de eeuw naar hier waren gekomen. Vermoedelijk gebeurde dit als reactie op de stichting van het nabijgelegen Nieuw-Roeselare, dat niet door een abdij maar door een wereldlijke heer was gesticht.

De Sint-Baafsabdij bezat hier gronden, stelde geestelijken aan en verpachtte percelen aan kolonisten die zich waagden aan het natte en vaak moeilijk toegankelijke land. Burgerlijk viel Sint-Margriete onder het Ambacht IJzendijke.

De eerste bewoning ontstond vermoedelijk op een zandrug tussen de veengebieden, op de plaats die later als het Eiland bekend zou worden. De ligging was gunstig genoeg om er een kleine kern te ontwikkelen, met ruimte voor landbouw, wat veeteelt en een kerk als religieus centrum.

Hoe de eerste kerk van Sint‑Margriete eruitzag, is niet bekend. Waarschijnlijk ging het om een eenvoudig gebouw, zoals in veel ontginningsdorpen uit die tijd, zonder veel versiering, maar degelijk genoeg om de winters en het wisselende waterpeil te doorstaan. Zeker is dat er rond deze kerk een kerkhof lag en dat er zich een kleine nederzetting van boerderijen ontwikkelde.

Dat Sint-Margriete al rond 1244 een parochiekerk had, plaatst het bij de dorpen die in de 13de eeuw tot ontwikkeling kwamen. Pas in het begin van de 14de eeuw zouden er in de streek nog enkele nieuwe dorpen volgen. Hoe snel of hoe groot die groei was, weten we niet. Er zijn geen cijfers bewaard. Alles wijst erop dat Sint-Margriete niet door een grote golf kolonisten werd bevolkt, maar langzaam uitgroeide tot een kleine, hechte gemeenschap.

Sint-Jan-in-Eremo

Een parochie was het in het begin nog niet, maar dat ze nodig was, blijkt uit een cijnsrol uit circa 1307, bewaard in de Archives du Nord in Rijsel. Daarin staat: "daer wonen lieden up so vele dat sire up ebben ghemaect twee kerken bin corten tiden", met andere woorden ’t werd er zo druk dat ze er in een wip twee kerken hebben neergepoot. Een duidelijke verwijzing naar de stichting van Sint-Laureins en Sint-Jan-in-Eremo als nieuwe parochies in een sterk groeiende streek.

Toch moeten er al eerder mensen gewoond hebben. Het gebied was niet helemaal leeg. Vanaf de late 13de eeuw vinden we al sporen van ontginning, en wie weet stond er ook hier al een eenvoudig kapelletje, misschien een houten gebouwtje, opgetrokken op een wat hoger gelegen stuk land of een kunstmatig verhoogd eilandje midden de drassige gronden.

Uit oude landboeken en kaarten blijkt dat de kerk van Sint-Jan vanaf het begin op de plaats van de huidige kerk stond. Het volksverhaal van een verdwenen kerk in de Meikenshoek blijft dus een leuke overlevering, maar mist harde bewijzen. Rond de kerk lag waarschijnlijk een kerkhof, met simpele houten kruisen en wat grafheuveltjes. De mensen die hier begraven werden, waren turfstekers, pachters en hun kinderen, mensen die hard werkten voor weinig, en een beter leven in het hiernamaals beloofd waren.

Sint-Jan-in-Eremo maakte burgerlijk deel uit van het ambacht IJzendijke dat bij het Brugse Vrije behoorde. Bentille was een buitenbeentje en hoorde bij het ambacht Maldegem, of zoals ze het vroeger zo mooi zeiden: een splete, waarmee de wijk Bentille bedoeld werd, ligt in het Ambacht Maldegem. Kerkelijk viel de parochie onder het bisdom Doornik. De Gentse abdijen hadden hier slechts beperkte bezittingen, maar geen van beide, noch Sint-Baafs, noch Sint-Pieters, had er het patronaatsrecht. De parochie zelf ontstond uit de grafelijke moerontginningen van de dertiende eeuw, en de eerste kerk stond onder toezicht van de bisschop van Doornik. Het was, zoals overal in de middeleeuwen, een kluwen van rechten en eigenaars, burgerlijk bij IJzendijke, kerkelijk bij Doornik, en ondertussen hadden de Gentse abdijen hier hun belangen. Raak er maar wijs uit.

Bentille

Bentille is de belangrijkste wijk van Sint-Jan-in-Eremo. Er woonden altijd meer mensen dan in het dorp zelf. In de bronnen duikt Bentille voor het eerst op in 1262. Daar lezen we: sex bonaria Wastinae nostrae jacentia in loco qui dicitur Benthil, zes bunder van onze woeste gronden bij de plaats Bentille. Het ging dus om een stuk woestijnland, onontgonnen grond.

Bentille viel volledig onder de parochie van Sint-Jan-in-Eremo. De kerk stond kilometers verderop, op een hoger gelegen plek in de polder. Voor doop, huwelijk of overlijden moesten de bewoners van Bentille dus naar ginder, vaak te voet of met de kar.

Deze toestand leidde al vroeg tot spanningen, en volgens de overlevering zou er al in 1274 in Bentille een kapel gestaan hebben, naar waar de bewoners van de dorpskom zich terugtrokken bij overstromingen. Die zou ten oosten van de huidige kerk gestaan hebben, langs de Bentillestraat. Ze was gewijd aan Sint-Antonius en werd in latere eeuwen herbouwd of verplaatst.
 

De zielenzorg in Bentille was beperkt. De pastoor van Sint-Jan kwam enkel langs op hoogdagen of bij ziekte. Pas in de 17de eeuw zou Bentille uitgroeien tot een volwaardige religieuze kern. Maar de kiem daarvoor werd gelegd in de middeleeuwen, door mensen die zich hier vestigden ondanks het moeras, de afstand en het water.

Volgende aflevering

bottom of page