top of page

Een scheervlucht over de Sentse dorpen

Aflevering 16

En weer staan we met ons voeten in het water

Het was oorlog! En in een oorlog worden steeds weer nieuwe strategieën bedacht om de vijand te kloten. Maar wat ze nu uit hun mouw schudden hield totaal geen rekening met de bevolking. Het zou onze Sentse dorpen nog maar eens in de miserie duwen.

 

De Spaanse generaal Alexander Farnese, de hertog van Parma, begon in 1581, met de steun van Spaanse en Waalse soldaten, vanuit het zuiden, aan de herovering van de opstandige gewesten in de Nederlanden. Daarvoor moest hij natuurlijk voorbij ons. En toen wou hij Sluis innemen! Die stad, in handen van de opstandige Hollanders, was de sleutel tot heel Zeeuws-Vlaanderen. De verdedigers wilden koste wat kost vermijden dat de Spanjaarden de stad zouden bereiken, en dus staken ze 1583 de dijken van het Zwin door. De wijde omgeving rond Sluis werd zo onder water gezet.

Er vormde zich een brede zeearm, het Coxydsche Gat, genoemd naar het dorp Coxyde ten zuiden van Oostburg, niet te verwarren met Koksijde aan zee. Die inham vertakte zich verder in verschillende grote geulen en kreken.

 

In de tweede helft van de 16de eeuw veranderde het landschap van de Sentse dorpen. Door de opzettelijke inundaties tijdens de oorlog, ontstonden nieuwe waterlopen en werden bestaande dijken doorbroken. Vanuit die tijd dateren ook de meeste kreken die we nu nog kennen.

 

De inundaties door de Hollanders mochten dan wel een paniekreactie geweest zijn, in een poging om de controle over de Schelde te behouden, maar wij stonden wel schoon weer met ons voeten in het water. Onze streek was nauwelijks bekomen van de vorige overstromingen, en lap, nu waren het de geuzen die ons onder water zetten.

 

Trouwens, paniekreactie? Onze noeste voorouders probeerden te redden wat er te redden viel. Onder meer door het aanleggen van kraagdijken, een soort mini dijkjes, die moesten beletten dat het water bleef doorstromen. Wel, die Hollanders staken ook die door als het in hun kraam te pas kwam. Geen sprake van paniek dus, maar allemaal wel overwogen.

 

Als je het vanuit militair oogpunt bekeek, waren die onderwaterzettingen wel een groot succes. Het overstroomde land was zo’n ondoordringbaar gebied geworden dat de Spaanse troepen het Noorden niet konden bereiken. Maar daar waren wij vet mee. We stonden weer tot ons knieën in het water.

Leven op de grens

Farnese mocht dan in 1587, ondanks het water, toch nog Sluis veroverd hebben, de Hollanders, onder leiding van prins Maurits, tweede zoon van de Prins van Oranje, gingen in de tegenaanval.

 

Vanaf het einde van de jaren 1580 veranderde onze streek in een niemandsland. Geen Spaanse zone maar ook geen Republiek. Het Meetjesland lag kloef op de frontlijn.

 

In Zeeuws-Vlaanderen hielden de opstandelingen stand. Tegen het einde van de 16de eeuw werd IJzendijke door de Staten van Zeeland versterkt tot een moderne vestingstad. In 1604 heroverde prins Maurits Sluis, dat daarna samen met Aardenburg werd uitgebouwd tot een echt bolwerk van de Republiek, compleet met wallen, bastions en grachten.

 

Hierna liet Maurits ook bij Retranchement nieuwe verdedigingswerken aanleggen om de Zwinmonding te controleren en de scheepvaart naar Brugge te blokkeren. Daarachter, veilig in Hollandse handen, vestigden zich nieuwe inwoners: calvinistische vluchtelingen uit Vlaanderen, doopsgezinden en Hollandse kolonisten. Zij namen de boerderijen over en keken, onder invloed van hun streng calvinistisch en antikatholiek opgeleide predikanten, vijandig naar het katholieke zuiden, naar ons dus.

 

Aan onze kant bleven we trouw aan de Spaanse koning, al was dat meer van moeten dan van willen. Veel keus hadden we niet. Spaanse troepen patrouilleerden langs de oude dijken, eisten voedsel, kwartierden zich in bij wie nog een dak had. En als ze weg waren, kwamen de geuzen terug, of andersom. Soms wisselde een dorp twee keer per maand van bezetter. Het enige wat je zeker wist, was dat je het nooit zeker wist.

Achteraf is gebleken dat de parochies in het noorden van de Spaanse Nederlanden jarenlang oorlogsschattingen dienden te betalen aan de gouverneur van Sluis, en bovendien voorraden en gheforceerde giften moesten leveren aan het garnizoen van die stad. Tegelijkertijd vorderde het Brugse Vrije zware belastingen om de kosten van de oorlog te dragen. De bevolking werd dus van twee kanten uitgeperst. Tot overmaat van ramp mochten de soldaten kosteloos eten en drinken in de herbergen en op de boerderijen.

 

Langs de grens verschenen tussen 1590 en 1600 meerdere Spaanse versterkingen, Onder meer aan het Rabot (de Kantijne in Sint-Margriete) werd een fort opgericht. Af en toe werd er wat over en weer geschoten, maar veel stelde dat niet voor.

 

Maar hoe verging het onze Sentse dorpen nu eigenlijk in al dat oorlogsgeweld.

Sint-Jan-in-Eremo

Tegen het einde van de 16de eeuw stond de kerk van Sint-Jan-in-Eremo nog overeind, want in 1578 kwamen de geuzen de klokken roven.
 

In 1583 barstte de oorlog hier echt goed los. In dat jaar en zeker ook het volgende jaar begonnen de verdedigers van het stadje Sluis, om het Spaanse leger van Farnese het leven zuur te maken, de dijken van het Zwin te doorsteken, zodat het zeewater vrij spel kreeg en de plassen en de geulen alsmaar uitgestrekter werden. Zo ontstond onder andere de Boerekreek, door opzettelijke inundaties door de geuzen. Bij haar ontstaan werd ze ook wel de Grote Geule genoemd. De westkant van de huidige Boerekreek stond vroeger bekend als de Klinkaertsgeule.
 

Ook de streek rond de Liesbeth Beelckenskreek, later bekend als de Oostpolderkreek en zelf een overblijfsel van de stormvloeden van de 14de eeuw, had het weer zitten. De kreek verbond zich weer met de Boerekreek en sloot aan bij het netwerk van geulen dat het landschap doorsneed.
 

Volgens sommige bronnen zou de Waardijk toen volledig weggeslagen zijn. Zeker is dat het gebied opnieuw overstroomde en grotendeels onbewoonbaar werd. Boerderijen verdronken, dijken verdwenen, en de overgebleven bewoners trokken weg. Om het verlies van de Waardijk op te vangen en te verhinderen dat Sint-Laureins onder water zou geraken, werd een nieuwe dijk aangelegd, de Zijdelingse dijk, ook wel Comerdijk genoemd. Deze dijk sloot op de Zonne aan op de Graaf Jansdijk en liep vandaar naar het westen, net ten noorden van het centrum van Sint-Laureins, even boven het huidige Leopoldkanaal.

Die Comerdijk vormde de zuidelijke grens van het overstroomde niemandsland in de Tachtigjarige Oorlog. Geen wonder dus dat hij na de Vrede van Münster zou gebruikt worden als basis voor de landsgrens tussen de twee nieuwe staten, de Spaanse en de Staatse Nederlanden.
 

Wat nog restte van Sint-Jan werd langzaam ingepalmd door het water, het slijk en het krijgsvolk. Van een functionerende parochie was tegen het einde van de 16de eeuw nauwelijks nog sprake. De bewoners vluchtten naar de Sint-Antoniuskapel in Bentille, achter de Graaf Jansdijk. Bentille als toevlucht, het werd bijna een gewoonte.
 

Sint-Jan werd een verlaten, drassige uithoek, in documenten omschreven als “woeste grond”, waar alleen nog af en toe vissers of rondtrekkend krijgsvolk hun weg vonden.

En de kapel van Bentille?

We hebben al meermaals gezegd: Bentille is een zeer oude wijk. De kapel was al aangeduid op de zogenaamde kaart van Gwijde van Dampierre van 1274, maar die dateert vermoedelijk van de 15de of 16de eeuw, twee tot drie eeuwen later, en toont dus hoe men toen dacht dat het er rond 1274 uitzag. Daniël Verstraete situeert de kapel eerder rond 1375 toen, bij de grote stormvloed, de bewoners van de dorpskom zich op Bentille terugtrokken. We zullen het allicht nooit precies weten.

Hoe dan ook, de eerste kapel van Bentille die in Kaprijke stond, langs waar nu de Bentillestraat/Moerstraat loopt, was in het begin van de jaren 1600 tot op den draad versleten en er werd een nieuwe gebouwd. Die stond net ten westen van de huidige kerk, in de Rijselvereweg, nu de Sint-Jansstraat.

Volgende aflevering

bottom of page