top of page

Een scheervlucht over de Sentse dorpen

Aflevering 5

II         Stilte voor de storm

En die titel mag je gerust letterlijk nemen. Maar daar hebben we het straks nog over. Eerst gaan we eens rondneuzen in onze splinternieuwe parochies.

Watervliet

Op het grondgebied van het huidige Watervliet zouden eigenlijk drie ‘Watervliets’ gelegen hebben. Wellicht wordt de naam een eerste keer vermeld in 976, in een oorkonde van keizer Otto II. Dat oudste Watervliet was nog geen dorp op een dijk, want die kwamen pas later. Het was een kleine nederzetting op een verhoging in het natte veenland. Zo’n hoogte kon natuurlijk zijn, een oude zandstrook die iets boven het landschap uitstak, of door mensen zelf opgeworpen om droge voeten te houden.
 

Over de precieze ligging van de eerste kerk lopen de meningen uiteen. Jozef De Paepe situeert ze aan het Bellekensstraatje, op de rand van de huidige Wilhelmusstraat, terwijl anderen haar noordelijker plaatsen, in een zone die later door de zee verzwolgen werd. Vermoedelijk lag die eerste nederzetting dus noordelijker dan het huidige Watervliet, meer in de richting van het latere Biervliet, midden in een landschap van kreken en moerassen.
 

Dat eerste Watervliet moet al een keure gehad hebben, aangezien het nieuwe, tweede Watervliet in 1258 een hernieuwde keure kreeg van gravin Margaretha van Constantinopel, later bevestigd door haar zoon Gwijde van Dampierre. Die keure omvatte onder meer het benoemen van schepenen en het houden van een markt. Voor het derde Watervliet moeten we nog even wachten, tot Hiëronymus Lauwerijn zijn intrede zal doen.

5-1 Watervliet.png

In 1226 had Boudewijn van Praet, heer van Watervliet, het patronaatsrecht van de kerk van Watervliet al overgedragen aan de Sint-Pietersabdij van Gent, wat bewijst dat er toen al een georganiseerde parochie met kerkelijke rechten bestond.
 

In 1249 werd dicht bij het huidige Watervliet ook het Wilhelmietenklooster gesticht door gravin Margaretha van Constantinopel. Het klooster lag vermoedelijk nabij de huidige Kerkenhofstede, tussen Watervliet en Boekhoute, en was toegewijd aan Maria. De Wilhelmieten, echte kluizenaars, wijdden zich hoofdzakelijk aan het in cultuur brengen van het woestineland. Dat kregen de monniken rijkelijk ten geschenke van de gravin en haar zoon, Gwijde van Dampierre. Al die schenkingen werden in contracten, grafelijke oorkonden, beschreven, maar zo vaag als mogelijk. De paters waren heremieten en wilden niet gevonden worden, maar ook was het gewoon knap lastig om de grenzen in zo’n nat landschap duidelijk af te bakenen.

Het dagelijkse leven in Watervliet draaide om meer dan turf alleen. Er waren een markt, een molen, vermoedelijk een herberg, een smid en mogelijk zelfs een paardenmarkt. De Gentse Sint-Pietersabdij had hier stevige invloed via grondeigendom, en ook de familie van Praet speelde een rol in het lokale bestuur.

Het Watervliet van vóór 1375 was veel meer dan een turfstekersgehucht. Het groeide uit tot een regionale kern met marktrecht, schepenbank en een kerk. Ook een klooster hoorde daarbij, al lag dat niet in de oude nederzetting zelf maar zuidelijker, op de grens met Boekhoute. Alles wees op groei, tot het water er anders over zou beslissen.

Sint-Nicolaas-in-Vaerne

Aansluitend op de Nieuwstraat in het huidige Waterland-Oudeman ligt het gehucht Goedleven, waar de tijd lijkt stil te staan. Maar wie daar halt houdt, staat eigenlijk op heilige grond, of op wat ooit heilig werd geacht. Want precies hier, op de grens van België en Nederland, bevond zich in de middeleeuwen Sint-Nicolaas-in-Vaerne, een plaats die niet alleen een kerk en een klooster bezat, maar ook kortstondig stadsambities koesterde.
 

De priorij Elmare, toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw, lag vlak naast de straat Goedleven. Archeologisch onderzoek heeft in recente jaren met grote waarschijnlijkheid de locatie van het klooster en de dorpskern vastgesteld. De naam “Elmare” leeft verder in het collectieve geheugen, maar de fysieke restanten zijn verdwenen onder eeuwen van klei, veen en akkerland.
 

Maar de paters van Elmare waren met niet al te veel – meer dan acht of negen monniken worden nooit vermeld – en ze konden de ontginning van het land niet alleen de baas.  Daarom haalden ze een hoop arbeiders naar hier, die op enige afstand van het klooster hun huisjes bouwden. Op enige afstand ja, want de paters moesten toch niet alles zien wat ze deden. Zo groeide stilaan een nederzetting: Sint-Nicolaas-in-Vaerne.
 

In 1229 stond er een eerste kerk gewijd aan Sint-Nicolaas, opgericht niet ver van de priorij Elmare, en werd het gehucht erkend als volwaardige parochie. Die arbeiders waren niet de klassieke lijfeigenen, maar eerder kolonisten die door middel van een pachtcontract gebonden waren aan het land van de paters. Ze hadden meer rechten dan slaven, maar moesten zich wel aan de regels houden en konden hun land niet zomaar verlaten zonder toestemming. Geld verdienen was hier hard labeur!

Daar bleef het niet bij. De paters lagen in de bovenste schuif van niemand minder dan Johanna van Constantinopel, gravin van Vlaanderen. Amper enkele jaren na zijn stichting kreeg het dorp al een serieuze lap grond cadeau van de gravin. Meer grond, meer inkomsten.
 

Johanna deed er zelfs nog een schepje bovenop. Dankzij haar viel het dorp voor de rechtspraak onder het gezag van Aardenburg, toen een invloedrijke stad, wat uitzonderlijk was voor een dorp in deze streek. Zulke privileges waren doorgaans voorbehouden aan persoonlijke vriendjes van de Vlaamse graven. Zo werd het dorp ook wel Langaardenburg genoemd, omdat de rechterlijke macht van de Aardenburgse schepenen zich tot hier uitstrekte. Het dorp werd onder die naam zelfs opgenomen in de lijst van de zogenaamde smalle steden, nederzettingen met beperkte stadsrechten en een eigen rechtsstructuur

Roeselare

In de jaren 1240 moet Gozewijn van Roeselare wel op vree goede voet gestaan hebben met de toenmalige gravin van Vlaanderen, Johanna, want hij kreeg een lap grond van zo’n 170 hectare in wat nu de Roeselarepolder en een stuk van de Sint-Lievenspolder is. Hij stichtte er een dorp dat hij Nieuw Roeselare noemde, in Latijnse documenten, Novum Rollarium.

 

Volgens de stichtingsakte zou dit dorpje gelegen zijn langs het vroegere riviertje de Elmare dat ook voorbij de gelijknamige abdij stroomde, de Groenstraat zou nog een overblijfsel van de Elmareweg langs de rivier zijn. Alhoewel de kerk al in 1243 vermeld werd kon Gozewijn zijn pastoor geen voldoende inkomen garanderen. Hij droeg daarom zijn patronaatsrecht, het recht om de pastoor te benoemen, in 1248 over aan de bisschop van Doornik. Gozewijn was ook wel wat gierig geweest met de materialen van de kerk, want kort na 1300 zou ze ingestort zijn, maar spoedig herbouwd.

 

Binnen enkele jaren was er niet alleen een kerk, maar ook een kasteel, een molen, en vermoedelijk zelfs een eenvoudige marktstructuur. De kerk bevond zich aan de huidige Molenkreekstraat, het kasteel lag ten zuiden daarvan. De ligging werd bevestigd door opgravingen onder leiding van Etienne Van Vooren in 1979.

Gozewijn was zelfs zulke goede vriendjes met Johanna dat zijn dorp werd opgenomen op de lijst van de smalle steden, kleine steden met een beperkt stedelijk statuut.

 

Roeselare kreeg al vroeg een eigen schepenbank, een hele stap vooruit in die tijd. Het duidde op een groeiende bevolking, handel en meer zelfstandigheid. De ligging, tussen het droge zuiden en het natte noorden en op een kruispunt van turfwegen en vaargeulen, leek gunstig. Maar juist die ligging zou haar ondergang worden.

 

Veel weten we niet over het dagelijkse leven in Roeselare, maar we mogen aannemen dat het dorp, of kleine stad, leefde van veeteelt en doorvoerhandel, vooral van turf die uit de omliggende moerassen werd aangevoerd. Er was wellicht een marktdag, een pastoor en enkele ambachten. Op het kasteeltje van Gozewijn na was er weinig edels te bespeuren, kolonisten, pachters en hier en daar een verdwaalde turfsteker, dat was het volk van Roeselare.

Volgende aflevering

bottom of page