top of page

Een scheervlucht over de Sentse dorpen

Aflevering 12

Sint-Margriete

De Sint-Margrietepolder werd, zij het kleiner dan tevoren, in 1429 drooggelegd en in 1444 wordt de Roeselarepolder, genoemd naar het verdwenen dorp Roeselare, bedijkt.
 

Tussen 1462 en 1470 liet de Bruggeling Jan de Plaet de Sint-Kruispolder indijken en meteen kreeg hij van de abdij van Sint-Baafs de toelating om er een nieuwe Sint-Margaretakerk op te richten. In ruil mocht zijn familie gedurende tachtig jaar de pastoor benoemen.

12-1 Sint-Margriete.png

Die tweede kerk lag zoals gezegd in de Sint-Kruispolder en dus al aan de goede, zeg maar Belgische, kant van de grens, al was het maar nipt. Ze zou de Tachtigjarige Oorlog overleven en blijven staan tot 1673. Rond de kerk verrees een nieuw dorp.

Roeselare

Sommige dorpen herrijzen. Andere niet.
 
Roeselare, het dorp of stadje dat in de 13de eeuw met veel ambitie werd opgericht door Gozewijn van Roeselare, was in 1375 volledig van de kaart geveegd. Het kasteel, de molen, de kerk, allemaal onder water verdwenen. Wat restte was een nat, verlaten landschap waar niemand zich nog wilde vestigen. Enkel de wind fluisterde soms nog de naam van het dorp, maar dan moest ge al vree goed luisteren. Toch zou het kerkhof, dat rond de kerk lag, nog van pas komen. Grafstenen van dit kerkhof zouden verwerkt zijn in de nieuwe kerk van Sint-Margriete die door Jan de Plaet in de Kruispolder werd opgericht.
 
De site van Roeselare, tussen de huidige Molenkreekstraat en de Sint-Margrietestraat, werd in de eeuwen daarna vergeten. Pas in 1979 konden archeologen onder leiding van Etienne Van Vooren de ligging van het verdronken dorp opnieuw vastleggen.

Toch verdween Roeselare niet helemaal uit de geschiedenis. Wat later het dorp Sint-Margriete zou worden, lag op geringe afstand van de oude site. Vele geschiedkundigen, onder andere Gottschalk, dus niet van de minsten, gingen er eerst vanuit dat Roeselare en Sint-Margriete eigenlijk één en dezelfde parochie waren. Die visie werd later bijgesteld, Roeselare was een stichting van Gozewijn van Roeselare, een wereldlijke heer, terwijl Sint-Margriete uitging van de Sint-Baafsabdij van Gent. Juridisch, kerkelijk en bestuurlijk gezien gaat het dus om twee onderscheiden dorpen, al lagen ze geografisch dicht bij elkaar en ondergingen ze dezelfde overstromingsgeschiedenis. In een van de vele processen tussen Marc Lauwerijn, zoon van Hiëronymus, en het Brugse Vrije werd een lijst gevonden van negen parochies van het ambacht IJzendijke die door de overstroming waren weggeveegd. Daarop staan zowel Sint-Margriete als Roeselare afzonderlijk, dus als twee verschillende parochies.

Elmare en Sint-Nicolaas-in-Vaerne

Van de priorij Elmare en het dorp Sint-Nicolaas-in-Vaerne schoot er na 1375 niet al te veel meer over. Wat ooit een levendig religieus en economisch centrum was, lag verdronken onder water en modder. De kerk verdween, het klooster werd tot puin herleid en de wegen spoelden weg. De mensen die er nog woonden gingen naar de kerk in Sint-Margriete.
 

Volgens latere overlevering zou de molen in 1377 afgebroken zijn, in 1390 gevolgd door de kapel van Elmare. Het nog bruikbare materiaal, hout, stenen, dakpannen, zou naar elders zijn overgebracht, mogelijk per schip naar Ruschevliet, een drukke uithof van de Sint-Pietersabdij bij Oostburg, waar de abdij haar pachten en goederen liet samenkomen.

Na de stormvloeden van 1375 en 1404 verdwenen de proosdij Elmare en het dorp Sint-Nicolaas-in-Vaerne volledig uit het bewoonde landschap. In de bronnen werd er echter nog naar verwezen. Zo schrijft Gottschalk dat het ganse gebied van de parochie Sint-Nicolaas-in-Vaerne met de proosdij Elmare tot het patronaat van Sint-Pieters had behoord en wel tot op den Rousselaer (Novum Rollarium). De ligging wordt in oudere bronnen aangeduid als bi der Helmare in ’t verdroncken land.

Ook het riviertje Elmare bleef in naam voortleven, de oude bedding ervan zou nog lang herkenbaar zijn geweest in de Sint-Jeronimuspolder. Op heden is er in het landschap echter geen spoor meer van te vinden.

Oude wegen herinnerden aan de verdwenen nederzetting. Gottschalk vermeldt dat op geringe afstand van de Roeselareweg zich de Ellemaerweg bevond, die eertijds naar de proosdij Elmare voerde. De naam leefde voort in toponiemen, zelfs toen er van het oorspronkelijke klooster en de kerk geen spoor meer over was. Ook deze wegen bestaan nu niet meer.

Volgende aflevering

bottom of page