top of page

Een scheervlucht over de Sentse dorpen

Aflevering 18

Waterland-Oudeman

We hebben al gezien dat Hiëronymus Lauwerijn, niet ver van waar Sint-Nicolaas-in-Vaerne in 1375 verdronken was, een nieuw dorp uit de modder had getrokken. Hij liet het land opnieuw indijken. Rond 1530 verrees er de eerste kerk van Waterland-Oudeman, gebouwd door Mathias Lauwerijn (zoon van) in samenspraak met de Gentse Sint-Pietersabdij, niet ver van de latere Brandkreek. In zekere zin was ze de opvolger van de verdwenen kerk van Sint-Nicolaas-in-Vaerne. Maar, door de troebele tijden, was het eigenlijk de verkeerde tijd en ook nog eens de verkeerde plaats om een kerk neer te poten. Het kerkje, dat vlak aan het front lag, liep tijdens de oorlogsjaren meermaals serieuze schade op, zonder evenwel volledig verwoest te worden.
 

In de jaren 1570 en 1580 trokken de opstandige geuzen plunderend door de streek. Ook de molen in de huidige Nieuwstraat, die er dus al vóór 1570 moet gestaan hebben, werd door hen met de grond gelijkgemaakt. Hij zou pas veel later opnieuw verrijzen, op de Ferrariskaart van 1775 stond hij vermeld als “Meulen ’t Waterlant”.

18-1 Waterland.png

In 1583 volgde een nieuwe klap, de Staatse troepen zetten grote delen van het land onder water om de Spanjaarden tegen te houden. Daarbij werden dijken doorgestoken en ontstonden nieuwe kreken en geulen, terwijl bestaande waterlopen werden verbreed. Eén van die geulen zou later, in 1622, door de Staatsen worden uitgediept en hier en daar wat rechttrokken, al bleef de loop over de ganse lengte gezien vrij grillig: de Brandkreek, de verdedigingslinie die zowel in Sint-Margriete als in Waterland-Oudeman het landschap doorkliefde. Vanaf 1664 liep de rijksgrens precies in haar bedding.
 

Tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609–1621) werd het oude kerkje, dat aan de noordzijde van die geul lag, de kant die in Staatse handen was, nog wat opgelapt. Maar veel hielp dat niet, want in 1621 begon de oorlog opnieuw. De Staatsen maakten de kreek breder en dieper, en voor de inwoners in het zuiden was er geen doorkomen meer aan.
 

Van een georganiseerde parochie was lange tijd geen sprake meer. Het dorp bleef wel bestaan, maar enkel als een losse groep huizen en boerderijen, zonder echt centrum.
 

Over de grens, in wat later Waterlandkerkje zou worden, kwam in diezelfde periode op Hollands grondgebied een gereformeerde gemeente tot stand. Vanaf wanneer daar precies diensten werden gehouden, weten we niet, maar zeker is dat de katholieken van den Oudeman er niet welkom waren.
 

De Waterlanders zouden in die tijd naar de mis gegaan zijn in een noodkerkje, ingericht in een schuur. Veel weten we er niet van, maar vanaf 1620 was er sprake van een boereschure met een toreken, daarin een klockxen gehangen wierd. Waar die schuur stond is niet meer te achterhalen.

Pas veel later, tussen 1670 en 1672, zou Waterland-Oudeman opnieuw een eigen kerk krijgen, de vierde, als we die van Sint-Nicolaas-in-Vaerne en de boereschure meetellen. Deze keer werd ze opgericht aan de rand van de Hiëronymuspolder, langs wat toen de Hiëronymuspolderdijkstraat heette, nu de Kerkstraat.
 

Even tussendoor, ook op den Oudeman kwam je heksen tegen. En dat verhaal wil ik jullie graag vertellen.
 

We gaan terug naar 1611 en eigenlijk was het allemaal nogal simpel. Je had een man met een zieke vrouw die ook nog eens slechte ogen had. Die man zou zijn vrouw wel eens efkes laten “overlezen” door een rondreizende ketellapper. Die leurder dacht een slag te kunnen slaan en vroeg zijn lief, Digma Dierickx, een meisje van 23 jaar, meid bij het echtpaar in kwestie, om hem een beetje te “helpen”. Die vond er niet beter op dan room te vermengen met kalk en dat aan de ogen van haar bazin te smeren. Dat liep natuurlijk verkeerd af en die madam werd onder helse pijnen stekeblind. De ketellapper verdween met de noorderzon en ons Digma, simpel als ze was, bekende haar misdaad maar zei dat ze moest van haar lief. En om het een beetje aan te dikken vertelde ze erbij dat Maaiken Bonnoit haar geholpen had om de kalk in de room te doen. Nu was die Maaiken Bonnoit zo lelijk als de nacht en lap, aangezien in sprookjes de toverkol ook altijd spuuglelijk is, moest er volgens de inwoners van den Oudeman tovenarij en hekserij in het spel zijn.

De baljuw sloot beide vrouwen op en liet ze meer dan op hun toer langs de folterbank passeren. Natuurlijk bekenden ze beiden een toverheks te zijn. Als ze jou zouden martelen zou je waarschijnlijk ook wel ja zeggen op alles wat ze vroegen.

 

Op het einde van het spel kwam Digma Dierickx op de brandstapel terecht. Maaiken Bonnoit mocht dan lelijk zijn, ze was toch maar mooi zwanger geraakt en ontsnapte zo aan de doodstraf. Hoe ze dat in de gevangenis kon klaarspelen zullen we wel nooit te weten komen.

Watervliet

In Watervliet was het leven, ergens halverwege de 16de eeuw, weer goed op gang gekomen. Rond het grote dorpsplein stonden de kerk, het stadhuis, de pastorij en het Schuttershof van de Sint-Sebastiaansgilde. De dorpsmolen, Binnenmolen, nog opgericht door Lauwerijn, stond op de dijk van de Jeronimuspolder, naast de warande, het jachtgebied van de heer. Later in diezelfde eeuw kwam er een tweede molen bij, maar wanneer exact en waar die precies stond is onduidelijk.

 

Toch bleef de rust niet duren. In 1566 begon de Beeldenstorm en in 1568 brak de Tachtigjarige Oorlog uit. De dorpen in het noorden van het Meetjesland lagen meteen in de vuurlinie. Via de Braakman konden de geuzen diep de polders in trekken. Begin de jaren 1570 werd de pastoor van Watervliet samen met die uit Eeklo en nog wat andere priesters door mannen uit Vlissingen gegijzeld. Kerkjuwelen en liturgische gewaden werden geroofd. Voor 10 pond losgeld kreeg men de voorwerpen terug, die daarna voor alle veiligheid in het kasteel werden bewaard.

 

De Allerheiligenvloed van 1570 richtte vooral in Biervliet zware schade aan. Voor Watervliet bleef de schade beperkt, maar toch moesten de Watervlietenaars meebetalen voor het herstel. Toen ze dit weigerden werden ze veroordeeld tot een boete van duizend gulden. Het was immers dankzij het eiland Biervliet dat Watervliet weinig schade geleden had. Zo bleek nog maar eens hoezeer de dorpen van elkaar afhankelijk waren, vooral dan van hun dijken.

 

Ondertussen werd op de toren van Watervliet bij nacht de wacht gehouden, om te zien of er geen schepen uit Vlissingen opdoken, een sterke vesting van de opstandelingen.

 

Toch bleef het dorp ook in die jaren niet zonder cultuur. Al in 1566 was er een actieve rederijkerskamer. In 1574 werden er dertien zitbanken aangelegd onder de lindebomen van ’t Stee, opgevuld met graszoden, want dat was zachter voor de poep. Daar kon men een klapke doen of naar een rederijkersspel kijken. En in 1577 betaalde de kerk de kosten voor een zedenspel, een teken dat er ondanks alles nog leven in de brouwerij was.

Vanaf 1600 deden de Hollanders verschillende invallen in de Zuidelijke Nederlanden. Zo wou Maurits van Nassau in 1604 Sluis heroveren op de Spanjaarden. Hij kwam daarvoor met een leger van 11.000 man afgemarcheerd en vond er niet beter op dan dat leger in Watervliet te laten kamperen. De Spanjaarden van hun kant lagen met hun leger naast de deur, in Boekhoute. Dagelijks waren er schermutselingen, maar tot een echt treffen kwam het niet.

Toch bleef Watervliet functioneren. Soms werd de mis gelezen en als de katholieke eredienst wegviel, dan kwamen er protestantse predikanten. Tijdens het Twaalfjarig Bestand werd het officieel toegelaten dat protestanten in bepaalde dorpen, waaronder Watervliet, hun eredienst hielden. De katholieke pastoors pruttelden wel wat tegen, maar konden dit toch niet beletten. De predikanten kwamen met hun bijbels onder de arm naar de kerk van Watervliet. Ketters, fluisterden de Watervlietenaren, of riepen het luidop, als ze durfden. Uit die tijd stamt de benaming "Ketterijstraat".
 

Toch hield het dorp stand en zodra de gelegenheid het toeliet, keerden het schuttersgilde, de markt en zelfs de graszodenbanken terug op ‘t Stee.

Volgende aflevering

Liever alles in één keer lezen?

👉 Bestel het boek hier

bottom of page