top of page

Een scheervlucht over de Sentse dorpen

Aflevering 15

V         De Tachtigjarige Oorlog

Inleiding

Tegen het midden van de 16de eeuw lagen de vijf dorpen van Sint-Laureins er weer bij als echte woonkernen. Niet als steden of in de schaduw van kastelen op een heuvel, daar was het landschap te plat en het verleden te nat voor, maar wel als plekken waar weer werd geleefd en gewerkt. De mensen waren teruggekeerd, de polders lagen er goed bij, en de kerktorens staken weer overal bovenuit.

 

Dankzij Hiëronymus Lauwerijn was Watervliet uitgegroeid tot het belangrijkste dorp van de streek. De geplande zeehaven was dan wel een zeepbel gebleken, maar de kerk die Lauwerijn ons naliet was immens, en op het Stee werd er volop handel gedreven. Sint-Laureins groeide langzaam verder, een dorpskern met een kerk die bedevaarders aantrok en buiten de kern, in de straten, had je landbouw en bosbouw. In Sint-Jan-in-Eremo hield men koppig vast aan het oude kerkje in de polder, terwijl het echte leven zich afspeelde in Bentille. Sint-Margriete had zich een eindje verderop rond een nieuwe kerk op de rand van de Sint-Kruispolder gevlijd. En Waterland-Oudeman, de jongste van de bende, lag daar wat kwetsbaar te wezen aan de rand van het droge land.

 

De streek had de stormen overleefd, de echte dan toch. Die met water, modder en wind. Wat de zee had afgenomen, had de mens met veel zwoegen terug heroverd. Nieuwe dijken, nieuwe akkers, soms nieuwe dorpen. De mensen hadden zich aangepast. Ze hadden hun dorpen hersteld, hun kerken herbouwd, hun wegen weer aangelegd.

 

Maar het was niet de natuur die ons de volgende storm zou lappen. Eerst was het een onzichtbare storm, van woorden, overtuigingen, preken en pamfletten. Een storm over wie gelijk had, over wat je moest geloven, over wie God was en wat die wel of niet van je verwachtte. Eerst kwamen de spanningen. Dan de vernielingen. En dan de oorlog.

De beeldenstorm van 1566 ging nog grotendeels aan de Sentse dorpen voorbij. Te klein, te afgelegen, niet waard om te plunderen misschien. Al lag onze streek niet in het centrum van het strijdgewoel, toch kregen de mensen er al gauw mee te maken. Er waren doortrekkende soldaten, voorraden die werden opgeëist en een toenemende onzekerheid over wat ging komen.

 

Naarmate de oorlog vorderde, vonden de strijdende partijen er niets beter op dan dijken door te steken en polders onder water te zetten. Vooral in de jaren 1580 verdween een groot deel van het land opnieuw onder de golven.

 

Dorpen liepen leeg, kerken sloten de deuren, en wie kon, zocht veiliger oorden op. De herwonnen rust was van korte duur gebleken. Wat volgde, was een tijd van dreiging en verzet, van geuzen en Spanjaarden, van godsdiensttwisten en geweld, en van een landschap dat alweer zwaar te lijden had onder de beslissingen van mensen die dachten dat ze het allemaal beter wisten.

Maar laten we bij het begin beginnen. Waar ging die fameuze Tachtigjarige Oorlog nu eigenlijk over?

De opstand breekt uit

De Reformatie, die in 1517 begon met Maarten Luther, leidde tot een splitsing binnen het christendom. Het protestantisme, met zijn verschillende stromingen zoals het calvinisme en het lutheranisme, daagde de macht en invloed van de Rooms-Katholieke Kerk uit. Voorlopig was het nog een ver van ons bed show, maar na de troonsafstand van Karel V ten voordele van zijn zoon Filips II in 1555 begon het overal in de Lage Landen te gisten. Het startte met wat gemopper in achterkamertjes. Nieuwe ideeën over geloof en samenleving waaiden vanuit Genève en Wittenberg naar hier over, en kwamen zo bij de boer en de ambachtsman in onze contreien terecht. Geen verkoop van aflaten, geen biecht meer bij een pastoor, en vooral, weg met de pracht en praal van Rome. Daar werd op markten en in herbergen zwaar over gediscussieerd. En het zou niet bij woorden blijven!
 
Toen in 1566 de beeldenstorm losbarstte, leek het alsof al die opgekropte woede in één keer naar buiten knalde. Kerken werden geplunderd, beelden van hun sokkels getrokken, altaren omvergegooid. In de steden ging het er hevig aan toe. In de Sentse dorpen bleef het nog grotendeels stil, al is het best mogelijk dat ook bij ons hier of daar een heiligenbeeld sneuvelde.
 
De Spaanse reactie liet niet op zich wachten. De beruchte hertog van Alva kwam, en hij kwam niet alleen. Met ijzeren hand nam hij het gezag over, voerde belastingen in die niemand begreep en richtte de beruchte Raad van Beroerten op, de zogenaamde Bloedraad. Geen mens was nog veilig, want die vent zag werkelijk in iedereen een vijandige geus. Folteringen en terechtstellingen waren wettelijk toegelaten. Verklikkingen werden aangemoedigd.

Maar eigenlijk deed die Alva meer kwaad dan goed. In 1568 bleef het niet bij opstootjes. Er brak een echte oorlog uit. Oranje kwam in opstand, geuzen zwierven langs de kusten, en de Nederlanden vielen uit elkaar, in gebieden voor de koning en gebieden voor Oranje. En wie daartussen woonde, had prijs.

 

Voor ons begon de miserie pas echt na 1 april 1572, toen de geuzen Den Briel innamen. Je weet wel van op school: Op den eersten April verloor Alva zijnen bril. Wat begon als een stoutmoedige zet door een groep opstandelingen bleek achteraf een kantelpunt in de oorlog. Plots hadden de watergeuzen een eigen havenstad in handen. Van daaruit begonnen ze systematisch langs de kusten op te rukken, en raakte onze streek almaar meer betrokken bij de oorlog.

 

De streek rond Sint-Laureins lag te ver van de steden om belangrijk te zijn, maar te strategisch om met rust gelaten te worden. We lagen namelijk vlak bij de Westerschelde en pal op de grens met de, voorlopig eenzijdig uitgeroepen, Verenigde Provinciën. En ook al werden hier geen echte veldslagen geleverd, geplunderd werd er wel. En niet alleen door de geuzen! De amper betaalde Spanjaarden bleven niet achter. Het was bij ons dan wel niet zo erg als bijvoorbeeld in Antwerpen, waar tijdens de Spaanse Furie duizenden Antwerpenaren gefolterd en afgeslacht werden, maar het was hier toch ook niet om mee te lachen.

Volgende aflevering

bottom of page