top of page

Een scheervlucht over de Sentse dorpen

Aflevering 14

Watervliet

Na de storm van 1375 was het gedaan met Watervliet. De parochiekerk verdween uit beeld. Over de ligging bestaat onzekerheid, zoals eerder vermeld. Jozef De Paepe situeerde ze bij het Bellekensstraatje, anderen noordelijker richting Biervliet, op later overspoeld terrein.
 

Het Wilhelmietenklooster werd in 1375 ook zwaar beschadigd. De monniken probeerden het nog wat op te kalefateren maar gaven het na de Sint-Elisabethsvloed van 1404 definitief op.
 

Overal stond water, dus moest er ingepolderd worden. Voor iedereen die ergens op een of andere manier fortuin gemaakt had lag hier de kans om grootgrondbezitter te worden voor het grijpen. Ze konden hier hun fortuin omzetten in maatschappelijk prestige door zelf nieuwe dorpen, heerlijkheden en, waarom niet, kleine steden uit de grond te stampen en voortaan als “heer” door het leven te gaan. Vooral de hogere grafelijke ambtenaren zouden deze kans grijpen. Zij waren doorgaans van stedelijke komaf of behoorden tot de lagere adel. Hun portemonnee was in grafelijke dienst sneller gegroeid dan hun maatschappelijk prestige. Hier waren dus mogelijkheden, vooral omdat ze door hun functie een directe toegang hadden tot de graaf.

Een van hen, Hiëronymus Lauwerijn, was dankzij zijn huwelijk met de dochter van een vertrouweling van hertog Maximiliaan van Oostenrijk, van klerk opgeklommen tot zeg maar de Minister van Financiën van Vlaanderen. Hij was samen met de broers de Baenst, twee rijke patsers uit Brugge, begonnen aan de inpoldering van het gebied rond het vroegere Watervliet. Onder andere de Sint-Christoffelpolder, de Sint-Jeronimuspolder, de Laurijnepolder en de Philippinepolder werden bedijkt.
 

Die polders lagen echter allemaal binnen het Brugse Vrije, een uitgestrekt plattelandsdistrict rond Brugge dat rechtstreeks onder het stadsbestuur van Brugge viel. Binnen dat Vrije had niemand zelfstandige stadsrechten, men bestuurde er dorpen en ambachten, maar geen echte stad met een eigen keure. En dat was eigenlijk het doel niet van onze Hiëronymus. Hij wou heer worden van zijn eigen stad!

En daarzie, hij krijgt het voor elkaar om te bewijzen dat de verdwenen vroegere grafelijke heerlijkheid de nieuwe Keure van Watervliet, die ze eind 15de eeuw simpelweg ’s Gravengoed noemden, gesitueerd was tussen het Brugse Vrije en het ambacht Boekhoute. Dus buiten het Brugse Vrije! Lauwerijn zit waar hij wou, hij krijgt een splinternieuwe heerlijkheid in leen onder de oude naam Watervliet, met behoud van alle rechten en vrijheden die het oude Watervliet bezat. Hij kreeg toestemming om een baljuw en schepenen aan te stellen en molens op te richten. Zijn broodje was gebakken.
 

In 1503 krijgt Lauwerijn alle tienden in de door hem bedijkte of binnen de twaalf jaar te bedijken schorren, onder meer met het oog op de belle, grande et somptueuse église van Watervliet waarvan de bouw begonnen was in de Sint-Christoffelpolder. Van aartshertog Filips kreeg hij ook nog eens het patronaatsrecht over de pastoor, de koster en de kapelaans.
 

In 1504 volgde dan een nieuw belangrijk privilege waardoor aan Watervliet stadsrechten werden verleend en zelfs toelating werd gegeven om de stad te omwallen.
 

Hij zou van Watervliet wel eens een havenstad maken die zou kunnen wedijveren met die van Antwerpen, want Antwerpen lag niet in Vlaanderen maar in Brabant. De haven lag aan het Mollekot, toen nog verbonden met de Braakman en de zee. Maar het tij keerde snel, de geulen verzandden, de zee trok zich langzaam terug, en Watervliet verloor zijn verbinding met open water. Zo was de haven geen lang leven beschoren. Lauwerijn probeerde het toen nog met Philippine, maar door de ontdekking van Amerika kregen de schepen steeds grotere diepgang en dat kon Philippine niet aan. Noch Watervliet noch Philippine zouden een wereldhaven worden. Weg Hiëronymus’ droom!

Lauwerijn liet niet alleen een kerk en markt aanleggen, maar ook een molen en een brouwerij, voorzieningen die van Watervliet een plaats met stedelijke allure moesten maken.
 

De inwoners van de heerlijkheid Watervliet, zowat een twintigtal gezinnen, woonden echter niet in het centrum van Watervliet maar in de omliggende polders. Lauwerijn vond er dan niet beter op dan aan de oostkant en de zuidkant van het Stee zelf woningen te laten optrekken, in de hoop dat er toch wat volk rond zijn kerk en zijn kasteel zou komen wonen. Dit marktplein werd zo het kloppende hart van de stad. Dus als de boeren uit de polders naar de kerk kwamen, kwamen ze naar ’t stad, zeg maar naar ’t Stee.
 

Dat kasteel van Hiëronymus was eigenlijk bedoeld als residentie voor zijn oude dag. Hoewel hij de titel van Heer van Watervliet droeg, verbleef hij er nauwelijks. Zijn ambt als thesaurier-generaal hield hem voornamelijk in Mechelen vast, waar hij onder meer een imposant stadspaleis in de Stassartstraat bezat.
 

Hiëronymus maakte het niet meer mee: toen hij in 1509 stierf, was de kerk nog maar halfweg. Pas in 1525 kon men ze inwijden.

Epiloog - Het rommelt in de verte

Tegen het midden van de 16de eeuw leek onze streek er weer helemaal te staan. Sint-Laureins bloeide, Watervliet was heropgebouwd, Sint-Jan hield stand, en nieuwe dorpen als Waterland-Oudeman waren uit het slijk getrokken. Er waren markten, kerken, polderdijken en cijnsregisters, tekenen van orde en vooruitgang.
 

Maar de rust was bedrieglijk.
 

Er waaiden nieuwe ideeën aan uit het noorden en oosten van de Nederlanden, al drongen ze pas langzaam door tot onze uithoek van Vlaanderen. De kronieken zwegen erover, maar sommige pastoors begonnen zich stilaan zorgen te maken.

Boekdrukkunst en rondreizende predikers verspreidden elders de hervormingsgezinde denkbeelden. In onze streek ontbreken directe sporen, maar men vermoedt dat ook hier de eerste kiemen van twijfel wortel schoten.
 

De discussies bleven in het begin beperkt, maar de onrust groeide. In de tweede helft van de 16de eeuw werden overal in Vlaanderen spanningen binnen de Kerk voelbaar. Filips II probeerde de zaak in handen te houden. In 1559 richtte hij het bisdom Brugge op, officieel om de geestelijkheid beter te organiseren, maar in werkelijkheid om haar nauwer onder controle te houden. Dat wekte wantrouwen, zeker in een streek die vasthield aan haar lokale eigenheid en weinig ophad met inmenging van bovenaf.

Volgende aflevering

bottom of page