top of page

Een scheervlucht over de Sentse dorpen

Aflevering 3

Daar komen de abdijen

De graven en gravinnen van Vlaanderen hadden het ook wel in de mot dat hier geld te verdienen viel. Die waren natuurlijk niet van plan om zelf hun handen vuil te maken, maar ze wilden wel graag vriendjes zijn met de Kerk en gaven gronden weg om zieltjes te redden én inkomsten te genereren. De ontginning en inpoldering van onze streek werden van meet af aan gestimuleerd door zowel paters als wereldlijke heren. Onze graven verkochten vanaf de 12de eeuw grote delen van de schorren en moergronden aan invloedrijke abdijen, die over de middelen en mankracht beschikten om deze moeilijke gronden in cultuur te brengen. Zo verwierven de Gentse abdijen van Sint-Baafs en Sint-Pieters al vroeg veel land in de streek. Onder hun beheer werden bestaande verhoogde zandwegen uitgebouwd tot de eerste dijken, om het land te beschermen en verdere turfwinning mogelijk te maken. De abdijen stichtten bovendien lokale kloosters om de ontginning te organiseren.

 

Zo had je rond Waterland-Oudeman de legendarische priorij Elmare, in 1144 gesticht door de Gentse Sint-Pietersabdij. Volgens het legendarische "Van den Vos Reynaerde" zou zelfs Reinaert de Vos himself daar ooit gepasseerd zijn.

Cartoon bij de geschiedenis van Sint-Laureins

En rond 1250 bouwde de Orde van de Wilhelmieten een klooster op een locatie net ten oosten van het huidige Watervliet, tegen de grens met Boekhoute aan. Die werd Onze-Lieve-Vrouw-ter-Woestijne genoemd, een naam die opnieuw verwees naar de woeste (onvruchtbare) grond die zij geschikt wilden maken voor landbouw. Deze kloostergemeenschap combineerde bidden met werken, de monniken legden dijken aan en maakten het veenland vruchtbaar.

En dan komen eindelijk de parochies

Voor die abdijen moest er niet alleen gewerkt worden. De godsdienst diende ook op het voorplan te staan. En zo’n nederzetting met een kapelletje, dat is allemaal goed en wel, maar daar werden op zijn best maar wat schietgebedekes afgehaspeld. Kerkdiensten, biechten, te communie gaan en zo, dat was er niet bij. Daarom werden onze nederzettingen in het moergebied één voor één bevorderd tot parochie met de obligate kerk erbij.

 

Watervliet wordt voor het eerst vermeld in het jaar 976, in een charter van keizer Otto II waarin sprake is van "Ostholta iuxta Waterflit", Oostholt bij Watervliet. Het gaat om een kopie uit de 12de eeuw, waarvan de echtheid niet volledig vaststaat, maar de naam was dus in elk geval toen al in omloop. Het zou een prutsdorpje geweest zijn, een paar hectare groot, opgericht op een kunstmatige verhoging in het veengebied. Een moerdorpje, zoals zovele in de omgeving. Tot in de late 12de eeuw treffen we leden van het geslacht van Watervliet aan, daarna kwam het gebied in handen van de Brugse familie van Praet.

Cartoon bij de geschiedenis van Sint-Laureins

Een paar jaar later kwam ook de nederzetting in de buurt van Elmare aan het venster piepen. Die paters van Sint-Pieters waren daar niet in een verlaten land terecht gekomen. Er moest daar vóór hun komst al wat volk gewoond hebben (turfstekers?), want de Sint-Pietersabdij, dat waren Benedictijnen en die zorgden vooral voor de zielzorg. En als er geen volk was, moest er niet voor de zieltjes gezorgd worden. Rond die priorij, gesticht langsheen het riviertje de Elmare, lag een lap grond, klaar om bewerkt te worden. De monniken konden het hele gebied niet zelf ontginnen en haalden meer volk van buitenaf naar hier, knechten, seizoenarbeiders. Die begonnen zich in de nabijheid van het klooster te vestigen.
 

Al gauw groeide daar een dorp, dat van bij het begin bekend stond als Sint-Nicolaas-in-Vaerne, of in het Latijn, in Averno. Die naam verwijst enerzijds naar een varenbos in de buurt (in Vaerne), maar er zit ook een toespeling in op het Lago d’Averno, het Italiaanse meer dat in de Oudheid gold als toegang tot de hel. Want als Sint-Laureins “in de woestijn” lag en Sint-Jan “in de eenzaamheid”, dan zat je hier toch nog een trapje dieper.
 

In 1229 bouwden ze hier een kerk en voilà, het dorp werd een parochie.
 

En zo komen we aan Roeselare. Niet de stad in West-Vlaanderen, maar het verdwenen dorp dat ooit ten oosten van het huidige Sint-Margriete lag.
 

Naast abdijen speelden ook lokale edellieden en gezagsdragers een rol in de ontginning van het noorden van het graafschap. De bodem van Roeselare bestond echter niet uit rijke moergrond zoals elders. In 1241 kreeg Gozewijn van Roeselare van gravin Johanna van Constantinopel een stuk woeste grond in leen, geen vruchtbare moergrond dus, maar al grotendeels uitgeveend en daardoor moeilijk bruikbaar. Zo’n 170 bunder, of grofweg 510 gemeten. Hij liet het gebied ontginnen en stichtte er een nederzetting die men Nieuw-Roeselare ging noemen.
 

Maar als je denkt dat de abdijen zich de kaas van het brood lieten halen door een Gentenaar, want ondanks zijn naam was onze Gozewijn van Roeselare gewoon een vent van Gent, dan heb je het mis.
 

Rond 1244 duikt er in de bronnen een Sint-Margarethakerk op in Sint-Margriete, opgericht door de Sint-Baafsabdij van Gent. Dat was geen toeval. Dat die kerk op een goede boogscheut lag van de kerk van Nieuw-Roeselare, als je goed kunt schieten dan toch, maakte duidelijk dat de abdij ook nog meespeelde in de streek. Die eerste kerk van Sint-Margriete stond ten noorden van de huidige landsgrens, waar later het Eiland zou komen.

Cartoon bij de geschiedenis van Sint-Laureins

We zijn al met z’n vieren, Watervliet, Sint-Nicolaas-in-Vaerne, Roeselare en Sint-Margriete.

bottom of page