top of page
< Back

Hildes De Swaef

Aflevering 7


Jan Osterman


Deze naam vinden we terug in de oude doop-, trouw- en doodboeken van 1628. Jan Osterman was een kloosterling van de Paters Norbertijnen. Hij werd benoemd voor 15 jaar. In het jaar 1627 heeft deze pastoor het tabernakel geplaatst dat nu achter het hoogaltaar te zien is. Hij plaatste ook de beelden van de 4 evangelisten, de H. Blasius en een laatste avondmaal. Dit alles werd in 1654 achter het huidige altaar geplaatst. Later werden ze weggenomen om plaats te maken voor het beeld van het H. Hart. Op 26 januari 1630 moest de pastoor zijn parochie verlaten. De Geuzen overvielen Sint-Laureins. Op 12 april 1631 kon hij terugkeren. Hij stierf op 30 november 1631 en werd begraven in de kerk. De grafsteen is bij het vernieuwen van de vloer in 1842 uit de kerk verdwenen en aan de ingang geplaatst. Het opschrift is volledig uitgesleten.


Tot in 1629 kwamen de doopsgezinden uit het ambacht Maldegem, Landegem, Lovendegem, Merendree, Nevele, Zomergem, Ursel en Knesselare tezamen in de Biezenpolder tussen Sint-Laureins, Eede en Aardenburg.


De oversten van de geuzen hier waren Adriaan Van Der Straeten uit Sint-Laureins en Lieven Pattijn van Maldegem.


Er werden strenge maatregelen getroffen om de rust onder de inwoners terug te brengen want weinig voelden iets voor de nieuwe leer. Ze werden hierin gesteund door aartshertogin Isabella die toen ons land bestuurde. Ze gaf op 23 juli 1629 een bevel uit aan de Raad van Vlaanderen waardoor aan het magistraat van voorgaande plaatsen de last werd opgedragen de vergaderingen van de wederdopers te beletten. Zij beval het hof om info te laten verzamelen door alle pastoors en baljuws van de gemeenten tussen Gent en Brugge over welke katholieken afvallig waren en hen uit te nodigen voor een geheim verhoor.


Het is echter niet duidelijk welke maatregelen werden getroffen om de bijeenkomsten van de wederdopers te beletten.


Gedurende die tijd moet de taak van pastoor moeilijk geweest zijn want zo goed als alle pastorijen waren verwoest.

 

Petrus Lombaerts (1631-1641)


Deze pastoor kreeg te maken met veel narigheid. De oorlog tussen Nederland en Spanje duurde hevig voort. De protestanten smeedden voortdurend wetten tegen de katholieken. Ze hadden zich meester gemaakt van het noorden van Vlaanderen en wilden het katholicisme uitdoven. De priesters moesten vluchten om aan de dood of de gevangenis te ontsnappen. Zo moest ook pastoor Lombaerts de parochie verlaten op 28 mei 1634. Hij kwam terug op 4 februari 1635. Op 20 februari 1636 moest hij opnieuw op de vlucht. Hij vond toen een schuilplaats in Brugge. Gedurende zijn verblijf in Brugge doopte hij verschillende kinderen van zijn parochianen en zegende hij ook huwelijken in van Sentenaren. Op 1 januari 1639 kon hij terugkeren en werd hij door zijn parochianen zeer hartelijk ontvangen.


Burgemeester, schepenen, kerkmeesters en notabelen hadden de handen in elkaar geslagen om ‘een huys ende camer’ te bouwen voor de pastoor.


België, waar toen nog geen sprake van was, gehoorzaamde sedert 1599 tot 1633 aan aartshertog Albrecht die getrouwd was met Isabella. ‘Nederland’ gehoorzaamde aan Mauritius van Nassau, Prins van Oranje, zoon van Willem de Zwijger, die hier voor veel onrust en miserie heeft gezorgd door zijn opstand tegen de Spanjaarden en zijn steun aan de gereformeerden.


Volgens de kronieken van Vlaanderen waren in die tijd de gevechten zo groot en talrijk dat heel de grens tussen de Schelde en Sluis overspoeld werd met forten. Deze werden opgericht door zowel Nederlanders als Spanjaarden. Deze kronieken vertelden ook dat men 3 jaar voor de vrede van Münster in 1648 geen 800 stappen kon doen op de grens zonder een fort tegen te komen.


In 1601 werd er een gebouwd zowel in Maldegem, als in Adegem en in Sint-Laureins.


Hier werd het fort opgericht op de wijk die we nu kennen als de Kantijne, tegen de grens met Nederland en op 500 m van de kerk. Het Leopoldkanaal was toen nog niet gegraven. Dit fort was goed gelegen en omringd door een brede wal. Een sluis ernaast kon de vijand op afstand houden door het water over de omliggende gronden te sturen. Deze sluis werd later, bij het delven van de vaart afgebroken. De scheepvaart tussen Aardenburg en Sint-Laureins bestond nog tot op deze wijk, het Rabot. Deze naam bleef behouden tot op het einde van de 18de eeuw. Daarna kreeg deze wijk de naam Kantijne naar de herberg die er stond.

 

Tijdens de 80-jarige oorlog werd Sluis 6 keer belegerd. Om nog te zwijgen van alle zeegevechten en veldslagen rond de stad.


Slag bij Sluis

 

Sluis werd in 1578 ingenomen door de Prins van Oranje en heroverd in 1587 door de Prins van Parma aan het hoofd van de Spanjaarden. In 1600 komt Mauritius van Nassau met 1000 schepen in de Braakman, 17500 voetgangers en 2500 ruiters te Philippine en Aardenburg. In 1604 werd Sluis weer ingenomen door Mauritius van Nassau. In 1606 ondernam hertog Albrecht een nieuw beleg maar hij moest opgeven. Na een wapenstilstand van 12 jaar onderging Sluis nog 2 belegeringen in 1621 en in 1626.


Sint-Laureins is er ook niet ongeschonden uitgekomen. De Spaanse legers trokken naar Sluis, de Nederlandse kwamen naar hier. Dat zorgde voor veel onrust, gevaar en plunderingen.


Bij het overlijden van Albrecht en Isabella richtte Frankrijk zijn ogen op de rijke Vlaamse provincies en wilden ze de Spanjaarden vernederen. Richelieu, minister van koning Lodewijk XIII, koning van Frankrijk, verklaarde de oorlog aan Philip IV, koning van Spanje die hier bestuurde. In 1634 sloot Prins van Oranje, Frederick Henricus, een verbond met Frankrijk om zich te wreken tegen de Spanjaarden. Dat liet zich uiteraard ook hier voelen. De gereformeerden werden stouter en smeedden nieuwe wetten. Verschillende pastoors werden gevangen genomen en opgesloten. Sint-Laureins stond weer onder dwang van de Nederlanders. Dat duurde tot 4 februari 1635. De rust duurde precies 1 jaar. Daarna bedreigden nieuwe vervolgingen de vrijheid en het leven van de pastoors. De pastoor van Sint-Laureins zocht een schuilplaats in Brugge. Hij was zo geliefd bij de Sentenaren dat ze zelfs naar Brugge trokken om hun borelingen te laten dopen.


In mei 1640 komt Hendrik van Nassau met 6 regimenten voetvolk en een aantal eskadrons ruiters naar Maldegem. Ze passeren Sint-Laureins en legden er een brug over de Lieve. Aan de overkant gekomen werden ze aangevallen door de Spanjaarden. De Nederlanders sloegen op de vlucht en plunderden en roofden wat ze konden krijgen.


In juni 1644 kwam de Prins van Oranje opnieuw met een leger en sloeg zijn tenten op in onze streek. Ze bleven hier 2 volle jaren. Om zich van levensmiddelen te verzekeren richtte hij een ‘wijkschans’ op aan de brug naar Aardenburg en Sluis, een plaats achter de verdedigingswerken waar het veilig was. Van daaruit moest hij de hele omgeving bewaken. Op 25 juli trok Hendrik met zijn leger over de Gentse vaart. Het jaar nadien keerde hij terug om in Oosteeklo te verzamelen. Het was die maand ontzettend warm. Vanuit Oosteeklo trokken ze verder naar Eeklo, dan naar Sint-Laureins, Adegem en Maldegem. Onderweg sloegen ze hun tenten op in de drie parochies. In Maldegem legerden ze op het uitgestrekte heideveld, in Adegem en Sint-Laureins rond de dorpskern. Ze hadden stro nodig voor hun soldaten en voor hun paarden. Dat vonden ze bij de boeren. Op 2 uur tijd werd al het koren tot aan Eeklo gemaaid. Alle putten met drinkbaar water werden droog gedronken. Op 6 augustus vertrok een deel van het leger uit Maldegem naar Cadzand. De prins trok met de rest door naar Watervliet en IJzendijke. Daar wou hij inschepen maar de wind zat echter tegen en de schepen waren er nog niet. Lang durfde de prins er niet te blijven. Hij vreesde voor zijn leven en voor dat van zijn voetvolk. Hij besloot in de haast op te trekken en langs Sint-Laureins terug te keren naar Maldegem. Daar bleef hij van 9 tot 22 augustus om dan terug te keren naar Oosteeklo. Alles wat nog over was aan vruchten en vee na de vorige doortocht en alles wat een leger kon dienen werd geroofd. Niets bleef over. Men beloofde alle schade te betalen maar helaas, dit gebeurde niet. Sint-Laureins was nog maar eens geruïneerd. Geen enkele pachter kon zijn schuld betalen. De oorlog had nu lang genoeg geduurd. Overal verlangde men naar vrede. Op 30 januari 1648 was het zover. De vrede van Münster werd gesloten.


Vrede van Münster

 

Spanje was vernederd. Nederland zegevierde en behield Zeeuws-Vlaanderen.


Volgens het vredesverdrag was het vanaf nu verboden om langs weerskanten van de grens forten te bouwen en moesten alle verschansingen afgebroken worden. Zo verdween ook het fort op het Rabot of Kantijne.


Niet alle problemen waren opgelost. Tot nu hadden de wateren van Sint-Laureins hun weg gevonden naar de zee langs Sluis. Maar nu waren de Nederlanders weer de baas over de wateren van Vlaanderen. De Schelde en de kanalen van het Sas en het Zwin waren voor scheepvaart gesloten. Het water komende uit Vlaanderen kon niet meer geloosd worden in het Zwin maar zette de gebieden hier onder water als de vijand uit het zuiden Nederland durfde te naderen. Wanneer onze gemeente onder het zeewater werd gezet was de oogst voor 8 jaar verloren.

 

Hubertus van Waesberghe (1641-1653)


Deze pastoor beleefde ook moeilijke tijden tot 1644. In 1648 werd de Vrede van Munster gesloten. In de zomer van 1653 werd hij ziek en hij stierf op 4 oktober van dat jaar.

bottom of page