top of page
< Back

Hildes De Swaef

Aflevering 8


Judocus Blomme (1653-1684-1694)


Judocus Blomme stelde zich onmiddellijk aan het werk om het zijn parochianen naar de zin te maken. In die tijd waren er nog veel zorgen omtrent de bedreiging van de protestanten. Judocus Blomme vond daarop het volgende. Hij stelde zijn parochianen onder de bescherming van Onze-Lieve-Vrouw. Reeds op 15 augustus 1654 stelde hij de Rozenkrans in, een Broederschap. De parochianen getuigen over de ijver van hun pastoor. Acht dagen na de instelling van de broederschap kon men reeds 15 standaards betalen om die in processie te dragen op Onze-Lieve-Heer-Hemelvaart. De pastoor was ook in onderhandeling met Ryckaert-Brouckman, een schrijnwerker van Brugge, voor het maken van een hoogaltaar en communiebank. Terzelfdertijd zijn ook de preekstoel en de biechtstoel gemaakt. De preekstoel is later verhuisd naar de kapel van het Godshuis. De biechtstoel staat nog in de kerk.


Daarna trok pastoor Blomme naar het kapittel van Doornik om er een tiende klok te verkrijgen. Het kapittel gaf negatief advies. Reden? Als men zich op het platteland een communiebank en een preekstoel kon permitteren dan ook een tiende klok.


Het kerkhof was ook een bron van zorgen voor de pastoor. Er was veel om te onderhouden: de haag, de hekken, de wegen en de begraafplaats zelf. Hij wilde graag alles proper en net. Om het kerkhof goed af te sluiten liet Judocus Blomme een brug metselen over de brede waterloop die de Leemweg of Kerkweg scheidde van het kerkhof. Deze brug kwam rechtover de poort van de oude pastorij.


Het kerkhof was in die tijd beplant met notelaars. De opbrengst werd elk jaar openbaar verkocht. In 1688 werden ze verkocht aan de sporredrager van de kerk, Lieven Verleye, voor 17 schillingen. In 1689 was het Lambrecht Vaillant die de oogst kon kopen voor 15 schillingen. Op andere plaatsen stonden lindebomen. Het gras van het kerkhof werd openbaar verpacht. Een voorwaarde was wel: ‘dat men de tingelen moet weren’.



 

In Sint-Laureins leefden in die tijd vrijgevige christenen die de ijver van hun herder graag ondersteunden. Een van hen was Joris Neyt. Door zijn testament van 9 augustus 1657 gaf hij aan de kerk van Sint-Laureins de som van 100 pond voor het betalen van de monstrans en 20 pond voor het altaar van Onze-Lieve-Vrouw. Maar helaas, er was discussie tussen het kerkbestuur en de erfgenamen van Joris Neyt omtrent het betalen van de gift. Komt daar nog bij dat de monstrans zwaarder woog dan afgesproken dus ook duurder was. Na lange onderhandelingen met de erfgenamen en met de goudsmid kwam men op 6 september 1659 eindelijk overeen. Bij het leveren van de monstrans werd een eerste betaling gedaan van 40 pond. In november 1661 betaalde men het laatste deel van 82 pond en 16 schillingen.


Het altaar van de heilige Anna was oud en Judocus Blomme liet er een schilderij voor maken. Een zekere Jan Maes zou dit werk voor zijn rekening nemen. Het oude altaar is verdwenen maar het schilderij bestaat nog.


In 1684 wordt Judocus Blomme 65 jaar en krijgt hij hulp van E.H. Willem De Reu. Judocus Blomme sterft in 1693.


De onrust en problemen in onze streken zijn nog niet voorbij.


De koning van Frankrijk, Lodewijk XIV, was getrouwd met de oudste dochter van de koning van Spanje, Philip IV. Door dit huwelijk dacht hij recht te hebben op onze provinciën. Van 1667 tot 1694 stuurde Frankrijk 7 keer zijn legers naar ‘België’ waar meer dan 30 grote veldslagen plaats hadden. Van januari 1674 tot eind 1675 kwam het ene bevel na het andere om hulpmiddelen, koren, haver en grote sommen geld te leveren aan het leger. Alle gemeenten waren uitgeput. Eeklo ging na 3 brandbrieven vol bedreigingen te rade bij Maldegem en Ursel. Ook deze gemeenten durfden zich niet te onttrekken aan de eisen van de Fransen. De schattingen hielden niet op. Zo kregen ze tot tienmaal toe krijgsbelastingen voorgeschoteld in 1 jaar. En nog was het niet genoeg. Gans het Meetjesland was uitgeput. En wat nog overbleef na de brandbrieven werd leeggeroofd. Huizen en hofsteden werden in brand gestoken.


Tot overmaat van ramp kwam op 5 november 1675 het zeewater de inwoners van het Meetjesland nog eens teisteren. ’s Morgens om 3 uur brak de zeedijk. Het water liep in de polders, brak door de stadsdijken van Middelburg en liet gans onze streek onder water lopen. Nog maar eens… Een tweede vloed ’s avonds om 19 uur vernielde de reeds aangevangen reddingswerken en verergerde de ramp. De dorpskern van Sint-Laureins bleef gelukkig grotendeels gespaard.


Maar daar is het leger van de Prins van Oranje weer. Rond Maldegem bevinden zich wel 36 000 mannen. Verdeeld over 4 korpsen trekken ze naar Deinze, Kortrijk, Diksmuide en Torhout. In Sint-Omaars moeten ze slag leveren tegen de hertog van Orléans. Meer dan 3000 doden aan beide zijden. De hertog bleef er heer en meester. De Prins van Oranje kon in 1677 niets anders doen dan terugkeren. De Fransen bleven niet achter. Overal eisten ze geld en etenswaren. Toen hun legers naderden vluchtten veel Sentenaren naar Brugge en Gent. De kerkmeubelen werden nog maar eens in koffers naar Brugse en Gentse kloosters gebracht. Velen begroeven hun goudwerk en geld in de grond. Sint-Laureins werd een graf. Zomergem en Waarschoot werden in de as gelegd. Ook Eeklo stond in brand. Eind 1683 werd de ganse parochie geplunderd en in brand gestoken.


Tijdens de Grote Alliantie tegen Lodewijk XIV, koning van Frankrijk, werden we opnieuw bedreigd door het Franse leger. De plaatselijke overheden verenigen zich op 29 oktober 1690 om maatregelen te treffen om een nieuwe ramp te voorkomen. Het betalen van een grote som geld werd vastgelegd en aanvaard. De voorwaarden om verlost te zijn van het leger waren groot. Maldegem, Adegem, Sint-Laureins, Kaprijke en Lembeke moesten gedurende 6 weken werken aan de versterkingen in Damme en Sint-Donaas. Daarenboven moesten ze 15 000 riggels (planken, balkjes), 3000 palissaden, 80 000 takkenbossen en 2000 spadewerkers leveren.


Twee jaar later, 12 september 1692, vernieuwden de gemeentelijke overheden dezelfde vraag maar zonder goede uitslag. De Fransen wilden Sluis innemen. Om zich te verdedigen zetten de Nederlanders Vlaanderen opnieuw onder water. De sluizen van Boekhoute werden gesloten en de landerijen in Assenede, Boekhoute en Watervliet liepen onder water en bleven lang onvruchtbaar. De vrede van Rijswijk in 1697 bracht enige maanden rust.


Wie zal beschrijven wat Sint-Laureins in al die jaren geleden heeft. Sinds de invallen van de Fransen was een groot deel van Vlaanderen onbevolkt en de gronden onbewerkt. De armoede was hier zo groot dat zelfs het armbestuur onbekwaam was om aan de behoeftigen de nodige hulp te bieden. De armmeesters zochten hulp bij de pastoor en de kerkmeesters.

Na 1710 werd het hier rustiger en beter. Er kwamen meer mensen wonen, de akkers werden weer bewerkt en de werkman verdiende zijn brood.

 

Willem De Reu (1684-1721)


Willem De Reu had hier in Sint-Laureins waarschijnlijk bloedverwanten maar zijn naam is niet te vinden in de oude doopboeken. Zeker is wel dat hij hier veel land bezat.


Toen Judocus Blomme stierf was de kerk voorzien van alles wat nodig was voor het behoorlijk uitoefenen van de dienst. Maar de oorlogen, overstromingen en ziekte hadden als gevolg dat de netheid en het onderhoud van de kerk te wensen overliet. Zodanig zelfs dat de overheid op dit punt aanmerkingen deed. Willem de Reu deed de kerk witten, de vloer herstellen, de altaren kuisen en het kruis op het kerkhof werd geverfd. Hij liet het kerkhof afsluiten met een haag en plantte 25 notenbomen. Aan de 4 wegen naar de kerk liet hij een hek installeren. Voor de kerkdeur werd een calvarieberg geplaatst waarvan het kruis tijdens de Franse Revolutie omver werd geworpen. In 1703 kocht Willem De Reu een troon met 4 grote en 8 kleine engelen voor het hoogaltaar evenals 4 kandelaars, een kruisbeeld en een wierookvat.


De meimaand werd onder zijn impuls opgeluisterd. Hij versierde de kerk niet alleen met bloemen maar ook met groenten. In 1707 bestelde hij de beelden van de H. Petrus en Paulus en de apostelen Andreas en Jacobus.


In die tijd vreesde men nog altijd het geweld van de gereformeerden. In 1709 betaalde men zelfs officieren met geld van de parochie om de orde te bewaren tijdens processies.


De torenhaan werd verguld en we weten dat er toen ook al een uurwerk op de kerktoren hing want in 1714 werd er immers onderhoud voor aangerekend van 2 pond door Jan Swijnsvoorde.

De Reu heeft in die tijd ook veel kostbare zaken als kelken en kronen ondergebracht in Gent en Brugge om het niet kwijt te raken aan Fransen en Nederlanders. Gedurende 5 jaar werd een koffer met kerkzaken bewaard in het Convent aan de Volderstraat in Gent voor 8 schilling per jaar.


In 1717 was er in Sint-Laureins nog veel armoede. De kerk sprong financieel bij. Pastoor De Reu was terzelfdertijd ook landbouwer, waarschijnlijk uit hobby maar zeker ook uit zelfvoorziening. Hij beploegde zijn eigen land aan de brug van de Kruisstraat aan de Eeklose Watergang. Hij pachtte ook grond die aan de kerk toebehoorde, gelegen aan het zesde begin van de Feyn wateringen. Hij pachtte eveneens het gras van het uitgestrekte kerkhof voor 15 schilling per jaar met de voorwaarde het kerkhof zuiver te houden van ‘tinghelen ende ander onkruyd’.


Pastoor De Reu stierf op 8 juli 1721, 70 jaar oud. Hij werd in de kerk begraven. Op zijn graf kwam een witte marmeren grafsteen. Met het leggen van de nieuwe vloer in 1842 is de steen weggenomen en bewaard onder het oksaal.



 

Jacobus Croes 1721-1733


Jacobus Croes was sedert jaren pastor in Roosebeke toen hij benoemd werd in Sint-Laureins.

Nauwelijks was hij hier of er deed zich in de kerk een ongeval voor. Een stenen boog tussen twee pilaren in het middenkoor naast de preekstoel stuikte in. Dit werd waarschijnlijk veroorzaakt door het afkappen van het onderste deel van diezelfde pilaren.


Van zijn intrede tot zijn dood heeft hij moeten vechten tegen allerhande obstakels. Er was dikwijls geldgebrek, het land kon niet bezaaid worden, de meersen vonden geen pachter. Het gras van het kerkhof werd verwijderd. Deze onzekere periode duurde van 1720 tot 1729. De mensen leefden in grote ellende, men was onbekwaam om het land aan te passen. De overvloed aan water gaf veel problemen. Wanneer het land niet kan bewerkt worden kan er ook geen pacht worden betaald.


Croes stierf op 18 februari 1733 en werd begraven voor het hoogaltaar in de kerk.

bottom of page