Hildes De Swaef
Aflevering 9
Gerardus De Rijcke 1733-1757
De oude kerkrekeningen tussen 1740 en 1763 zijn verdwenen. Bijgevolg kunnen we niet veel vertellen over het bestuur van pastoor De Rijcke.
In juli 1745 kwam een afdeling van het garnizoen van Sluis naar Sint-Margriete om er de dijken door te steken in de grote polder Haantjesgat om zo een deel van Vlaanderen onder water te zetten. Gelukkig werd dit op tijd ontdekt. In Sint-Laureins en Sint-Margriete begon men alarm te kleppen met alle klokken. De boeren namen de wapens en liepen de vijand tegemoet. De Nederlandse ingenieur werd met een aantal soldaten doodgeschoten. Een twintigtal soldaten werd krijgsgevangen genomen en naar Gent gestuurd.
De zee was reeds op vele plaatsen van het lager gelegen land afgescheiden door dijken. De Sint-Janspolder was afgedijkt in 1652, een tweede deel in 1654. De Bentillepolder volgde in 1656, de Beoostereedepolder in 1689 en de Kasteelpolder in 1740. De Capitalendam werd aangelegd in 1788. Hij sneed de Braakman van de Passageulepolder. Datzelfde jaar plaatste men de Bakkersdam. Daardoor werd Oostburg afgesneden van alle verbindingen met het Zwin, de Braakman en de Passegeule. Die verschillende afdijkingen hadden voor gevolg dat er geen scheepvaart meer mogelijk was naar deze gewesten. De vaart van Oostburg bestaat niet meer. Daar waar vroeger schepen voeren heeft men 4 polders aangelegd. Door die verschillende afdijkingen is Sint-Laureins beschut tegen het zeewater. Er was hier rust tot 1780.
Rond 1750 verbeterde de toestand van Sint-Laureins. De landbouw gedijde goed, er was vrede en de schulden namen af.
Gegoede burgers werden weer milder in hun schenkingen. Zo schenkt de heer Bernard Beghijn het tabernakel van het hoogaltaar. Hij liet het schilderen en vergulden door Jan Arijs te Brugge. Hetzelfde jaar schilderde Pieter Beuckels, meester schilder in Brugge, het ‘Vagevuur’.
Pastoor De Rijcke stierf op 17 januari 1757.
Jan De Clercq 1757-1761
Het verblijf van EH De Clercq was zeer kort. Hij werd benoemd in juni 1757 en werd reeds in 1761 pastoor in Koolskamp bij Brugge.
Antoon Glorie 1761-1803
Hij werd geboren in 1727.
Zijn eerste werk in Sint-Laureins was het Broederschap van de Heilige Rozenkrans te doen bloeien. Daarvoor veranderde hij enkele regels of statuten om enkele misbruiken te doen verdwijnen die erin geslopen waren.
In 1775 besloot men om de planken van het plafond van de kerk te vervangen door plafonneerwerk. De planken waren doorboord door wormen en stof begon op het altaar en de eiken banken te vallen. Men begon rond het koor. Daarbij werden de gemetselde ramen naast het altaar van de H. Laurentius en de H. Blasius vervangen door een ijzeren rooster. In 1890 werden de roosters weer verwijderd en vervangen door arduinen ramen. Ook tijdens deze periode werden de armen niet vergeten. Men maakte van elke gelegenheid gebruik om hen iets te bezorgen. Er werden armgelden besproken in verkopingen, in verpachtingen, men plaatste offerblokken in herbergen en in de kerk. De ontvangsten waren aanzienlijk.
In 1785 was er een grote verandering in het dorp. Omdat het kerkhof te groot was werd er besloten om een deel te verpachten voor een periode van 29 jaar. Tot in 1785 had het kerkhof ook gediend als kwekerij van jonge olmen en andere bomen om ze te verkopen of voor eigen gebruik. De bomen op het deel dat zou verpacht worden werden uit de hand verkocht.
Ook het oude kerkportaal werd volledig veranderd. De afgebroken materialen werden verkocht evenals de oude apostelbeelden en oude baldakijns.
In 1785 werden ook stoelen aangekocht voor de kerk die verhuurd werden aan 1 gulden per jaar. Daarvoor stond men recht of knielde men op eiken banken. Het gebruik van een zitstoel in de kerk werd in die tijd tot halverwege de 19de eeuw aanzien als een voorwerp van pracht en hovaardigheid. Er waren eenvoudige rijke mensen die tot in 1867 nooit een stoel hebben willen gebruiken in de kerk. Het aantal stoelen was dan ook zeer beperkt. Men heeft de prijs in 1790 verlaagd naar 14 stuivers per jaar.

Jozef II
In die tijd was Jozef II aan de macht, beter bekend als keizer-koster. Hij bemoeide zich met allerlei details zoals het aantal brandende kaarsen op het altaar en het ontwerp van de priestergewaden. Nauwelijks was de patriottentijd voorbij of de Franse Revolutie liet zich hier voelen. Pastoor Glorie was reeds oud en had een zwakke gezondheid. Het was een tijd van veel onzekerheden. Maar ondanks de vele problemen bleef hij trouw aan zijn overheid en aan God. Hij weigerde de eed af te leggen waarbij hij haat moest zweren aan het koninkrijk en getrouwheid aan de Franse Republiek. Paus Pius VI had deze eed onwettig verklaard. In de loop van 1797 werden lijsten opgemaakt met de namen van priesters die de republikeinse eed hadden afgelegd en welke priesters niet. Deze laatsten zou men opzoeken en gevangen nemen om hen vervolgens naar Ile de Ré of Ile d’Oléron te sturen. Daar wachtten ze op hun beurt om gedeporteerd te worden naar Cayenne in Frans Guyana. De omstandigheden waren er erbarmelijk.
Ook pastoor Glorie werd vervolgd. Het is niet heel duidelijk wat er precies is gebeurd maar zeker is dat hij de parochie heeft verlaten en zich verborgen hield op de Kantijne. Hij wilde zijn parochianen de straf sparen die hen bedreigde indien een verborgen priester werd gevonden. De bewoners van het huis zouden bedreigd worden en hun huis zou in de vlammen opgaan. Wat er ook van waar is, in Sint-Laureins waren verschillende parochianen fransgezind wat het dus gevaarlijk maakte. Meester Looghe, heelmeester en winkelier was aan het hoofd gezet van de gemeente en deed al wat de republiek hem oplegde. De klokken werden uit de toren gehaald, het kruis van de toren afgezaagd en de calvarieberg voor de kerkdeur omvergeworpen. De kerk was gesloten en werd gebruikt als hooischuur.
Op zekere dag kwam de pastoor toch in handen van zijn vervolgers. Maar hoe moesten ze hem naar de gevangenis brengen? Rijtuigen waren er niet, te voet daar was hij te oud voor. Men moest een kar of wagen zoeken. Maar niemand wilde de naam hebben de pastoor naar het gevang gebracht te hebben. De overheid verplichtte boer Lievens uit de Kantijnstraat zijn paard en wagen ter beschikking te stellen om pastoor Glorie weg te brengen. Men voerde hem eerst naar Gent, van daar verder naar Parijs en zo naar Vincennes waar hij samen met nog andere geestelijkheden verbleef. In de gevangenis van Vincennes waren de omstandigheden erbarmelijk. Klagen werd beantwoord met stokslagen en mishandelingen.
Sint-Laureins had nu geen herder meer. De kerk was gesloten en de pastorij werd verhuurd aan de douaniers, de meubelen verkocht.
Op zekere zondagmiddag kwamen kinderen van het dorp bijeen. Ze hadden gehoord over boer Lievens die de pastoor had weggebracht en wilden zijn schuur in brand steken. Ze hadden droog stro en gras tegen de houten schuur gezet en het vuur aangestoken. De buren zagen het op tijd en konden het blussen.
Ondanks alle gevaren vonden nog veel priesters een schuilplaats bij hun onderdanen, onder een valdeur in de kelder, in het hooi in een schuur… In het geheim werden kinderen gedoopt en koppels getrouwd of de mis opgedragen. Zo stond er in Middeldorpe een hofstede. Daar, midden in de bossen in een klein huis werd op grote feestdagen de mis opgedragen. Mensen werden in het geheim uitgenodigd. Het volgende verhaal kwam ons ter ore. In 1800 werd op kerstavond in een kamer van dat huisje de mis opgedragen. Waarschijnlijk door E.H. Welvaert, onderpastoor in Adegem, later in Sint-Laureins en Waterland-Oudeman. Volgens de overleveringen bediende E.H. Welvaert in stilte de sacramenten aan de gelovigen en wist hij aan de republikeinen te ontsnappen. Daar hij klein van gestalte was wist hij eens te ontkomen door zich te verbergen in een wasmand die werd weggedragen door 2 kloeke jongedochters. De gendarmes hadden niets door. Een andere keer verkleedde hij zich als boerenknecht, sprong op de mestwagen en reed zijn vervolgers al fluitend voorbij.
De republikeinen wilden ook alle zondagen en feestdagen afschaffen. Ze wilden de namen van de maanden veranderen. Januari werd nivose, februari = pluviose, maart = ventose, april = germinal, mei = florial, juni = praerial, juli = messidor, augustus = thermidor, september = fructidor, oktober = vendémiaire, november = brumaire en december = primaire. Kwam nog bij dat men niet meer telde met de jaartallen sinds de geboorte van Christus. Men begon een nieuw jaartal sedert 22 september 1792. 22 september 1792 werd 1 vendemiaire van het jaar 1 van de republiek. Deze maand duurde tot 22 oktober en dan volgde 1 brumaire. Weken bestonden uit 10 dagen. Men telde niet meer met maandag, dinsdag, … maar met primodi, secondier, … De tiende dag was de rustdag of decadé. Ja, waarom het moeilijk maken als het ook makkelijk kon.

De dagen Sans-culottides waren dagen van algemene kermis. De namen van de heiligen op de almanak werden vervangen door dieren, planten en werktuigen. De feestdagen waren die van de republiek. Op sommige feestdagen was men verplicht om het driekleurig vaandel uit te steken.
In 1799 was de Franse Revolutie ten einde. Napoleon Bonaparte keerde terug uit Egypte en werd in Parijs glorieus ontvangen. Langzamerhand kwam er enige verbetering in de toestand. Beseffende dat het volk niet zonder godsdienst kan bestaan trachtte Napoleon een eind te stellen aan de vervolgingen. De verplichte feestdag die nationaal werd gevierd op 21 januari, de dag van de onthoofding van Lodewijk XVI, werd afgeschaft. Priesters werden uit de gevangenis vrijgelaten.
Op 15 juli 1801 werd een concordaat getekend tussen Pius VII en Napoleon die eerste consul was geworden van de Franse Republiek. Die overeenkomst werd op 8 april 1802 door de Kamers van Frankrijk aangenomen. Volgens deze overeenkomst werd aan alle priesters die gedeporteerd of gevangen waren de vrijheid geschonken, de vrije uitoefening van de rooms-katholieke godsdienst werd verzekerd. Pastoor Glorie kwam terug naar Sint-Laureins. Hij was oud, uitgemergeld, verdrietig en duidelijk mishandeld. De inwoners waren zeer blij hun herder terug te zien.
Toen men het nieuws kreeg dat de kerk weer open mocht kwam men direct in actie. Op 17 mei 1802 vond de opening plaats onder toeloop van bijna gans de parochie. Men kon de plechtigheid niet aankondigen met de klokken want die waren geroofd. De oude banken waren onmiddellijk allemaal bezet. De oude pastoor trad bevend de kerk binnen. Nooit was het er zo stil. Kinderen van 8 à 10 jaar hadden de kerk nooit open gezien. Ze hadden er enkel over horen vertellen. Niet wetende waar ze moesten zitten verborgen ze zich achter het hoogaltaar. Wanneer het gebed beëindigd was wilde de organist, Constant Van Damme, zijn kunsten op het orgel laten horen. Hij wilde de plechtigheden vieren met het spelen van zijn schoonste stuk. Na alle registers opengetrokken te hebben liet hij het volle geluid van het orgel horen tot grote blijdschap van de volwassenen. Maar ook tot grote schrik van alle kinderen die het orgel nog nooit hadden gehoord. Verborgen achter het hoogaltaar begonnen ze te roepen en te huilen van angst en liepen in alle haast de kerk uit onder het gelach van de volwassenen.
Pastoor Glorie stierf in februari 1803, 76 jaar oud. Hij werd begraven onder de calvarieberg.
Maar het duurde niet lang voor er weer miserie was want Napoleon was in oorlog met gans Europa. De jongelingen werden voortdurend onder de wapens geroepen. Ook onze jonge organist Van Damme werd onder de wapens geroepen. Hij sneuvelde in San Sebastian in Spanje.