Liturgische medewerkers in de kerk
1. de misdienaar.
Ben vorige week de sacristie nog eens binnengewipt, 't was héél lang geleden!
Er was niet veel veranderd, ik rook de typische sacristie-geur en er hing nog steeds een goddelijke rustmakende sfeer die mij als het ware overviel. De lavabo met het doek voor het reinigen der handen, de credens met de paramenten of om het met verstaanbare taal te zeggen de lage kast met de brede smalle laden voor de liturgische kleden, de zware oude deur voor de kluis, zelfs in een hoek de scepter van de baljuw die ik in jaren niet meer gezien had, uiteraard het kruisbeeld, alles was er nog op dezelfde plaats. En toch, het kader met de naam van de bisschop boven de credenstafel was aangepast. Maar wat ik het meeste gemist heb, was bij het binnenkomen na de twee op elkaar volgende ingangsdeuren, onmiddellijk rechts in de hoek, de ingemaakte kast waar wij als misdienaar onze kleren bewaarden! Ik heb er jaren gebruik van gemaakt!
Hier hing onze toga met superplie, het wijd linnen koorhemd dat reikt tot aan de knieën en gedragen wordt over de toog. Dit laatste werd elke week gewassen en in mooie plooien gestreken en we hadden een gewone uitvoering en een mooiere voor de plechtigheden. Er was voor de normale mis een rode toog en voor tijdens de vastenperiode en bij begrafenissen een zwarte toog beiden met witte superplie. Elk had ook een bonnet voor buiten de kerk zoals eventueel bij begravingen.

Bij de gang naar het kerkhof tijdens de begrafenis van Margriet Van De Rostijne in 1943 ziet U hier links vooraan misdienaar P. De Ridder toen wonende vooraan in de Vlamingstraat, later priester en o.a. rector van Mariahove te Bellem; in het midden drager van het kruis Emiel Rombaut toen wonende Dorpsstraat aan de overkant der kerk met zijn moeder die weduwe was, later onderofficier bij het Belgische Leger en o.a. verantwoordelijke voor de keuken van het Munitiedepot in het Leen te Eeklo, en rechts vooraan Arseen Waterloos toen wonende in de Kantijnstraat.
De taken van de misdienaars waren verscheiden: de ciborie of schaal met nog niet geconsacreerde hosties en de kelk worden door hen aan de priester gegeven. Ook zorgen zij voor water en wijn, zodat deze gemengd kunnen worden voorafgaand aan de consecratie en voor water voor de handwassing. Ze beantwoorden de gebeden van de priester, toen nog in het Latijn. Staan de priester bij, bij de communie en bij de offerande en bij verschillende handelingen. Kortom men was steeds in de weer. Voor de mis in de sacristie even buigen voor het kruis, na de viering opnieuw en de priester proficiat wensen. Daarnaast wordt ook de bel geluid bij binnenkomst voor de viering en wordt er gebeld en op de gong geslagen tijdens de consecratie. Ook de wierook en het wierookvat en tevens het wijwatervat met daarin de kwispel vallen onder zijn taken. Eveneens het plechtig binnendragen van kaarsen zoals Paaskaars en Adventskaars en het dragen van het Processiekruis.

Hierboven nogmaals drie vrome knapen van een nog vroegere lichting, U ziet van links naar rechts Arseen Van de Voorde, Arnold Valcke en Julien Van de Fonteyne.
2. de Suisse of Pijke.
De Suisse of pijke, de eerste naam afgeleid van de Pauselijke Zwitserse Wacht en de tweede was de naam die de mensen gaven aan het ceremoniële wapen die hij bij zich droeg, was een burger aangesteld om tijdens de goddelijke diensten de orde te handhaven en die ook buiten de kerk plechtig mee stapte in de processies. Hij zorgde voor de nodige eerbied in Gods huis en van hem werd verwacht dat hij ordeverstoorders en oneerbiedigen tijdens de eredienst indien nodig uit de kerk zou verwijderen, meestal volstond een opmerking, desnoods een duw met het ondereinde van zijn wapen, maar in de meeste gevallen een veelzeggende blik!
Heel vroeger, in de jaren voor de eerste tot nog tussen beide wereldoorlogen was het soms nodig dat de Suisse er de orde inhield. De mensen labeurden hard en veel en ontmoetten mekaar veelal slechts de zondag bij het bijwonen der mis en ook achteraf. Zo bestond in Sente rond 1920 in de kerk wat men noemde "de haverhoek", achteraan langs de mannenkant, waar de boeren stalen van haver en andere veldgewassen keurden, de oogst bespraken, de duivenuitslagen uitwisselden en gretig de laatste nieuwtjes en dorpsroddels becommentarieerden.
Zijn kleding bestond uit een zwartlaken uniform: broek met goudgalon op de zijkanten, mooie lange mantel tot aan de hals gesloten voorzien van koperen en vergulde knopen en op het hoofd een steek afgeboord met goudgalon. Over de rechterschouder een bandelier met opschrift "POLITIE" of "EERBIED" en symbolisch gewapend met een hellebaard als teken van zijn gezag.

In Sente had men zoals U kunt zien twee uitrustingen één voor gewone diensten en één voor solemnele diensten en voor op feestdagen. Zijn taak bestond er ook in de priester te gaan ophalen en hem na de mis weer voor te gaan naar de sacristie. Als alles rustig was stapte de pijke kalm rond in de gangen van midden- en zijbeuken van de kerk soms de ruststand innemend, plechtstatig met het gezicht in een ernstige plooi en tijdens de consecratie salueerde hij staande in het middenpad der kerk.
Maar werd de orde verstoord of werd het te luidruchtig schoot de pijke in actie en stevende resoluut af op de plaats van het gebeuren. Maar meestal was zijn preventieve aanwezigheid voldoende om de rust te handhaven, alhoewel in het uiterste geval werd de ordeverstoorder desnoods buiten gestoken!
Begin 1900, ten tijde van pastoor Van Havermaet, was Louis Baute suisse, opgevolgd door Kamiel Versyp, en in 1954 door Gentiel Temmerman, waarna in 1959 Georges De Smet wordt aangesteld als suisse. Hierna krijgen we dan de laatste pijke van Sente, Lucien Snebbaut, die er de brui aan geeft, als die rond 1970-71 naar Knokke verhuist. Hierbij is ook dit kerkelijk ambt uit de geschiedenis verdwenen en werd het kostuum, uitzonderlijk nog slechts twee maal gedragen door Cyriel Buysse, de grafmaker, en dit ter gelegenheid van de viering van twee eeuwelingen.
3. de baljuw.

Kijk, wie piept daar kinderen……?
Met een knipoog naar het aloude sinterklaasliedje zijn we aanbeland bij Octaaf Valcke. Het is inderdaad Octaaf Valcke welke als “Kerkbaljuw” een oogje hield op zijn kudde misdienaars zodat die het niet te bont maakten.
Bij de misdienaars zie je van links naar rechts Michael Valcke, Ivan Vlerick, Raymond Strymes, Bertrand De Geeter, Guido Debbaut en Antoine Goossens.
Wie herinnert zich niet Octaaf welke bij alle erediensten plechtstatig in lange zwarte rok en met zijn lange zwarte scepter op de schouder met bovenaan een zilveren beeldje van de H. Laurentius, als teken van zijn waardigheid, mee voortschreed bij alle processies of andere godsdienstige plechtigheden. Octaaf ging niet alleen de tuin der onderpastoors aanleggen en onderhouden, hij hielp ook de eerwaarde heren en de koster bij het klaarleggen van de gewaden en de zorg en het onderhoud van allerlei attributen gebruikt bij de goddelijke diensten. Sente had toen nog een pastoor en twee onderpastoors en zo nu en dan kwam een priester of pater van Sentse origine op vakantie of bezoek bij familie, die bij die gelegenheid dankbaar gebruik maakten van de kerk voor hun dagelijkse mis. Octaaf zorgde ook voor de goede gang van zaken bij het jonge volkje van de misdienaars. Zo was het de gewoonte dat bij een huwelijksmis heel de cast van het gebeuren een erehaag vormde achteraan de kerk onder het oksaal toen de bruiloftsstoet bij het einde der plechtigheid naar buiten schreed. De onderliggende bedoeling was een centje mee te pikken van de in feeststemming verkerende bende huwelijksvierders. In hun euforie lukte dat meestal vrij goed, alhoewel moet toegegeven, hoe hoger de trouwers in aanzien stonden, hoe vrekkiger soms hun edelmoedigheid, het was bij de meest gewone stervelingen dat de oogst meestal het grootst was. Niet iedereen van de misdienaars, soms 4 soms 6, kreeg steeds evenveel en het was dan de taak van Octaaf om alles samen te leggen en netjes te verdelen zodat iedereen dan toch evenveel had, hij heeft dit steeds nauwlettend en plichtsvol gedaan. Als chef-misdienaar ben ik zo op verschillende van die missies bij hem thuis geweest op de hoek van de Dorpsstraat, vroeger Brieversweg genoemd, en ’t Nieuwbedelf in de volksmond “Suikerstraatje” of “Strontstraatje” geheten, om onze fooien af te halen en verder te verdelen.
Hiermee hebt U tevens een overzicht gehad van de taken van de kerkbaljuw, een soort ceremoniemeester die samen met de koster zorgde voor het gereedmaken van de altaartafel en een oogje in het zeil hield bij het goede verloop der diensten en op de waardige houding der misdienaars. Heel wat kerkbaljuws zijn ondertussen de revue gepasseerd. Onder pastoor Van Waesberghe (1641-1653) was Lieven Verleye baljuw in de kerk, daarna in 1700 Lieven Versluys en in 1707 Jacques Van Dorpe. In 1723 Pieter Dossche en van 1730 tot 1777 Laurentius De Kien. Onder pastoor Glorie (1761-1803) wordt Pieter Van de Weghe kerkbaljuw. Na het schrikbewind tijdens de Franse Republiek blijft onder pastoor De Vleeschauwer (1803-1804) Pieter Van de Weghe kerkbaljuw tot hij overlijdt op 01.05.1804 en wordt opgevolgd door Dominicus De Sauter. Dan wordt de zoon van koster Filip Borgonjon en Maria Jacoba Perck, Augustin gehuwd met Anna Catherina Goossens kerkbaljuw tot op het einde van zijn leven en wordt in 1833 opgevolgd door zijn zoon Jan, bijgenaamd "Jantje Kosters".
Op maandag 10 juni1895 werd te Sint-Laureins het jubileum gevierd van Jantje Borgonjon die het ambt in dienst van de kerk reeds 62 jaar uitoefende. De zondagavond bracht het muziek hem een serenade en de maandag werd hij plechtig aan zijn woning afgehaald door de 2 pijken of suissen en met de muziek op kop trok men naar de kerk waar om 9 uur een solemnele mis werd opgedragen en waar pastoor De Swaef in zijn sermoen benadrukte dat het al sinds mensenheugenis was dat de familie Borgonjon de kerkbaljuws leverde. De feestelijkheden duurden verder de ganse dag en werden besloten met de vrome wens binnen 13 jaar het diamanten jubilee van Jantje te vieren!
In het begin der 20e eeuw, ten tijde van pastoor Van Havermaet, werd het ambt van baljuw uitgeoefend door Ferdinand Eeckhout, die in 1934 onder pastoor Verhulst wordt vervangen door Octaaf Valcke, die dan ten slotte ontslag neemt als kerkbaljuw in 1962.
4. de hontslaeger
In de middeleeuwen had elke parochie wel een hondenslager om tijdens de goddelijke diensten de honden uit de kerk te houden. Zo ook in Sint-Laureins waar hij voor het verlenen van deze dienst een jaarlijkse beloning van 3 pond groot ontving. In de kerkrekening van 1721 staat vermeld: "Item aen Jacob Van Dorpe drij pondt gr. over een jaer pensioen van 't weiren de honden ende andere ghedierten uyt de kercke."
Er werd niet alleen veel gebruik gemaakt van een hondenkar als vervoermiddel, maar in die vaak onveilige tijden was het niet ongewoon dat kerkgangers uit ver afgelegen eenzame boerderijen van de uitkanten van de parochie hun hond meenamen bij hun voettocht naar de kerk om de baanstropers of allerlei ander gespuis of de toen nog veel voorkomende wolven van het lijf te helpen houden.
De dieren kregen vanzelfsprekend geen toegang tot de kerk en werden aan de toegangsdeur achtergelaten. Het gebeurde wel eens dat een trouw dier zijn meester volgde tot in de kerk, ook was het niet te verwonderen dat bij koud of regenachtig weer de honden de kerk binnengesmokkeld werden door hun baasje. Uitgerust met een stok of soms een zweep hield de hondenslager bij het binnenkomen der gelovigen de honden buiten de kerk, en was er eentje aan zijn aandacht ontsnapt werd die met de stok uit het kerkgebouw verdreven of bij het nekvel jankend naar buiten gesleept.
Buiten dit werk waren zijn taken veel gevarieerder, ook werd hem gevraagd het jonge volkje en de jongelingen die het te bont zouden maken in toom te houden en bovenop kreeg hij ook heel wat andere klusjes op te knappen.
Toen de tijden veiliger werden en de zeden veranderden bleef de "hondenslager" verder in dienst maar de naam verdween. Hij werd gaandeweg vervangen door twee andere liturgische medewerkers, de kerkbaljuw die dichter bij de misviering stond en de Suisse of pijke wiens functie meer gericht was op de algemene ordehandhaving in de kerk. Het ambt van baljuw bestond veel vroeger dan dit van "Suisse" dat slechts ontstaan is einde 19e eeuw naar analogie met de pauselijke Zwitserse garde.
