top of page
< Back

Scheervlucht.
Aflevering 24

Watervliet


Toen in 1648 de Vrede van Münster werd getekend was Watervliet veranderd. De bloeiende polderstad van weleer, opgericht door Hieronymus Lauwerijn, had stormen, oorlogen en overstromingen overleefd, maar was haar grootse ambities kwijt.


Watervliet had iets wat veel dorpen in de streek misten: een écht dorpsplein. Het Stee vormde het levendige hart van het dorp, met huizen, herbergen en marktkramers. Daar stond ook de monumentale dorpspomp, waar volgens de overlevering het paard van Napoleon nog water uit zou gedronken hebben. Al lopen we hier een eeuw op de feiten vooruit, de Fransen zijn nog lang niet in zicht.



Herbergen en markten


Van die herbergen springen er toch twee bovenuit. Ten eerste hadden we de afspanning In Den Gouden Appel op de hoek van het Stee en de Calusstraat. Die werd al in de archieven teruggevonden in de eerste helft van de 17de eeuw maar wellicht bestond ze al in de 16de eeuw. De naam is al die jaren onveranderd gebleven. Tot in 1700 was ze eigendom van de kerk. Daar woonde namelijk ook de onderpastoor (in de volksmond de tweede pastoor genoemd), wat niet wou zeggen dat de kapelanie een herberg was, noch de onderpastoor een waard. Maar ’t bleef toch komiek.


Een tweede herberg op het Stee was De Witte Leeuw, die zeker al in het begin van de 18de eeuw bestond. Hij was altijd een van de grote herbergen van het dorp.


Sinds 1504 bezat het heropgerichte Watervliet opnieuw marktrecht, verleend door Filips de Schone. Elke dinsdag werd er markt gehouden, vooral in boter, kaas en vee.


De kerk


Op 10 maart 1757 werd de kerk van Watervliet geteisterd door een grote brand. De oorzaak van de brand ligt ergens in de nevelen van de tijd verscholen. De Watervlietenaars deden wat ze konden om de brand te blussen. Zelfs uit IJzendijke was er hulp gekomen. Hollanders die kwamen helpen, de tijden waren inderdaad al heel veel veranderd. De herbergiers kregen geld van de parochie om kosteloos bier en wijn te schenken aan de helpers. Ook die van IJzendijke werden niet vergeten.


In 1759 was de kathedraal van het noorden weer picobello in orde.


Watervliet was trots op zijn monumentale kerk. De Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaartkerk, waarvan de bouw begon rond 1500, overleefde de Tachtigjarige Oorlog. Beschadigd maar niet verwoest. In de 18de eeuw onderging het gebouw verschillende herstellingen, nieuwe altaren, nieuwe biechtstoelen en verfraaiingen. De hoge toren bleef een herkenningspunt voor de boeren in de omtrek.


Het Schepenhuis en de vierschaar


Toen Hieronymus Lauwerijn zijn Watervliet stichtte, woonden de mensen in de omliggende polders. Om wat volk naar het dorp zelf te krijgen begon hij, naast de kerk en het kasteel, huizen te bouwen rond het dorpsplein dat later het Stee zou worden. Aan de zuidkant van het Stee liet hij het Schepenhuis oprichten, links ervan woonde de griffier en rechts had je het Steen, de gevangenis van de vierschaar (de rechtbank in de middeleeuwen), waar ook de schout woonde. De dubbele poort die je vandaag rechts van het gemeentehuis ziet was de ingang van het Steen.



Dat was ondertussen allemaal al redelijk versleten en zo bouwde men in 1781 het huidige gemeentehuis op de plaats van het vroegere Schepenhuis. Watervliet zou natuurlijk Watervliet niet zijn, mochten ze het niet steeds hebben over ons stadhuis. Geen mens die het gebouw gemeentehuis noemde.


Franse tijd


Tijdens de Franse Tijd (1794–1814) werd Watervliet opgenomen in het Franse bestuurssysteem. Het dorp kreeg een maire (burgemeester) en gemeenteraad en werd ingedeeld volgens de nieuwe arrondissement- en kantonstructuur. De Fransen benoemden Reinier Grégoire Dubosch tot burgemeester. Hij was daarnaast Commissaris van de Uitvoerende Macht in het Scheldedepartement en deed erg zijn best om de Beloken Tijd zo donker mogelijk te houden. Dubosch’ strenge optreden paste in een tijd van groeiende onrust: overal in de streek broeide het verzet. In dorpen als Overmere sloeg de vlam zelfs in de pan, de Boerenkrijg was het gevolg.

De Franse overheid voerde nieuwe belastingen in en hief militaire lasten. Jongemannen uit het dorp werden door de dienstplicht ingelijfd in het leger van Napoleon. In religieus opzicht moesten priesters de eed van trouw aan de Republiek afleggen; weigeraars werden vervolgd of doken onder.


Kerkelijke bezittingen, waaronder gronden en gebouwen van religieuze instellingen, werden aangeslagen als nationale goederen en openbaar verkocht. De verkoop gebeurde volgens Franse wetgeving, waarbij eigendommen in kavels werden verdeeld en geveild. De opbrengst kwam ten goede aan de Franse staat en niet aan de plaatselijke gemeenschap. Deze transacties hadden blijvende gevolgen voor de verdeling van het grondbezit in Watervliet. Zo werden de goederen van de Schuttersgilde verkocht als nationaal goed, zeg maar zwart goed.



Hoewel Watervliet sinds 1504 over een keure met stedelijke voorrechten beschikte, heeft het in werkelijkheid nooit als volwaardige stad gefungeerd. Het bleef een landelijke gemeenschap met slechts beperkt gebruik van die stedelijke rechten. Met de invoering van het Franse bestuur in 1794 werden alle oude stadsrechten afgeschaft en viel ook Watervliet definitief terug tot een gewone gemeente.


Ten slotte werden de traditionele Vlaamse maten en gewichten afgeschaft en vervangen door het metrieke stelsel.


In 1812 maakte de onderprefect van het IVe Arrondissement een eind aan de wekelijkse markt in Watervliet. Het dorp lag volgens hem te dicht bij Eeklo, beter één sterke markt dan twee zwakke. Met die beslissing werd een traditie van meer dan drie eeuwen zomaar weggeveegd. Sinds 1504 hadden de Watervlietse marktdagen het dorpsplein gevuld met geroep, gelach en handel, en nu bleef er plots stilte achter. De Watervlietenaars konden er niet mee lachen. Op ’t Stee stonden nog de drie arduinen boterbanken uit 1788. Boerinnen bleven er hun eigengemaakte boter uitstallen, en ook bij de herbergen werd nog wel wat verhandeld. Maar het stelde niet veel meer voor, slechts een schim van wat het ooit geweest was.


Hollandse tijd


Na de val van Napoleon in 1815 werd Watervliet deel van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Het Franse bestuursmodel bleef grotendeels behouden, de functie van maire werd voortgezet onder de naam burgemeester, bijgestaan door een gemeenteraad.


De kerkelijke organisatie kreeg opnieuw meer bewegingsvrijheid. Priesters konden weer openlijk functioneren en de parochie kon haar activiteiten hervatten.


Economisch kwam er geleidelijk herstel in landbouw en handel, al verliep dat traag. Inwoners bleven klagen over hoge belastingen. Er werden plannen opgesteld voor verbeteringen in dijken en wegen, met het oog op bescherming tegen overstromingen en betere verbindingen.


Wat nu zou beschermd worden als erfgoed werd in die tijd zo maar om zeep geholpen, het aloude Hof van Plaisance, het kasteel van Hiëronymus Lauwerijn, werd in 1828 afgebroken. Alleen de stallingen bleven bestaan.



Tegen het einde van het Hollands Tijdvak waren de politieke en religieuze spanningen tussen het katholieke zuiden en het protestantse noorden ook in Watervliet merkbaar. Deze tegenstellingen zouden bijdragen tot de gebeurtenissen van 1830, toen België zich afscheidde van Nederland.

bottom of page