top of page
< Back

Scheervlucht - Aflevering 25

VII    De Belgische Opstand


De toestand in het Meetjesland vóór de opstand


In 1815 verlangden de Zuidelijke Nederlanden niet naar onafhankelijkheid. Hadden ze trouwens nog nooit gekend. Dat ze zich amper 15 jaar later toch afscheurden heeft veel te maken met de figuur Willem I. In minder dan geen tijd joeg de koning zowel katholieken als liberalen en Franstaligen tegen zich in het harnas. Willem I (1772–1843), bijgenaamd de Koopman-Koning, was koning van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Hij wilde van België en Nederland één sterk land maken, maar zijn autoritaire stijl en religieuze inmenging stuitten vooral in het zuiden op weerstand.


Alhoewel in het Meetjesland niet iedereen tevreden was over Koning Willem, toch mocht de bevolking niet echt klagen. Handel en nijverheid bloeiden, het onderwijs was goed georganiseerd, de armoede werd, zij het langzaam, teruggedrongen, bedelaars verdwenen uit het straatbeeld. Toch was het hier geen luilekkerland. In de steden was er veel werkloosheid, op het platteland was de armoede niet volledig weg en vanop de preekstoel trokken de pastoors van leer tegen het religieuze beleid van de Nederlandse koning.



Want ja, we waren Nederland hé. Al sinds 1815 zaten we vast aan koning Willem I, de autoritaire stijfkop uit Den Haag die dacht dat ze in Vlaanderen wel Hollands zouden leren, om het nog niet over de Walen te hebben. Ook in onze streken leefden orangisten en hun tegenstanders naast elkaar. Soms werd er al eens wat boel gemaakt, vooral met een pint te veel op, maar meestal gunden ze elkaar het licht in de ogen wel.


Het begin van de opstand

Het begon in Brussel met de opera De Stomme van Portici, een Franse opera van Auber over een opstand in Napels. Het was 25 augustus 1830. In de Koninklijke Schouwburg, nu de Muntschouwburg, hief tenor Lafeuillade het duet Amour Sacré de la Patrie aan. De zaal werd zot en zong uit volle borst mee. Gevolgd door Aux armes, aux armes! In ’t Frans vaneigens.



Na de voorstelling werd “Vive la liberté” geschreeuwd. Een paar heethoofden begonnen huizen te plunderen, er is in Brussel blijkbaar nog niet veel veranderd, en vooral de wijnkelders werden geviseerd. Er werd geschoten, snaphaenschoten, en er vielen doden.


’t Was opvallend dat het vooral Franstaligen waren die in opstand kwamen. In het Vlaamse platteland en in veel Vlaamse steden bleef het vooreerst rustig. Voor het grootste deel van de Vlaamse bevolking bood het bewind van Willem I weinig directe aanleiding tot protest: er kwamen nieuwe wegen, scholen en kanalen, en de economie draaide beter dan voordien.


Het verzet groeide vooral binnen de hogere burgerij, ook in Vlaanderen zelf, waar die elite in grote mate Franstalig was en het bestuur domineerde. Net die groep voelde zich rechtstreeks geraakt door de taalpolitiek van Willem I. Het Hollands werd in Vlaanderen verplicht als bestuurstaal, terwijl in Wallonië het Frans gewoon bleef gelden. Daardoor werd niet het volk, maar wel een gevestigde Franstalige bestuurslaag in haar positie en prestige getroffen.


Dat verklaart waarom de opstand in Brussel uitbrak. Hoewel de gewone bevolking er nog grotendeels Nederlands sprak, was de stad het politieke en culturele centrum van die Franstalige burgerij en vormde zij het natuurlijke toneel voor het openlijke verzet.


Tegelijk kwam ook de Kerk in verzet, niet om taalkundige redenen, maar omdat zij botste met een protestantse koning die zich nadrukkelijk mengde in het onderwijs en in kerkelijke benoemingen.


Het was vooral de starre houding van koning Willem I en het opgeblazen eenheidsgevoel in het Noorden die de spanningen deden escaleren. Binnen enkele maanden leek de afscheiding onafwendbaar.


Reacties in het Meetjesland


Het bleef eerst beperkt tot de steden. Op het platteland ging het er heel wat rustiger aan toe. In sommige gemeenten was het alsof er geen omwenteling was geweest, in andere daarentegen werd het heftiger. In de grotere gemeenten rondom ons, Eeklo en Maldegem, kreeg de revolutie meer voet aan de grond. Daar woonde meer Franstalig of verfranst volk, notarissen, onderwijzers en ambtenaren, en die hadden meer voeling met de Brusselse gebeurtenissen. Er gingen petities rond tegen het Hollands bestuur en voor de Belgische onafhankelijkheid. Maar de Oranjegezinden beten van zich af en op café werd er meer dan één vechtpartijtje geknokt. Het verhaal ging dat de nieuwe Belgische driekleur, zwart, geel en rood, eerder in Maldegem dan in Brussel hing te wapperen. Wat achteraf niet bleek te kloppen maar het geeft wel de lokale sfeer van toen weer.



Zeeuws-Vlaanderen en de grensstreek


In Zeeuws-Vlaanderen werd met gemengde gevoelens tegen een eventuele scheiding aangekeken. Zeeuws-Vlaanderen was grotendeels katholiek, maar bestuur en leger waren overwegend protestants en orangistisch. Veel katholieke Zeeuws-Vlamingen zagen aansluiting bij België liever dan trouw aan Den Haag. Hoe dichter bij de grens, hoe Belgisch gezinder de bevolking was. In Eede bijvoorbeeld waren alleen de burgemeester en de veldwachter Hollandsgezind. Onder invloed van kranten, maar vooral van de geestelijkheid begon de publieke opinie zich hoe langer hoe meer onafhankelijk, en dus Belgisch, te voelen en te gedragen. De kranten en pamfletten werden luidop voorgelezen in de cafés en hitsten zo de bevolking nog meer op. Eerst was er vanuit Den Haag maar weinig belangstelling voor het gebied over de Schelde. Maar dat zou veranderen.


De leuzen tegen Willem I

Overal dook de leuze met de drie W’s op de muren:


Wij willen Willem weg

Wil Willem wijzer worden

Wij willen Willem weer


In Maldegem, in Eeklo, wie weet zelfs op een staldeur in Sint-Jan werd die slogan gekalkt. Ook in het noorden van het Meetjesland voelde men dat er iets broeide. De Sentse gemeenten lagen nog maar eens aan het front.


Invallen over en weer


De gazetten stonden vol met berichten over invallen van Belgische troepen in Zeeuws-Vlaanderen en van Hollandse troepen in Belgisch Vlaanderen. Maar de Belgen vonden Joseph Ledel, je weet wel, die zijn naam gaf aan de bioscoop in Oostburg, op hun pad. Ledel was een Nederlandse kolonel die niet uit eigen beweging, maar op uitdrukkelijk verzoek van de protestantse minderheid naar Zeeuws-Vlaanderen werd gehaald. Zij hadden schrik dat de katholieke meerderheid er voor België zou kiezen en riepen daarom Ledel te hulp, en ze kregen hem ook. Met zijn harde optreden en overstromingsstrategie wist hij het gebied inderdaad bij Nederland te houden. Alleen, bij de katholieke bevolking was hij bijzonder impopulair. In oktober 1830 vielen de Belgen Zeeuws-Vlaanderen binnen, maar werden er door Ledel weer uitgegooid. Van de weeromstuit vielen de Hollanders dan Maldegem aan, mét een kanon. Allé, het was een plezier om hier te wonen. En dat was nog maar het voorspel. 


De Belgische troepen werden in onze streek aangevoerd door een zekere Grégoire, een avonturier eerste klas. En ook niet van de slimste. Nadat hij met zijn groepje rebellen, waarschijnlijk niet meer dan een man of zeventig, de dorpen en steden in onze streek aan de kant van het voorlopig bestuur in Brussel probeerde te krijgen, veroverde hij Aardenburg, graaide maar meteen de gemeentekas mee en legde de stad een krijgsbelasting van 800 gulden op. In de omgeving plunderden zijn soldaten de boerderijen. Ja, als je de Zeeuws-Vlamingen warm wou maken voor de Belgische zaak, moest je zoiets zeker doen. Den uil!



Op het eind werden de Belgen nog maar eens buiten gegooid. Als ze opnieuw Zeeuws-Vlaanderen wilden aanvallen dreigde Ledel om de sluis van de Kapitale Dam, niet ver van Biervliet, op te blazen en alles onder water te zetten. Ja, daar waren de Hollanders goed in, dat hadden we al mogen ondervinden.


Nieuwe besturen en groeiende onrust


Na een paar woelige maanden was de scheiding tussen de noordelijke en de zuidelijke Nederlanden een onomkeerbaar feit. De scheiding leek definitief. Er werden nieuwe gemeenteraden verkozen, zonder orangisten. In Sint-Jan werd molenaar Henry Baeyens burgemeester. In Sint-Laureins bleef Jacobus Vercraeye aan als burgemeester, een functie die hij al sinds 1808 bekleedde.



Het bleef echter onrustig aan de grens en de incidenten volgden elkaar in snel tempo op. Nog chance dat Ledel zich niet op Belgische bodem waagde, of we waren misschien ook Hollanders.

Het waren chaotische toestanden, de provocaties aan beide zijden waren talrijk. De bewoners van het gebied waren economisch afhankelijk van mekaar en toch was er haat tussen prostestanten en katholieken.


De confrontatie op het Hontseinde


Op het Hontseinde, een gehucht op de rand van België en Nederland, amper een kwartier van Sint-Kruis, waar Hollandse soldaten zaten, kwam het in februari 1831 tot een gewelddadige confrontatie. Op een donkere avond rond negen uur viel een Hollandse patrouille een boerderij binnen, waar enkele Belgische soldaten vredig zaten te eten. De aanval was brutaal, er werd geschoten, één soldaat, een zekere Verschaeve, bezweek in de armen van de boer.

bottom of page