Scheervlucht - Aflevering 26
De Tiendaagse Veldtocht
Getriggerd door de eedaflegging van Leopold I als koning op 21 juli 1831, wou Willem I met een groot leger de Belgische opstand onderdrukken. Op 1 augustus 1831 begon hij aan zijn fameuze Tiendaagse Veldtocht, een laatste poging om het opstandige België weer onder de Hollandse kroon te brengen. En in het noorden van het Meetjesland had dat z’n gevolgen.

Kolonel Ledel, de doorwinterde Nederlandse officier uit Den Haag, verbleef in die dagen in Oostburg. Toen hij hoorde van de plannen van koning Willem, trok hij naar IJzendijke voor overleg. Het plan? Een aanval op de Kapitale Dam. Daar zaten nog Belgen in de grensstreek tussen Biervliet en de Belgische polders. En Willem wou koste wat kost Zeeuws-Vlaanderen bij Nederland houden.
Die dam had grote afvoersluizen waarmee je, als je ze op het juiste moment openzette, in geen tijd hele stukken land blank kon zetten En precies dáár lagen op dat moment Belgische soldaten gelegerd, in en rond het zogeheten Witte Huis en de Clarapoldersluis.
Wat daarna gebeurde, ging snel.
Omdat hij wist dat de soldaten die in Zeeuws-Vlaanderen gelegerd lagen bijna allemaal uit het Zuiden kwamen, en dus waarschijnlijk niet zouden vechten, had Ledel hele milities uit het midden en het noorden van Nederland laten overkomen. De lepe vos. De Nederlanders vielen onverwacht aan. De Belgische verdediging werd overrompeld. Niet moeilijk, het waren allemaal groentjes. Er was nauwelijks tijd om verzet te bieden. De Belgen vluchtten hals over kop, het gevecht was niet vol te houden.

Nadat de Nederlanders het gebied in handen hadden, zetten ze de sluis open. Net als tijdens de Tachtigjarige Oorlog stroomde het zoute water de polders binnen. Oogsten verdwenen onder water, akkers veranderden in modderpoelen, en het hele gebied liep opnieuw schade op waarvan men dacht dat die tot het verleden behoorde. Niet lang daarna gingen ook enkele boerderijen in vlammen op, of dat nu op militair bevel was of spontane wraakzucht, daar vinden we niets van terug.
Nieuwe overstromingen
Die lokale doorbraak bleef niet de enige. Kort daarop volgden bredere inundaties, want ook aan Hollandse kant was men beducht voor een Belgische inval. Hele stukken land werden onder water gezet: van Middelburg tot Boekhoute stonden honderden hectaren blank en was de schade enorm. In november 1831 werd de totale schade in de grensstreek geschat op zo’n 30.000 hectare. Veel mensen moesten hun huizen verlaten en een toevlucht zoeken op de dijken. In de kerk van Sint-Jan stond het water een meter hoog en het kerkhof kon niet langer gebruikt worden om de doden te begraven. Waarschijnlijk werden in die jaren al de eerste kiemen gelegd voor een afwateringskanaal langs de grens.
De Belgische troepen en Europese inmenging
In ieder geval kregen de Belgische troepen overal op hun doos van de Hollanders, en het leek erop dat heel het land zou worden heroverd. Koning Leopold zat echter nog maar pas op zijn troon en had niet veel goesting om die al direct te moeten afgeven. Hij riep de hulp in van Frankrijk. Die maanden Willem een beetje tot kalmte aan. België leek gered. De andere Europese grootmachten vreesden er echter voor dat het prille België een vazalstaat van Frankrijk zou kunnen worden en gingen die Hollanders toch wel helpen zeker, een deel van Limburg gaven ze aan Nederland en ook Zeeuws-Vlaanderen mocht België op zijn buik schrijven.
Maar daarmee was de kous niet af. Over de voorwaarden van de scheiding werd nog jaren gepalaverd, over grenzen die een meter meer naar links of naar rechts moesten lopen, over schulden die niemand wou betalen en over grond waar iedereen zijn vlag wou planten. Allé, ze waren er nog lang niet uit.

Taal en gevolgen van de afscheiding
Na de scheiding met Nederland veranderde er op taalkundig vlak veel in Vlaanderen, maar nauwelijks iets in Wallonië. In het zuiden bleef het Frans de gewone bestuurstaal, zoals het onder Willem I ook al was. In Vlaanderen daarentegen verdween het Nederlands opnieuw uit het bestuur en het onderwijs. De Franstalige elite, vooral in Brussel en de grote steden, had genoeg van het “Hollands” dat Willem I had willen opleggen. Frans werd nu de enige officiële taal van het nieuwe België, ook in Vlaanderen!

Dat zou Vlaanderen nog lang voelen. De hogere scholen, rechtbanken en administratie schakelden volledig over op het Frans. Wie vooruit wou, moest Frans leren. Het volk bleef intussen gewoon zijn Vlaams spreken, maar niemand die daar rekening mee hield. Pas vele tientallen jaren later, tegen het einde van de 19de eeuw, zou het verzet daartegen groeien. Uit dat taalonrecht groeide wat we later de Vlaamse Beweging zijn gaan noemen.
Leven aan de nieuwe grens
Om het grondgebied zo goed mogelijk te verdedigen werd de grens hermetisch afgesloten. Zo werd elke communicatie met de vijand onmogelijk. Op papier ziet dat er allemaal schoon uit maar economisch was dat voor het volk uit onze streek dramatisch. Zeer veel Meetjeslanders hadden eigendommen in Zeeuws-Vlaanderen en er waren er nog meer die hun dagelijks brood moesten verdienen over de grens. Uiteindelijk werd een compromis gezocht, de grens bleef dicht maar de burgemeester kon een permis geven aan de grensarbeiders en de mensen met grond aan de andere kant. Uitvoer naar Nederland, vooral van voedsel, werd ten strengste verboden. We gingen onze vijand toch niet bevoorraden zeker.
Forten, inkwartieringen en burgerwachten
Forten werden opgetrokken langs de grens, zoals in Strobrugge, Pont de Paille, waarbij ook Sint-Laureins haar duit in het zakje moest doen door het leveren van 15 karren met paarden en voerlui voor de werken aan het fort.
Soldaten werden ingekwartierd bij de mensen thuis. Niet zelden moesten die mensen met hun kinderen op wat stro onder de pannen slapen om hun beste kamers ter beschikking te stellen aan de soldaten. Die soldaten konden dan nog eens eten en drinken lijk delvers. Kortom, geen gelukkige tijden voor de burgers in de grensdorpen.

Om een eventuele opmars van de Hollanders te voorkomen werden ook de bruggen over de Lieve opgeblazen. Zo bijvoorbeeld de brug op Celie. Ze was nog maar pas grondig, en voor veel geld, hersteld of ze moest eraan geloven. Overdag werden een paar balken over het kanaal gelegd, zodat er toch nog wat verkeer mogelijk was tussen Sint-Laureins en Adegem, en zo ook met Maldegem. Zowel Adegem als Sint-Laureins moesten wachtposten leveren om ’s nachts de brug te bewaken.
De burgerwacht
Mocht de vijand toch nog over de grens geraken dan moesten alle Belgen klaar staan om hen er weer uit te gooien. Daarom werd in elke gemeente een burgerwacht opgericht. De wachters kregen een uniform aangemeten en zouden worden bewapend met pieken en fusieken. Die pieken waren maar het begin, in afwachting dat er geweren zouden volgen. En die kwamen! In Sint-Jan werden eind juli 1831 twintig geweren met bajonetten geleverd. Sint-Laureins mocht zelfs 46 pieken en 25 geweren gaan afhalen in de citadel in Gent. De burgerwacht werd trouwens niet alleen opgericht om de vijand buiten te houden. Roversbenden van tien tot twintig man sterk zwierven hier rond en overvielen afgelegen boerderijen voor levensmiddelen en geld. Het was een ware plaag waar krachtdadig moest tegen opgetreden worden.
Strenge grensbewaking
De grens werd goed bewaakt en de schildwachten kregen bevel ’s nachts te schieten op iedereen die de grens wou oversteken, in welke richting ook. Waar er weinig of geen burgerwachten waren werd de veldwachter opgetrommeld. Die van Waterland-Oudeman moest van ganse dagen niets anders doen dan over het Waterlands grondgebied rondzwerven en vooral de grens in de gaten houden. Onbekende verdachte personen moest hij aanhouden. Of hij daar echt zo heldhaftig bij optrad laten we in het midden.
