top of page
< Back

Scheervlucht - Aflevering 27

Officiële verklaringen van burgemeesters


De meeste gemeenten gingen er prat op dat er geen contacten waren tussen Belgen en Hollanders. Burgemeester van Brussel van Watervliet schreef dat hij avec une assurance presque physique kon zeggen dat er over de ganse lengte van de Watervlietse grens geen enkel contact met Holland bestond. Burgemeester Vercraeye verklaarde over Sint-Laureins zowat hetzelfde, er waren geen contacten met Hollanders en er kwam niemand de grens over zonder paspoort. Eenzelfde rapport in Sint-Margriete. Toch merkte burgemeester Vervaet daar op dat ene Fabiaan Mobelis uit Sint-Kruis zich dagelijks ging bevoorraden in Eeklo en zijn waren dan terug ging verkopen in Sint-Kruis. Hij vreesde dat die Mobelis wel eens een spion zou kunnen zijn. De veldwachter kreeg opdracht om niemand zonder goede papieren, afgeleverd door ons Gouvernement, door te laten.




Het einde van het conflict, het Verdrag van Londen


Na jaren van gespannen onderhandelingen en gewapende schermutselingen kwam er in 1839 officieel een einde aan het conflict. Met het Verdrag van Londen erkende Nederland de onafhankelijkheid van België. De Europese grootmachten erkenden de nieuwe Belgische staat met zijn koning. De Belgen wilden er graag Zeeuws-Vlaanderen bij, om aanspraak te kunnen maken op de Schelde. De Londense conferentie wees dat echter van de hand. Zeeuws-Vlaanderen bleef bij Zeeland en dus bij Nederland behoren.


Vanaf 1843 - Fysieke grensmarkering


In 1843 legden België en Nederland hun grens eindelijk vast door het plaatsen van gietijzeren palen. Over de hele grenslijn kwamen er bijna vierhonderd te staan, elk met een volgnummer. De reeks begon bij het drielandenpunt in Vaals en eindigde aan het Zwin. Later kwamen er, na enkele inpolderingen, nog een paar bij. Op sommige plekken stonden er zelfs extra exemplaren, bijvoorbeeld bij correcties of markante punten, zonder dat de nummering werd aangepast. Schrik dat zo’n paal door een souvenirjager zou meegenomen worden hoefden ze niet te hebben, die dingen wegen meer dan 350 kilo.



Naast de gietijzeren palen werden 356 arduinen hulpstenen ingeplant, vooral op kruispunten, bochten en andere kritieke punten waar een ijzeren paal minder geschikt was.


Volgens het Verdrag van Maastricht van 8 augustus 1843 werden ontwerp, plaatsing, nummering en onderhoud vastgelegd in een bilateraal reglement. De plaatsing gebeurde in het voorjaar van 1844, en vanaf 1849 volgden jaarlijkse inspecties en herstelwerken. Zo kreeg de grens, die in 1839 in het Verdrag van Londen juridisch was vastgelegd, ook een duidelijke en blijvende visuele vorm.


De gietijzeren palen zijn ongeveer 2,67 meter hoog, staan op achthoekige sokkels en zijn versierd met een gestileerde dennenappel. Ze dragen aan de ene zijde het Belgische wapen, aan de andere het Nederlandse, samen met het jaartal 1843 en het paalnummer.


Opvallend is de kaarsrechte grens tussen Sint-Laureins en Sint-Margriete. Tussen palen 337 en 341, richting Oostburg, koos men voor een volledig rechte lijn die de natste krekenzones omzeilt. Er werd verteld dat Ledel het ongezonde krekengebied niet gewild zou hebben en dat de grens daarom zo rigide getrokken werd. Dat klopt echter niet. De nieuwe grens volgde grotendeels de oude scheiding tussen Spanje en de Republiek. Dorpen als Sint-Margriete, Sint-Jan-in-Eremo, Waterland-Oudeman en Watervliet behoorden eeuwenlang tot Vlaanderen en stonden, behalve tijdens die fameuze vijftien jaar Verenigd Koninkrijk, nooit onder Nederlands bestuur. De rechte lijnen waren dus geen politieke toegeving, maar bestonden al sinds het Verdrag van Münster, na de Tachtigjarige Oorlog.




VIII   Negentiende eeuw


Inleiding


Toen in 1830 het jonge België op eigen benen begon te staan, bleven onze polderdorpen wat verweesd achter op de grens met Nederland. De grote wereldpolitiek leek zich elders af te spelen, maar ook hier, in dit vlakke en vaak vergeten uithoekje van Vlaanderen, begon stilaan een nieuwe tijd. De Tachtigjarige Oorlog lag dan wel al eeuwen achter de rug, toch zag je de littekens ervan nog in het landschap, kreken, half verwoeste dijken en parochies die meermaals verplaatst of heropgebouwd waren. Maar de 19de eeuw bracht verandering. Trager misschien dan in de steden, maar onvermijdelijk.


Onze streek bleef in hoofdzaak een landbouwgebied, met zware kleigronden die vruchtbaar maar zwaar waren. Boeren moesten de grond bewerken met paard en ploeg, soms zelfs met koe en ploeg, al dan niet geholpen door knechten. Landarbeiders trokken in de wintermaanden naar Frankrijk of Wallonië om er werk te vinden, vaak na de bietenoogst, wanneer er werk was in de suikerfabrieken. De vrouwen hielden ondertussen het huis en den hof recht.


Maar er was ook vooruitgang. Tussen 1846 en 1852 werd het Leopoldkanaal gegraven, een kaarsrechte snee door het landschap, bedoeld om het eeuwige waterprobleem eens en voor altijd op te lossen. Tot dan toe dreigden polders bij elke natte winter weer te veranderen in zompige moerassen, met de zogenaamde polderkoorts en mislukte oogsten tot gevolg. Het kanaal, hier liefkozend de Blinker genoemd, bracht eindelijk afwatering, scheiding, en rust. Even verderop liep de Stinker, het Schipdonkkanaal.



Ondertussen kwam ook de wereld dichterbij. De buurtspoorweg maakte zijn opwachting in de tweede helft van de eeuw, met een stoomtram die puffend en fluitend langs de dorpen trok, richting Eeklo of Breskens. Wegen werden gekasseid, bruggen vernieuwd. De jeugd kon naar school, al bleef het vaak bij catechismus en naailes, en wie ziek was vond onderdak in het imposante Godshuis van Sint-Laureins, opgericht door de plaatselijke weldoenster, juffrouw Antonia Van Damme.


Toch bleef het een hard bestaan. De landbouwmodernisering liet op zich wachten, en velen zochten hun heil elders. Rond 1880 begon de grote trek naar Amerika, hele gezinnen verkochten hun inboedel, namen afscheid van hun dorp en gingen het onbekende tegemoet, op zoek naar een beter leven. In het dorp bleven leegstaande pachthoeven en eenzame grootouders achter.



Tegelijk bleef de religie het kloppende hart van het dorpsleven. Elke parochie had haar patroonheilige, haar processies, haar kermis. De schoolstrijd laaide op tussen katholieken en liberalen, en het onderwijs werd een slagveld van ideologieën. In de dorpen groeiden kloosterscholen, geleid door zusters die orde en tucht bijbrachten, maar ook zorg en geborgenheid.


Aan het einde van de eeuw zag men schuchtere pogingen om het dorpsleven in beweging te krijgen. Het verenigingsleven bloeide op met fanfares, toneelkringen en schuttersgilden. In elk dorp leefde het verleden voort in volksverhalen, in spotnamen en legendes, terwijl men toch vooruitkeek naar wat nog komen zou.

 

bottom of page