top of page
< Back

Scheervlucht - Aflevering 28


Sint-Jan-in-Eremo


De 19de eeuw bracht voor Sint-Jan heel wat verandering. De oude Rijselvereweg bleef wel de levensader van het dorp, maar ondertussen kwamen er nieuwe zaken bij die het dorpsbeeld grondig veranderden. Het Leopoldkanaal, kaarsrecht door het landschap gegraven, sneed de Sint-Jansstraat doormidden, gelukkig met een brug erbij, want zonder was Bentille vanuit Sint-Jan helemaal onbereikbaar geworden. Intussen doken er scholen en kloosters op, met pastoors en zusters die zich in het dorpsleven mengden. En tegen het einde van de eeuw klonk zelfs het gerammel van de buurttram door de straten.


De Sint-Jansstraat


De Sint-Jansstraat, van oorsprong de oude Rijselvereweg, bleef ook in de 19de eeuw de ruggengraat van dorp en parochie. Na het herindijken van de polders kwam hij opnieuw tot leven als verbinding tussen de Sint-Jan-Baptistkerk in het noorden en het gehucht Bentille in het zuiden. Einde 17de eeuw vestigde pastoor Van de Foreeste zich op Bentille en liet er een kapel bouwen, die later is uitgegroeid tot de huidige Sint-Eligiuskerk. Het zwaartepunt van het dorpsleven was langzaam verschoven van het noorden naar het zuiden.



Leopoldkanaal


Een ingrijpende gebeurtenis vond plaats midden de eeuw, het graven van het Leopoldkanaal. Tussen 1846 en 1852 werd deze kaarsrechte waterweg aangelegd om het overtollige water uit de polders af te voeren. Het kanaal sneed de Sint-Jansstraat in twee, maar met een brug bleef de verbinding met Bentille bewaard. Sint-Jan en Bentille waren zo al genoeg uit elkaar gegroeid. De Blinker, zoals het kanaal in de volksmond genoemd werd, bracht eindelijk droge voeten.


Onderwijs en het oude klooster


Bentille groeide in de loop van de eeuw uit tot het levendige hart van de parochie. Dat had onder meer te maken met de opkomst van het katholiek onderwijs. Al voor de schoolstrijd was er op Bentille een schooltje waar meisjes zich urenlang over kantwerk bogen, onder het wakend oog van een uit Nederland verdreven kloosterlinge.


Dit gebouw werd later gebruikt als katholieke school, vooral na de invoering van de Wet op het lager onderwijs van 1879 (door de katholieken de Ongelukswet genoemd), die elke gemeente verplichtte een neutrale school op te richten. Pastoor de la Royère speelde een sleutelrol in de verdere uitbouw. Onder zijn bewind werd een klooster met schoolgebouw opgericht, aan de Moerstraat. In 1892 arriveerden de zusters van het Heilig Hart van Maria uit Nederbrakel om er kleuteronderwijs te geven. Daarmee kreeg Bentille voor het eerst een echte kloostergemeenschap. Ook het onderwijs kreeg een ferme boost. Er was zelfs een kleuterschooltje aan verbonden.



De jongensschool


In 1877 kwam er ook een jongensschool, met schoolhuis met speelplaats, op de hoek van de Sint-Jansstraat en de Bisdomstraat. De jongens leerden er schrijven en rekenen, maar vooral bikkelen, joelen en met de marbels spelen op de grote speelplaats. Bentille ontwikkelde zich stilaan tot het onderwijscentrum van de gemeente.


Kamielken

In 1891 kwam de tram van de buurtspoorlijn Eeklo–Watervliet langs gerammeld, al gauw Kamielken genoemd. Een vertrouwd geratel dat door de dorpskern klonk en waar kinderen achteraanholden. De tram liep vlak langs het klooster, en al snel was het een dagelijks gezicht, en geluid. Via een aansluiting over de grens kon men zelfs, met de nodige overstappen, tot in Vlissingen geraken.




Sint-Laureins


In de vroege 19de eeuw lag Sint-Laureins er nog serieus afgelegen bij. Geen deftige steenwegen, geen spoorverbinding, en van riolering of gekasseide straten had men nog nooit gehoord. Volgens pastoor De Swaef lag Sint-Laureins midden 19de eeuw nog grotendeels in het bos, vooral eik. De Goochelaarstraat, de Kruiskenstraat, de Eerstestraat en de Leemweg lagen toen allemaal tussen de bomen, zelfs de kerk stond er middenin. Spraken ze vroeger over de Sentenaars als een moervolk, dan konden we nu gerust spreken van een bosvolk.


Molens


Onze beide molens, Molen van Moershoofde en Stientjesmolen, stonden nog lustig te draaien, maar toch was er nog plaats voor eentje meer. Felix Eykens was een klokkenmaker uit Luyksgestel in de Nederlandse Kempen. In 1844 vestigde hij zich in Sint-Laureins. Twee jaar later kreeg hij toestemming om een graan-, olie- en zaagmolen voor eigen gebruik te bouwen, mogelijk om zijn ambacht en bijbehorende bezigheden te ondersteunen. De molen werd opgericht in de Dorpsstraat (toen Brieversweg) en zou aan dat deel van het Dorp de naam Moleneinde meegeven. In 1929 werd hij gesloopt.

 

Felix Eykens was een pure ondernemer, want naast zijn molen bouwde hij ook nog eens een fabriek van fosfoorstekjes, die echter al in 1861 afbrandde, waarbij alleen de schoorsteen overeind bleef staan. Bij deze brand had Jan Baptist Van Damme, raadslid, schepen en koster zich verdienstelijk gemaakt en kreeg daarom van de Koning een gouden medaille voor moed en zelfopoffering. De fabriek werd niet meer opgebouwd.


De vaart en de vaartdelvers


Na Napoleons Waterloo werden België en Nederland samengesmolten onder het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, en konden de polders via een stelsel van beken en sluizen afwateren naar de Westerschelde. De Belgen kwamen echter in opstand en na hun onafhankelijkheidsverklaring waren de Hollanders een poosje onze beste vrienden niet en ze sloten deze afwateringsbeken af, met als gevolg dat de polders aan de Belgische kant constant ongezond vochtig stonden. Er brak malaria uit (destijds sprak men van moeras- of polderkoorts) met ontelbare zieken en doden.

 

Onze plaatselijke politicus, pastoor Andries van Middelburg, opperde het idee om de polders via een kanaal in de Noordzee te doen afwateren, en dit onafhankelijk van de door hem zo gehate Hollanders. Het wetsontwerp werd al in 1837 ingediend maar door grotendeels Waalse tegenstand, toen al, kon het effectieve graven van het kanaal pas in 1846 starten.

 

Meer dan duizend arbeiders, vaak jonge vrijgezellen, van heinde en verre, begonnen aan het delven van een kaarsrechte vaart door het noorden van Vlaanderen: het Leopoldkanaal, tevoren het Kanaal van Selsaete genoemd.

 

Hoewel, kaarsrecht? Rond Sint-Laureins zit er toch een knikje in het kanaal. Moest wel. Waren ze rechtdoor getrokken dan zaten ze in Nederland en dan zou het kot te klein geweest zijn.

 

De delvers werkten met spade en schop, in weer en wind, en ze sliepen in tenten en barakken. Maar op zaterdagavond trokken ze naar de herbergen van het dorp, zoals De Pluim niet ver van de kerk of naar De Linde op de oostelijke hoek van de Dorpsstraat en de Smissestraat. De plaatselijke bevolking liet zich niet onbetuigd, en pastoor De Swaef noteerde later nogal kort door de bocht dat het gespuis van Sint-Laureins mee vierde en dat het karig loon van de werkman grotendeels verdween in de zakken van de waard. Spelemannen fiedelden, de orgels draaiden, en de jenever vloeide rijkelijk. Het liep dan ook al eens uit de hand.

 

Zo escaleerde het in 1848 in herberg De Linde tot een heuse veldslag. Maar of het volgende verhaal moet gerangschikt worden onder sociaal oproer, zoals Daniel Verstraete meent, of dat het gewoon een uit de hand gelopen dronkemansruzie is? Oordeel zelf.

 

Toen een zatlap weigerde te betalen en de waardin bedreigde, werd hij buitengezet door veldwachter Van Haelemeesch. Maar eens buiten bleef de man staan roepen en tieren en schelden. En binnen het kwartier, zegt De Swaef, kwamen daar zo’n twaalf- tot dertienhonderd man op af. Laat hem nu nog de helft overdrijven, ’t was toch een serieuze meute die daar plots voor onze brave champetter zijn neus stond.


 

De gendarmen, die in herberg Sint-Hubertus hun intrek hadden genomen, snelden toe. Met hun hulp werd de opstandeling bij de kraag gevat om naar het gevang gebracht te worden. Bij de overbrenging van de arrestant werd wat geduwd en getrokken, er vloog al eens een stoel door de lucht, bajonetten werden op het geweer gezet, en … er werd geschoten. Eén man viel dood neer, een zekere Jan Baptiste Alterwie uit Merksem.

De gendarmen verschansten zich uiteindelijk op de bovenverdieping van Sint-Hubertus, wapens in aanslag. Pas diep in de nacht, met versterking uit Gent, kwam de rust terug over het dorp. En ’s anderendaags, op Paaszondag, alsof er niets gebeurd was, ging men zijn Pasen houden. Dat er al eens enen met een blauw oog tussen liep zal wel niemand verwonderd hebben zeker.

 

bottom of page