Scheervlucht - Aflevering 29
Antonia en het Godshuis
Zowat tezelfdertijd als het graven van de vaart bouwde Antonia Van Damme het Godshuis in haar tuin. Uit eigen zak en met materiaal dat via Balgerhoeke aangevoerd werd, langs wegen die er nauwelijks waren. Antonia, dochter van een notaris, was door erfenis van haar ouders meer dan stinkend rijk, maar ook vroom en overlopend van naastenliefde.
Toen ze hoorde dat de zieke Sentenaars naar Brugge moesten worden gevoerd op een boerenkar, een tocht die velen niet overleefden, besloot ze zelf een hospitaal te bouwen. In 1843 werd de eerste steen gelegd.

In 1849 opende het Godshuis zijn deuren en in 1863 schonk ze het gebouw aan de gemeente. Het Godshuis werd jarenlang een tehuis voor wezen, zieken, bejaarden en geloovigen zonder familie. Zelfs een relikwie van de Heilige Rufinus werd geschonken, al is die ooit naar Gent vertrokken om te prepareren voor aanbidding, maar … nooit teruggekeerd.
In 1868 telde men in het gesticht een bevolking van 131 personen: 35 weesmeisjes, 26 oude mannen, 24 oude vrouwen, 9 kostscholieren (meisjes), 23 dienstboden van beide geslachten, alles in toom gehouden door 14 zusters.
Even tussendoor:
Kanunnik Andries en het Godshuis.
Hier moeten we een misverstand uit de wereld helpen. In de meeste boekskes en artikeltjes over het Godshuis staat dat Kanunnik Andries, tussen 1827 en 1836 pastoor van Middelburg, het idee had voor het bouwen van het Godshuis en Antonia de centen. En dat omwille van het feit dat Andries het Sint-Janshospitaal van Brugge een proces aansmeerde op basis van een stratenoud testament van ene Arnulf van Maldegem. Daarin stond dat het Sint-Janshospitaal er eeuwig moest voor zorgen dat de zieken uit Maldegem, Adegem en Sint-Laureins verzorgd werden. Daarom zou Andries gezegd hebben tegen Antonia: “bouw uw Godshuis maar, die van Brugge zullen wel met geld over de brug komen”. Andries heeft dat proces gewonnen en Sint-Laureins heeft effectief geld gekregen voor de bouw van een hospitaal. Alleen gaat men eraan voorbij dat dat testament maar in 1849 op de proppen kwam en dat Andries maar in 1857 zijn proces aanspande, dat dan nog eens 6 jaar aansleepte. De plannen van het Godshuis gaan echter terug naar vóór 1843, lang voor er sprake was van enig testament. ’t Is maar dat ge het weet. Ook in de door de nonnen handgeschreven geschiedenis van het klooster is alleen sprake van Antonia en haar “leidsman” pastoor Van den Berghe. Andries was er dus misschien wel bij van in het begin, maar naast onderpastoor Van den Berghe speelt hij maar een bijrol.
De Leemweg een tolweg
Ook de Leemweg speelde een hoofdrol in de dorpspolitiek van de 19de eeuw.
Burgemeester Geersens wilde in 1846 een steenweg aanleggen via de Kruiskenstraat naar de Wiskensmolen om zo aansluiting te krijgen met de weg naar Eeklo. Maar Frans Huyghe, neef van Antonia en getrouwd met een telg van de immens rijke familie Thomaes, verzette zich. Niet uit filantropie, maar uit winstbejag. Toen hij enkele jaren later zelf burgemeester werd, schrapte hij het vorige plan en liet hij in 1856 de Leemweg aanleggen, een steenweg van Sint-Laureins naar Balgerhoeke, over wat toen nog de Boterhoeksche Kerkweg heette.
Maar hij deed dat niet voor de schone ogen van de Sentenaars. De gemeente diende haar rechten op de straat af te staan aan Huyghe zelf, die de werken op eigen kosten uitvoerde. En in ruil een tolbareel oprichtte aan de Boterhoek. Vijftig jaar lang moest wie van en naar Balgerhoeke wilde, betalen aan de kinderen van burgemeester Huyghe. De Leemweg werd zo de eerste, en enige, tolweg van Sente. Wie geen geld had, moest maar langs de modderpaden ploeteren.

Pas in 1908 kwam de weg opnieuw in handen van de gemeente. Maar de geur van privébelangen en politieke spelletjes bleef hangen. De familie Huyghe had er intussen een mooi appeltje voor de dorst aan overgehouden.
De root
In het midden van het Dorp, een beetje voorbij het Strontstraatje, bevond zich De Root, een beluik, een verzameling werkmanswoningen waar grote gezinnen in piepkleine huisjes leefden. In het begin ging alles goed maar den achteruit was gemeenschappelijk en onder andere ook de pomp. Daar moest wel boel van komen. Waren het niet de kinderen, het waren de ouders zelf die aan het bekvechten sloegen. Het ene huis na het andere werd verlaten, en uiteindelijk rond 1895 openbaar verkocht.

De klappersbrug
Molens tekenden het landschap, de Eykensmolen op het Moleneinde, Stientjesmolen aan de Molenstraat en vergeten we de molen op Moershoofde niet. Nadat het werk op het veld, in de molens en elders gedaan was, speelde het echte dorpsleven zich af rond de kerk, in de herbergen, en aan de Klappersbrug. Die lag op de hoek van de Dorpsstraat en de Leemweg en was op warme zomeravonden dé plaats om het nieuws te “beklappen”. De brug verdween bij de aanleg van het Leopoldkanaal, maar in het collectieve geheugen blijft ze bestaan als een Boerenparlement avant la lettre.
Scholen, pompiers en fanfare
Onder impuls van kerk en klooster kwamen in de tweede helft van de eeuw scholen tot bloei. De meisjesschool werd geleid door de zusters van het Godshuis. Jongens kregen les in de Leemweg. Onderpastoor Van den Berghe, de raadsman van Antonia Van Damme, en later, net voor de eeuwwisseling, pastoor De Swaef, speelden een belangrijke rol in de organisatie van het katholiek onderwijs.
De pompiers van Sint-Laureins kwamen er in 1869, na een brand waarbij men … de Hollanders te hulp moest roepen. Dat wilden de Sentenaars geen tweede keer meemaken.
En dan had je nog de fanfare Concordia, opgericht in 1839. Die blies haar eerste noten onder leiding van dokter Geersens, en zou in 1879 een tweede leven krijgen. Geen kermis of processie zonder blazers en trommelaars.

Kerk
In 1844 was de kerk aan een nieuwe vloer toe. Binnen de kerk stikte het echter van de grafzerken van rijke Sentenaars (geld stinkt niet) en die moesten verdwijnen. Veel van die zerken werden verwerkt in de grondvesten van het hospitaal van Antonia Van Damme, dat toen al volop in aanbouw was.
Zoals we al zagen waren de klokken door de Fransen uit de kerktoren gehaald. Pas in 1831 werd door een vriend van toenmalig pastoor Verheecke een klein klokje aan de kerk geschonken. Zo klein zal het dan ook weer niet geweest zijn, want toen het in 1860 barstte werden er, met toevoeging van wat nieuwe spijs, twee klokken van gegoten. Ook pastoor Van den Berghe schonk toen (met geld van Antonia Van Damme?) een derde middelgrote klok op voorwaarde dat hij werd vrijgesteld van de gemeentebelasting.
Pastoors
En dan hadden we nog twee pastoors waar we echt iets meer moeten over vertellen.
De eerste was pastoor Eduard Van den Berghe. Die zagen we al in 1831 in Sente verschijnen als onderpastoor. Hij is belangrijk omdat hij de geestelijk raadsman van Antonia Van Damme was. Bij het overlijden van haar moeder vertrouwde Antonia hem heel haar fortuin toe, bij notariële akte nog wel! Dit was wellicht gemakkelijker daar de pastoor, volgens de bevolkingsregisters uit die tijd, officieel zijn domicilie had in de woning van Antonia Van Damme. Of dit een praktische regeling was of dat hij er daadwerkelijk verbleef, is onbekend. Niet moeilijk dat er kazuifels, kruiswegen, monstransen en ander gerief voor de kerk gekocht werden en aan de parochie geschonken. Sente bleef geen arm polderdorpke meer, de kerk dan toch niet. Uiteindelijk zou hij ook aan de kar steken voor de bouw van het Godshuis. Als dat geen geestelijk raadsman was! Hij kwam eigenlijk nog raar aan zijn einde, onze pastoor. Bij het opzeggen van de gebeden voor een overledene aan een open graf, kreeg hij een beroerte en stuikte in het graf. Hij stierf nog dezelfde dag.
De tweede pastoor die we niet mogen vergeten was Jan De Swaef. Als er iemand is die we dankbaar moeten zijn dat we zoveel over het Sentse verleden weten, is het wel pastoor Joannes Theodorus De Swaef.
Niets liet echter vermoeden dat De Swaef ooit pastoor in Sint-Laureins zou benoemd worden, want na een paar omzwervingen als onderpastoor werd hij uiteindelijk in 1876 aangesteld om op de Maldegemse wijk Donk een nieuwe parochie te stichten en er een nieuwe kerk op te richten. Einde verhaal zou je denken, die man blijft in Donk. Maar dat is zonder de bisschop van Gent gerekend. Die benoemt hem in 1887 tot pastoor van Sint-Laureins.
Was hij in Donk gekend als bouwer, in Sente zouden we hem leren kennen als schrijver en historicus. Hij heeft heel uitgebreid de geschiedenis van Sint-Laureins neergepend in tientallen schriftjes. En het bleef niet bij algemene geschiedenis, hij heeft hele boekjes volgeschreven met de historiek van alle huizen die eind 19de eeuw in Sente stonden. Zijn handgeschreven schriftjes worden momenteel liefdevol bewaard in ’t Sents Archief.

De Swaef was echter eerst en vooral pastoor van Sint-Laureins en als dusdanig de voorganger in de processies. Zijn toewijding zou hem fataal worden. Op 15 augustus 1898 was het bloedheet. Pastoor De Swaef stelde de processie daarom uit tot na de middag. Waarom weet eigenlijk niemand want in de namiddag is het meestal nog warmer dan ’s ochtends. In ieder geval zeulde onze pastoor heel de namiddag rond met de zware monstrans in een verschroeiende hitte. Hij hield het nog uit tot de processie haar toer voltooid had en werd dan geveld door een hartaanval. Hij overleefde het niet.