top of page
< Back

Scheervlucht - Aflevering 31

Een herenhuis als kroon op het plein


Toch kwam er tegen het einde van de eeuw wat grandeur in het dorpsbeeld. In 1876 bouwde de familie Dossche een statige woning naast de school en rechtover de kerk, huis Dossche; later, toen dochter Emma in 1882 trouwde met Henricus Van Vooren, vooral bekend als huis Van Vooren. Het huis zou later nog vele rollen spelen, maar in de 19de eeuw was het vooral een teken van vooruitgang.


De Roste Muis


Ver van het dorpsplein, aan de Oudemanskreek, stond in diezelfde eeuw een onooglijk huisje. Daar woonde vanaf 1849 Virginie Van Durme, een jonge vrouw uit Boekhoute die met haar man naar den Oudeman was komen wonen. Ze baatte er een klein kruidenierswinkeltje uit. Allé op papier dan toch, want in werkelijkheid was het een "geheime" café waar vissers en jagers over hun vangst kwamen stoefen, en boerenknechten hun “noene” kwamen drinken na het Angelus.


Het ging er vrolijk aan toe. Virginie, volgens de overlevering een roodharige zonder ondergoed danste bij momenten op tafel, waarbij de beentjes soms wel al eens te hoog gezwierd werden. Ze was dan wel officieel winkelierster, maar iedereen wist dat er meer getapt werd dan azijn.



Het café kreeg later de naam De Roste Muis, naar de roodharige, altijd goedgeluimde bazin. Virginie overleed in 1910, maar in de 19de eeuw stond haar herberg bekend tot in de verste hoeken van de polders. Geen man uit den Oudeman en ver daarbuiten die haar naam niet kende.


Molen


Onze Meulen ’t Waterlant had op het einde van de 19de eeuw al veel van zijn pluimen verloren. In 1890 werd er een stoommaalderij opgetrokken door mulder Louis van Brussel. De molen zelf werd in 1910 gesloopt.


Bevolking


De bevolking van Waterland-Oudeman is in de loop van de 19de eeuw gestegen. In 1801 waren er 817 inwoners, waarvan 47 armen. In 1866 waren we al met 846, waarvan er slechts 286 konden lezen en schrijven. Er stonden toen 168 huizen.



Watervliet


Na de Belgische onafhankelijkheid bleef Watervliet een grensdorp in de ruime polders, een plek waar eeuwenoude molens draaiden en waar de verbinding met de buitenwereld nog vaak door modder of stof werd bemoeilijkt. Maar ook hier sijpelden de veranderingen van de eeuw langzaam binnen, nieuwe steenwegen en een kanaal, een brandweer en een fanfare, scholen en plannen voor een rijkswachtpost. De 19de eeuw bracht geen grote revoluties, wel stille vooruitgang, en daarmee kreeg Watervliet stap voor stap een moderner gezicht.


Molens


De Molenstraat van Watervliet heeft drie molens gekend die ondertussen alle verdwenen zijn.

De Oude Molen werd al voor 1830 opgericht in wat toen nog de Kanteynstraete noemde, op een goede kilometer van de Nederlandse grens. In 1933 stond op het kadaster “landgebouw” vermeld. Er zal toen al niet veel meer van overgeschoten hebben.


De Fraukesmolen werd in 1872 rechtover de Oude Molen gebouwd in de Kanteynstraete. In 1924 werd de molen ontmanteld maar er blijft nog altijd een indrukwekkende romp zichtbaar.


De Binnenmolen, oorspronkelijk opgericht door de familie Lauwerijn in de vroege 16de eeuw, kende door de eeuwen heen verschillende eigenaars. Op den duur was hij tot op den draad versleten en de Belgische Staat kocht hem in 1909 aan en brak hem af.



Nieuwe straten en een kanaal


Toen België in 1830 onafhankelijk werd, lag Watervliet er net als zijn buurdorpen nog altijd behoorlijk afgelegen bij. Slechts een smalle kasseiweg van amper drie meter breed verbond het dorp met de rest van de wereld. In de winter was het ploeteren door de modder, in de zomer door het stof. Paarden zakten weg, wagens liepen vast. Maar stilaan verbeterde de situatie.

In de loop van de 19de eeuw werd er stelselmatig gewerkt aan de ontsluiting van de streek. Steenwegen kwamen erbij, waterlopen werden uitgekuist, en dan was er, zoals overal, ook hier de komst van het Leopoldkanaal. Deze kaarsrechte vaart sneed dwars door de polders, ook langs Watervliet. Voor Watervliet betekende het een betere afwatering en dus droge voeten en velden.


Brandweer


Ook in Watervliet werd een brandweer opgericht. In 1869 na een paar zware branden besefte men dat men niet langer alleen op de hulp van buurgemeenten kon rekenen. Een pomp, een paar emmers en veel goede wil vormden het begin van de Watervlietse pompiers.


Onderwijs


Onderwijs bleef lang karig bedeeld. Het waren vooral de zusters franciscanessen die in de tweede helft van de eeuw voor meisjesonderwijs zorgden, met de nadruk op naaien, breien en godsvrucht. Voor de jongens kwam er pas laat een deftige school, maar eenmaal die er stond, kreeg Watervliet een generatie kinderen die lezen en schrijven konden. Een hele vooruitgang tegenover het begin van de eeuw, toen nog velen analfabeet bleven.


Een dorp met muziek


Het mag dan een polderdorp geweest zijn, stil was het niet. Op 13 september 1840 werd in Watervliet de Societeyt van Armonie Eendragt Maekt Magt, opgericht. Een fanfare, maar eentje die bleef zitten. Geen muziek in stoet met trommels voorop, maar zittende concerten, harmonieus en beheerst, zoals het een Watervlietenaar betaamde.



De oprichting van de fanfare, amper tien jaar na de Belgische onafhankelijkheid, gaf aan dat ook in deze uithoek het culturele leven begon te bloeien. De muzikanten repeteerden trouw, en de fanfare speelde op dorpsfeesten, processies en winteravonden. De grote doorbraak zou pas in de volgende eeuw komen, maar de basis werd hier gelegd, met eendracht, macht en veel koper.


Tram


De buurtspoorweg Eeklo-Watervliet kwam tot stand toen er behoefte ontstond aan een kortere reisroute tussen Gent en het westelijke gedeelte van Zeeuws-Vlaanderen, vanwaar via Breskens het eiland Walcheren met de steden Vlissingen en Middelburg kon worden bereikt.


Al in 1887 werd de vergunning aangevraagd en het ging allemaal vrij vlug want op 17 maart 1891 was er al een eerste proefrit tussen Eeklo en Watervliet. De Gazette van Eecloo beschreef het als volgt: Om 10.15 uur uit Eecloo vertrokken kwam de tramtrein rond 11 uur in Watervliet aan. Bij den ganschen doortocht kwam eenieder toegeloopen om de locomotief en het prachtig reizigersrijtuig te zien. Aan den Mariapolderdijk te Watervliet, afspanning het Lammeken, werd bij de treinaankomst de nationale vlag geheschen.


Rijkswacht


Watervliet lag op een grens, letterlijk en figuurlijk. De nabijheid van Nederland maakte het dorp tot een kruispunt van handel en smokkel. En met de toename van criminaliteit in de grensstreek groeide ook de nood aan bescherming.


In 1894, bij de bespreking van het budget voor de rijkswacht, wees volksvertegenwoordiger baron t’Kint de Roodenbeke op de bijzondere situatie van het arrondissement Eeklo. Er waren al brigades in Assenede en Sint-Laureins, maar Watervliet bleef onbeschermd. Er moest iets gebeuren.



Die oproep leidde tot actie. In 1901, net buiten de grenzen van dit hoofdstuk, werd officieel beslist tot de oprichting van een rijkswachtpost in Watervliet. Maar de vraag en de nood speelden dus al in de jaren 1890, en toonden hoe Watervliet aan belang won, ook in het veiligheidsbeleid van de jonge Belgische staat.

bottom of page