Scheervlucht - Aflevering 32
IX Twintigste eeuw
Inleiding
Wie in het jaar 1900 door de polders rond Sint-Laureins wandelde, zag dorpen die op het eerste gezicht weinig veranderd waren sinds de dagen van Leopold I. Er stonden nog molens te draaien, herbergen hadden nog geen elektriciteit, en de veldwachter ging te voet. Maar de twintigste eeuw kwam eraan, niemand zou hem tegenhouden.
De dorpen in Groot-Sint-Laureins, Sente, Tsien Tsan, Metille, Sint-Margriete, den Aeman en Watervliet, lagen nog altijd wat op zichzelf. Samen telden ze in 1900 net geen 7.500 inwoners, verspreid over boerderijen, gehuchten en onder de kerktorens. De tractor moest nog komen, net als de radio, de televisie, de autostrade en de supermarkt. Maar al in de eerste decennia van de nieuwe eeuw begon het landschap te veranderen.

De oorlog die alles doorbrak
In 1914 brak de hel los. België werd overspoeld door Duitse troepen en ook al lag de frontlijn ver van hier, toch werd de streek niet gespaard. De nabijheid van de Nederlandse grens maakte van de polders een sluiproute voor spionnen, deserteurs en smokkelaars. En toen de Duitsers de grens wilden afsluiten, spanden ze de beruchte dodendraad, een elektrische draad onder hoogspanning die België scheidde van Nederland, van Knokke tot Aken, dwars door de velden, ook hier.
Ook bij ons vielen slachtoffers. Verschillende dorpsgenoten sneuvelden als soldaat aan de IJzer, en enkele burgers lieten het leven door de dodendraad of de harde omstandigheden van de bezetting. En wie de dodendraad niet raakte, voelde de honger, het tekort aan alles, en de angst om op te vallen. In sommige dorpen verdwenen jonge mannen naar Nederland of Engeland, veel frontsoldaten zouden nooit terugkeren. De kerk bleef houvast bieden, maar ook de troostende woorden van de pastoor konden de lege stoel aan tafel niet doen vergeten.
Tussen twee werelden
Na de oorlog leek er even hoop. De jaren twintig brachten voorzichtig herstel. In de dorpen kwamen betere wegen en het netwerk van publieke waterpompen werd uitgebreid en verbeterd, een broodnodige vervanging voor het oude putwater. Elektriciteit deed voorzichtig haar intrede, maar veel gehuchten moesten tot de jaren ’30 of zelfs tot na WO II wachten op aansluiting. Onderwijs werd beter georganiseerd. Nieuwe verenigingen zagen het licht, fanfares, toneelkringen, landelijke gilden, vrouwenverenigingen. Onze landbouwers kregen toegang tot enkele modernere werktuigen zoals dorsmachines, en tot kunstmeststoffen, maar het echte tijdperk van tractoren en grootschalige mechanisatie zou pas na de Tweede Wereldoorlog beginnen.

De tweede klap
In 1940 begon de tweede wereldbrand. Velen hadden nog nachtmerries van de vorige oorlog. En toch, de Duitsers waren daar weer. Bruggen werden opgeblazen, huizen beschoten.
Ook tijdens de bezetting was het geen rustige tijd. Verzetsdaden, collaboratie, rantsoenering en onderdrukking maakten het dagelijkse leven moeilijk. Toch werd er ook gefeest, in het geniep. Er werd getrouwd, kinderen werden geboren.
Het ergst werd het in september 1944, bij de slag aan het Leopoldkanaal. Terwijl de bevrijding nabij leek, liep de regio vast in een bloedige strijd langs de vaart. Canadese troepen probeerden het Leopoldkanaal over te steken, recht in het vuur van de Duitse stellingen. De eerste aanvallen kostten veel levens, maar uiteindelijk waren het de Duitsers die de zwaarste verliezen leden. Velen van de Canadese gesneuvelden vonden later hun laatste rustplaats op het Canadees Militair Kerkhof van Adegem.

Na de oorlog pakte men de draad weer op. Het kostte moeite, maar het leven ging verder.
Nieuwe dorpen, oude zeden
Na 1945 zette de modernisering zich pas echt door. In België werd in 1956 met ruilverkaveling gestart, met als doel het verbeteren van de landbouwstructuur. Weilanden maakten plaats voor akkers, percelen werden samengevoegd en typische stukjes landschap zoals kreekresten, oude dijken en sloten verdwenen langzaam. Het ging om een evolutie over enkele decennia, die vooral in de jaren zestig en zeventig zichtbaar werd. Intussen begon de landbouw zich werkelijk te mechaniseren: tractoren, melkmachines en andere werktuigen deden hun intrede. Vanaf de jaren zestig kreeg de veeteelt het moeilijk en verminderde het aandeel grasland in de totale landbouwoppervlakte.
Gezinnen kregen stromend water en later ook centrale verwarming. De stoomtram verdween, de auto kwam. Scholen werden groter, jongerengroepen zoals Chiro en KSA groeiden vanaf de jaren vijftig, muziekmaatschappijen kregen subsidies. Maar ook, het dorpsleven verschoof. De bakker reed rond met een camionette, het café werd een frietkot, en veel jonge mensen trokken weg, naar de stad en zelfs naar het buitenland.
In de jaren zestig en zeventig kwam het besef dat de dorpen zich moesten heruitvinden. Fusies kwamen eraan, in 1977 werden onze vijf gemeenten, Sint-Laureins, Sint-Jan-in-Eremo, Sint-Margriete, Watervliet en Waterland-Oudeman, één grote gemeente Sint-Laureins, met zes dorpskernen en in totaal 6.777 inwoners. Niet zonder protest, maar de beslissing was genomen. Er kwam één gemeenteraad, één administratie, één burgemeester. Maar, alle fusies ten spijt, bleef het hart van elk dorp kloppen. Elk behield zijn eigenheid. Wij zouden het niet anders willen.
Laat ons eens een kijkje nemen in onze dorpen tijdens die periode.
Sint-Jan-in-Eremo
1900-1914
Begin twintigste eeuw was Sint-Jan-in-Eremo een uitgesproken landelijk dorp, met verspreide boerderijen in de polders. De eigenlijke dorpskern van Sint-Jan bleef klein, terwijl Bentille intussen was uitgegroeid tot het kloppend hart van de gemeente. Daar vond je de meeste huizen, cafés, winkels, een schooltje en, jawel, een tramhalte. Want van Eeklo tot IJzendijke tufte de stoomtram onverstoorbaar langs de polderwegen, en hield halt in Bentille. Het beestje werd liefkozend “Kamielken” genoemd. Geen hogesnelheidslijn, maar wel een godsgeschenk voor wie naar de markt in Eeklo wilde of bieten moest verzenden naar de andere kant van de grens. Kamielken bracht beweging in het dorp.
Van bij het begin was Sint-Jan een wielerminnende gemeente want al in 1903 werd de veloclub Niet al te ras opgericht. Een voorloper van WTC Bentille?
Wie naar de Boerekreek afzakte, kwam vroeg of laat voorbij het Hooghuis. Dat stond er al voor de eerste wereldoorlog, vlak op de dijk, met zicht over het water. Daar baatte Brun de Visser het eerste echte palingrestaurant van de streek uit. Voor 1,50 frank kreeg je een portie paling in het groen, een paar boterhammen en een halve liter bier.

Brun was trouwens ook een beetje ambtenaar, hij gaf visvergunningen uit maar schreef die gewoon op de achterkant van een postkaart. Geen formulieren, geen stempels.
Tot op vandaag spreekt het Hooghuis tot de verbeelding. Het staat er nog steeds, al ruikt het niet meer naar paling. Maar de nostalgie is gebleven.