Scheervlucht - Aflevering 33
Eerste Wereldoorlog
Toen in oktober 1914 de eerste Duitse troepen het Meetjesland binnentrokken, doken ze meteen ook op in Sint-Jan-in-Eremo, dat op dat moment nog een overwegend landelijk dorp was. Het dorp werd zoals de rest van Groot-Sint-Laureins ingelijfd bij het zogenaamde Etappengebied, geen frontlinie, maar een rustzone voor soldaten, een gebied onder streng militair bestuur.
Sint-Jan viel onder de Etappen-Kommandantur van Eeklo en stond lokaal onder toezicht van een Duitse Ortskommandant die in Watervliet zetelde. Hoewel er geen zware gevechten plaatsvonden, werd de bevolking onderworpen aan opeisingen. Vee, graan, brandstof, paarden, alles werd in beslag genomen ten dienste van de Duitse oorlogsmachine. Patrouilles trokken regelmatig door de velden om verborgen varkens of paarden op te sporen. De boeren trachtten hun weinige bezittingen vaak te verstoppen in putten, hooischuren of varkenskoten.

Van openlijk verzet was nauwelijks sprake, maar de dreiging van razzia’s en straffen maakte dat de meeste mensen low profile bleven. Toch was er een actieve sluikhandel via kleine smokkelroutes naar Nederland.
Veel jongens die niet naar Duitsland wilden om te werken, doken onder. In Sint-Jan gebeurde dat veelal in de Fleynus, het Zonnebos, dat toen nog veel groter was dan vandaag en tot dicht bij Bentille reikte. Het bos bood een goed onderkomen, en volgens de overlevering zijn de Duitsers er nooit in geslaagd hen daar op te sporen.
De Sint-Jansmolen werd tijdens de oorlog verwoest. De molen brandde op 1 maart 1915 uit. Naar het schijnt werd hij aangestoken omdat de Duitsers hem als uitkijkpost gebruikten. Wie dat deed, is niet met zekerheid bekend. Dus toch verzet in Sint-Jan?
Het dagelijks leven in Sint-Jan ging ondanks alles door. De akkers werden bewerkt, kinderen gingen naar school en in de kerk werd nog altijd de mis opgedragen. Het klooster in Bentille bleef overeind en bood onderdak aan enkele zusters die zich bekommerden om zieken en hulpbehoevenden. De bevolking protesteerde nauwelijks, maar erg gelukkig waren ze niet met de toestand. Boeren klaagden over het stelen van voedsel, en niemand wist wie men nog kon vertrouwen. Op den duur werden bewakingsploegen opgericht om de velden in het oog te houden.

Van bombardementen of zware oorlogsschade is in Sint-Jan-in-Eremo niets bekend. De bezetting verliep er stil, met voortdurende controle, schaarste en onzekerheid.
1918-1940
Zoals in elk dorp dat zichzelf respecteert moest er in Sint-Jan een fanfare komen.
Het begin van die fanfare begon eigenlijk met een ruzie binnen het kerkkoor. De oudere koorzangers hadden het niet zo begrepen op de jonge onderwijzer Kamiel De Clercq die het koor een nieuw elan wou geven. Dit generatieconflict leidde uiteindelijk tot de oprichting van een fanfare, want meester De Clercq, die bij zowat alle activiteiten in Bentille betrokken was, ging de uitdaging aan om een heleboel jonge mensen muziek te leren.
In 1919 was het dan zover, de Fanfare Nooit Gedacht werd boven de doopvont gehouden. In 1920 werd hun vlag gewijd.
Dat je het volle dorpsleven in Sint-Jan voornamelijk proefde in Bentille bleek uit het feit dat de fanfare tot ver in ’t omliggende bekend stond als ’t muziek van Metille, nooit dat van Sint-Jan.
Sindsdien werd de fanfare betrokken bij alle plechtigheden in de gemeente én bij die in het omliggende. Wegens ziekte, werk, weet ik veel, moest er af en toe wel eens een speler verstek laten gaan. Maar op de maandag van Bentillekermis waarbij alle cafés werden aangedaan, was er zelden eentje afwezig. De NG, Nooit Gedacht, op hun kepie werd die dag nogal eens verward met Nooit Genoeg!

In de zomer van 1924 werd een deel van de Graafjansdijk afgegraven om de baan Eeklo–Watervliet te verbreden en op te hogen. De angst voor overstromingen was blijkbaar voorbij, want waar vroeger elke dijkbreuk een ramp betekende, aarzelde men nu niet om een eeuwenoude dijk weg te nemen. Voor de werken werd een tijdelijk spoor gelegd, zodat de stoomtram de grond kon afvoeren. Daarnaast kwam er een smalspoor, waarop paardenwagentjes het zand naar de tramwagons brachten.
Hoewel Sint-Jan-in-Eremo eeuwenlang op papier de hoofdkerk van de parochie bleef, was het zwaartepunt van het religieuze leven vanaf het einde van de 17de eeuw geleidelijk naar Bentille opgeschoven. Pastoor Philippus van de Foreeste liet er rond 1700 een kapel oprichten, maar dat was in canonieke zin slechts een privékapel, die nog niets te maken had met de latere kerk.
In 1758 was het kapelletje van pastoor van de Foreeste al uitgegroeid tot een stenen éénbeukige kapel. Die werd in 1852 vergroot met vier traveeën naar het oosten toe. Traveeën zijn de opeenvolgende bouwstukken van een kerk, meestal elk met hun eigen gewelf erboven. De oude kerk van Sint-Jan bleef ondertussen bestaan, maar het dagelijkse parochieleven speelde zich almaar meer af in Bentille.
Het proces werd voltooid in het interbellum, in 1926 kreeg de kerk van Bentille over de hele lengte twee zijbeuken erbij, zodat het gebouw vanaf dan kon doorgaan voor een echte parochiekerk. En mocht er nog iemand aan getwijfeld hebben, Bentille was wel degelijk het zwaartepunt van de parochie geworden, zelfs al bleef de titel van hoofdkerk officieel nog altijd bij Sint-Jan.
Tweede wereldoorlog
Op 10 mei 1940 was het weer oorlog. Duitse vliegtuigen bombardeerden strategische punten in België. Ook in Sint-Jan en Bentille sloeg de schrik toe, al bleven rechtstreekse aanvallen bij ons uit. De pastoor schreef in zijn dagboek dat men bad en hoopte dat de Duitsers niet te dicht zouden naderen. Tevergeefs. Op 21 mei bezetten Duitse troepen het gebied; ze namen hun intrek in het klooster van Bentille en controleerden de doorgang over het Leopoldkanaal.
Maar als je dacht dat de mensen mooi braaf in hun huisjes bleven zitten tijdens de oorlog, dan dacht je mis. Ook in die beroerde tijden bleef het dorp leven. In de zomer van 1940 werd de schuttersgilde Sint-Jan-Baptist opgericht, met als basis het café In ’t Schuttershof bij Edmond De Wilde. De schuttersvereniging verdween toen cafébaas Edmond met pensioen ging en het café gesloten werd.
Toch werd de bezetting traag maar systematisch meer en meer gevoeld. Het klooster in Bentille werd deels opgevorderd door de Duitsers. De zusters mochten blijven, maar moesten hun gebouw delen met soldaten. De schoollokalen waren onbruikbaar. Les werd gegeven in geïmproviseerde zaaltjes of helemaal niet.
Vanaf 1942 verhardde de situatie. Jongens werden opgeëist voor verplichte tewerkstelling in Duitsland. Sommigen doken onder of werden via smokkelroutes naar Frankrijk geholpen. De grenzen werden streng bewaakt.
Er werd ook gesaboteerd, op de tramlijn en aan Duitse telefoonkabels. Op heterdaad betrapt worden betekende kamp of erger.

In het voorjaar van 1944 begon de Duitse bezetter al zenuwachtig te worden. Maar vanaf begin september werd duidelijk dat het front dichterbij kwam. Canadese troepen rukten op richting Zeeuws-Vlaanderen. De Duitsers trokken zich terug maar niet zonder slag of stoot. De streek rond Sint-Jan-in-Eremo en Bentille werd vooral een logistieke zone, terwijl de zwaarste gevechten plaatsvonden bij de oversteek van het Leopoldkanaal in Moerkerke en Maldegem, en verder noordelijk rond Eede en Oostburg. Bomen werden geveld voor versperringen, de sluizen van de noorddijk van het Leopoldkanaal werden opengezet. Grote delen van de Sint-Janspolder kwamen onder water te staan. Al eeuwen hadden ze hier last van het water, en niet zelden door mensenhanden. ’t Was dus weer van dat. Maar die van Sint-Jan waren niet van gisteren. Al van begin 1944 hadden ze de ellende zien aankomen en werden grachten gedolven en dammen aangelegd achter de huizen van de Sint-Janspolderdijk.
De Sint-Jansbrug werd opgeblazen. Een geïmproviseerde, gammele noodbrug bleef enige tijd de enige verbinding tussen het dorp en Bentille. Families die nog niet gevlucht waren, zaten vast tussen het water, de mijnenvelden en de artillerie. Kelders werden ingericht als schuilkelders, schoollokalen werden ziekenzalen, en het klooster veranderde opnieuw in een opvangcentrum. ’s Nachts gierden de granaten over de velden.
Toen de Duitsers zich begonnen terug te trekken, wilden ze al hun paarden afmaken. De Sint-Janners konden hen overtuigen dat ze die beter zouden verkopen, de boeren konden ze goed gebruiken en ze brachten nog een cent op. Een verkoop werd georganiseerd in de boomgaard van Paul Supré op de Krabbe. Op minder dan één uur tijd kregen alle paarden een nieuwe eigenaar. De gemiddelde prijs per paard bedroeg 350 frank terwijl voor een ezel 200 frank werd neergeteld.

Op 6 oktober staken de Canadezen het Leopoldkanaal over tijdens Operatie Switchback. Rond Bentille en Sint-Jan-in-Eremo bleef het relatief stil, maar de bevrijding kwam toch niet zonder gevolgen. Overal lagen achtergelaten munitie, mijnen en kapotgeschoten voertuigen. Kinderen mochten niet meer buitenspelen. Toch was de opluchting groot. Rond 17 oktober trokken de laatste Duitsers weg. De vlaggen werden bovengehaald, men bad een Te Deum in de gehavende kerk van Bentille.
De winter van 1944–1945 was streng. Huizen waren beschadigd, velden stonden onder water, en vee was verloren gegaan. Het duurde maanden voor de dijken hersteld waren. Sommige boeren konden pas in de zomer opnieuw zaaien. Het klooster moest hersteld worden. De scholen heropenden in het voorjaar van 1945, maar lesgeven was lastig zonder boeken, banken of lokalen.
Toch veerde het dorpsleven langzaam weer op. De mensen keerden terug van evacuatie, ondergedoken jongeren kwamen weer boven water. Er werd gerouwd om de doden, maar ook gevierd om de vrijheid. In de lente werden de eerste huwelijken opnieuw ingezegend. De zusters hernamen hun zorg voor bejaarden en kinderen. Het verenigingsleven herstartte schoorvoetend, fanfare, jeugdbeweging, toneel. De oorlog liet littekens na, maar Sint-Jan-in-Eremo en Bentille bouwden weer op.