Scheervlucht - Aflevering 34
1945-1960
Wie na de oorlog door de velden van Sint-Jan fietste, kon het niet missen, de doordringende geur van geroot vlas. Geen parfum voor fijngevoelige neuzen, maar voor de mensen van Tsien Tsan rook dat naar werk, inkomen en traditie. Het vlas was meer dan een gewas, het was een levenswijze.
Kort na WO II telde Sint-Jan nog ruim vijftig vlasboeren, die samen werk boden aan zowat 300 mensen. Vlas was zwaar werk. Het werd geoogst, geroot in sloten en kreken, gedroogd en dan gerecht en met een bepaalde wrong in kapelletjes gezet. Ja, het was wel specialistenwerk.

Na het zware werk in het vlas was het tijd om te ontspannen, dan werd er gebold. Gooien of rollen met bollen, het spel is honderden jaren oud. Of ze in die vroegere tijden ook al krulbollen bedoelden is niet met zekerheid geweten, hoewel “met de bol naar de staak werpen” er toch wel dicht bij aanleunt. De benaming krulbol komt pas midden en vooral einde 19de eeuw in zwang. Het lijkt simpel, maar wie dat denkt, moet het maar eens proberen tegen een veteraan van de Zonne. Want als er één wijk is waar ze van generatie op generatie aan krulbollen doen, dan is het wel op de Zonne.
Er had rond de eeuwwisseling zelfs een heuse vereniging bestaan, de Bolderssociëteit Altijd Bij, met als hoofdkwartier het café van Desiré De Clercq dat op de hoek van de Sint-Jansstraat en de Bentillestraat stond. Wanneer die ermee gestopt is, is niet bekend.
Veel hadden ze niet nodig. Een beetje een effen veldje langs de kant van de weg en twee stevige staken in de grond. Meer moest dat niet zijn om er een gezellige namiddag van te maken. Hoewel, een gezellige namiddag? De echtelijke ruzies als manlief na een namiddagje bollen midden in de nacht en niet heel nuchter thuiskwam, waren schering en inslag.
Vanaf eind jaren veertig veranderde het uitzicht van het dorp. De buurttram verdween. De wegen werden beter, de fietsen lichter, de tractoren zwaarder. Jongeren trokken naar Eeklo of Gent om te werken of te studeren. De kruidenierswinkeltjes sloten één voor één de deuren, mensen gingen naar de Nopri of ‘t Kousken in Eeklo. De landbouwers bleven geen keuterboeren meer, maar breidden uit met tractoren, melkmachines en kunstmest.
1960-1980
In deze periode deed de moderne mechanische bewerking van het vlas zijn intrede, wat meteen voor vele vlasarbeiders en kleine vlashandelaars het einde betekende.
Tegen het eind van de jaren zeventig was het bijna allemaal weg. Door de mondialisering van de handel konden onze vlassers niet op tegen het goedkope katoen of tegen linnen uit Rusland. Slechts een handvol vlasboeren hield stand. De rest was gestopt of overgestapt op graan, melk of zelfs fabrieksarbeid.
Dat er meer met de Boerekreek aan te vangen was dan gewoon als visvijver te gebruiken, was ook de Belgische Staat opgevallen. Bij Koninklijk Besluit van 15 oktober 1974 werd het rijkssportcentrum Boerekreek opgericht. Er werd een erfpacht voor 99 jaar getekend en de Boerekreek zou dienen voor de oprichting van een opleidingscentrum voor milieuvriendelijke activiteiten op het water: windsurfen, zeilen en kanovaren. Met het oog op mogelijke beschadiging van de oevers en rietkragen werden andere watersporten niet toegelaten. Ondertussen is de kleine sportieve nederzetting uitgegroeid tot één van de belangrijkste sportcentra in Vlaanderen.

Op 1 januari 1977 verloor Sint-Jan-in-Eremo zijn status als zelfstandige gemeente. Samen met Sint-Laureins, Sint-Margriete, Watervliet en Waterland-Oudeman werd het opgeslokt door de nieuwe fusiegemeente Sint-Laureins. Voor de toenmalige gemeenteraad klonk dat als het einde van een tijdperk. De “fatale datum”, zo werd het genoemd in de verslagen van de gemeenteraad.
Inwoners van Sint-Jan voelden het aan als een verlies van hun eigenheid. Geen burgemeester meer, geen gemeentesecretaris, geen eigen beslissingen kunnen nemen.
1980-2000
Na de fusie werd Sint-Jan echter niet vergeten. Zo kwamen er in de jaren tachtig en negentig enkele broodnodige investeringen. In Bentille werden plannen gemaakt voor een veiliger dorpskern. De wegen verbeterden, de verlichting werd vernieuwd, en de dorpen kregen, al was het mondjesmaat, aandacht binnen de grotere structuur.
In 1982, toen de Katholieke Werkliedenbond (KWB) in Bentille haar jaarlijkse laureaten huldigde in restaurant ’t Vlasschuurke, had niemand kunnen denken dat die feestavond de start zou betekenen van een wielerclub die tot op vandaag zou standhouden. Maar het gebeurde. Toen het officiële gedeelte achter de rug was en de pinten begonnen te smaken, verhuisde het feestgezelschap naar Café Prins van Oranje. Daar viel de kachelbuis uit de schouw, letterlijk, en werd WTC Bentille geboren, in de rook, het gelach en de goesting om iets nieuws op poten te zetten.

De club begon met 28 leden. En ze vlogen erin, ritten van 200 km, fietsenwijdingen, playbackshows en zelfs bedevaarten naar Lourdes op de fiets. Via de Tourmalet, mijnheer! Later kwamen daar ook de Mont Ventoux, de Waalse Pijl en de Elfstedentocht bij. Bentille had geen bergen, maar klimmers waren er genoeg.
Een beeldbepalend element voor de dorpskern van Sint-Jan is de watertoren. Het is een betonnen paddenstoelachtige toren, gebouwd in 1983. De typische trechtervorm wordt gekenmerkt door een hoge smalle schacht waarop een omgekeerde kegel werd ingepland.
Ondanks alle inspanningen van de bevolking, tot zelfs een mars op het hoofdklooster in Nederbrakel toe, besliste de Orde van het H. Hart in 1983 om de kloostergemeenschap in Bentille op doeken. Er waren te weinig roepingen en op het einde van ’t verhaal zaten er nog amper drie nonnetjes in het Bentilse klooster. Weer een brok geschiedenis dat verdween.
Sint-Laureins
We geven het meteen toe, Sint-Laureins komt een stuk ruimer aan bod dan de andere dorpen. Niet omdat het belangrijker zou zijn, maar gewoon omdat er van Sint-Laureins het meeste materiaal komt binnengewaaid bij ’t Sents Archief. Maar als we ooit eens een zolder mogen leegmaken in Sint-Jan, Sint-Margriete, Waterland-Oudeman of Watervliet, dan zijn de zaken in een wip misschien wel omgedraaid.
1900-1914
In 1900 telde Sint-Laureins iets minder dan 2.500 inwoners. Het dorp zelf ligt op zandgrond, net vóór het Leopoldkanaal, pas voorbij de vaart beginnen de zware kleipolders.
Onderwijs was eenvoudig maar degelijk. De meisjesschool lag in de Dorpsstraat, onder leiding van de zusters van het Godshuis. Jongens liepen school in de Leemweg. Meisjes leerden naaien, breien en catechismus, jongens lezen en rekenen, als ze tenminste niet op het veld moesten helpen.
Het geloof bepaalde het ritme van het jaar. Twee processies per jaar trokken plechtig door de straten. Vaandels, misdienaars, zusters, de pastoor onder de baldakijn, een suisse met hellebaard en de fanfare voorop, heel het dorp stapte mee. Wie thuisbleef moest het uitleggen. Wie het waagde een pint te pakken tijdens de stoet, werd bekeken als een heiden. Na de processie daarentegen …

De pastoor had macht. Niet alleen over zielen, maar ook over scholen, zeden en gemeentebesluiten. En onder zijn toeziend oog groeide ook het Godshuis, een thuis voor zieken, wezen en bejaarden, gerund door toegewijde nonnen.
Tot 1796 maakte Sint-Laureins deel uit van het ambacht Maldegem. De schepenkamer bevond zich toen op de bovenverdieping van de herberg Sint-Hubertus in de Dorpsstraat, naast de vroegere herberg De Pluim. Ook na de inrichting als zelfstandige gemeente bleef de administratie daar gevestigd. Vanaf 1830 verhuisde ze naar verschillende cafés in de Dorpsstraat. Laatst was de administratieve zetel gevestigd in de herberg waar we nu Café Feestzaal De Keyser vinden. Die herberg heeft nog lang de naam Oud Gemeentehuis gedragen.
Op het Antonia Van Dammeplein, dat in die tijd nog zo niet noemde, stond sinds mensenheugenis de pastorij van Sint-Laureins. De woning van de pastoor dus. Die woning werd echter oud en tochtig en het was er zo bar koud dat de pastoor het niet langer zag zitten en verhuisde naar een nieuwgebouwde woning, een eind verder in de Leemweg. De oude pastorij op het plein stond toen praktisch leeg en begon te verloederen. Alleen de onderpastoor had er nog een kamertje ter beschikking.
De gemeente Sint-Laureins zag er wel wat in om de oude pastorij af te breken en in de plaats een splinternieuw gemeentehuis op te richten. Het gemeentebestuur haalde nog aan dat het voordeelig zou zijn, volgens den wensch der inwooners en voor de verfraeying van de gemeente, van een dorpsplein te hebben. Een nieuw gemeentehuis op een nieuw plein dus.
Na vele bezoeken door de gemeenteraadsleden aan de gemeentehuizen van Aardenburg, Beveren, Sint-Niklaas, Kruibeke en Kieldrecht, werd definitief beslist om een nieuw gemeentehuis te bouwen. De kosten werden geraamd op 25.000 frank.
In mei 1902 werd het gemeentehuis feestelijk ingehuldigd.

De Leemweg was ooit niet meer dan een slijkerig karrenspoor. Toen Antonia Van Damme in de jaren 1840 haar Godshuis liet bouwen, kon het materiaal amper tot op de werf geraken. Frans Huyghe, neef van Antonia én burgemeester, zag er een kans in, hij liet op eigen kosten een deftige steenweg aanleggen van Sint-Laureins tot Balgerhoeke, op voorwaarde dat hij tol mocht heffen. Zo werd de Leemweg de eerste, en enige, tolweg van Sente. Vijftig jaar lang ging er bij elke passage een cent in de schuif van de familie Huyghe.
In maart 1906 begint het de Sentenaars toch zo een beetje de strot uit te komen. De zaak wordt op de gemeenteraad van maart besproken. Na heel wat gepalaver, gedreig en onderhandelingen met de familie Huyghe wordt in mei 1908 de steenweg uiteindelijk door de gemeente aangekocht. Gedaan met de tolweg!

In de jaren voor de Eerste Wereldoorlog begon het Sentse dorpsleven uit zijn voegen te barsten. Verenigingen groeiden. Er werd gezongen, gemusiceerd, vergaderd en toneel gespeeld, maar altijd ergens bij iemand thuis of op café. Toneel werd bijvoorbeeld gespeeld in de meisjesschool waar de schutsels tussen de klassen moesten weggenomen worden om plaats te maken.
Onderpastoor Spitaels vond dat dit beter kon en hij zette zijn schouders onder de oprichting van een heuse parochiezaal, palend aan de meisjesschool. Fanfare en zangkoor, katholieke verenigingen, schoolfeesten en prijsuitdelingen, voordrachten en misschien wel een toneelavond op zijn tijd. Het werd een centraal trefpunt waar het katholieke en sociale leven van het dorp beleefd werd, maar onder het waakzame oog van de parochie.
En zoals zo dikwijls bij een geslaagd initiatief, stak een ander de pluimen op zijn hoed. Spitaels’ baas, pastoor Van Havermaet, noteerde in zijn dagboek: “In ’t jaar 1911 heb ik ene feestzaal gebouwd, die moet dienen voor vergadering van alle sociale werken, alsook voor concerten en prijsdeelingen. De zaal heeft mij twintigduizend franken gekost.”