top of page
< Back

Scheervlucht - Aflevering 35

​

Eerste Wereldoorlog


In de vroege herfstdagen van 1914 was het gedaan met de stilte in de polders. De oorlog die al sinds augustus over België raasde, bereikte op 14 oktober ook Sint-Laureins. Waar in andere dorpen de Duitsers zonder veel tralala hun intrek namen, liep het hier anders. Ene kapitein Nijssens, die met een honderdtal lansiers van het Belgisch leger op de dool was na een gevecht in het Hulleken, tussen Evergem en Sleidinge, had zich in de buurt van de Moershoofdebrug opgesteld. Burgemeester Ingels probeerde hem nog op andere gedachten te brengen, hij wist dat de Duitsers met duizenden waren, en dat weerstand zinloos zou zijn. Maar Nijssens wilde zich niet zomaar gewonnen geven. Het kwam tot een kort vuurgevecht. Nijssens werd zwaargewond, de Belgen moesten zich terugtrekken naar Nederland, waar ze de rest van de oorlog in een kamp moesten doorbrengen, en de brug werd ingenomen. Zo begon de bezetting.



De villa van burgemeester Ingels in de Leemweg, naast de latere melkerij, basis van ’t Sents Archief, werd meteen ingepalmd als hoofdkwartier van de Duitse legerleiding. De eerste dagen na de inval volgden de opeisingen elkaar snel op, voedsel, paarden, varkens, runderen, karren… Alles wat kon dienen, werd meegenomen. Fietsen buiten de gemeentegrens was verboden, de avondklok liep van 19 uur tot 6 uur, kranten verdwenen, en brieven versturen was onmogelijk geworden.


De brug over het Leopoldkanaal bij Moershoofde werd afgesloten. Die brug was tot dan een vluchtroute voor mensen uit het binnenland, op zoek naar de neutrale grens. Nu waren Moershoofde, de Kantijne en de Oosthoek volledig van het dorp afgesneden. Grotere vluchtelingenstromen vielen stil, maar kleine groepjes waagden zich nog via vlotten of zwemmend naar de overkant, met gevaar voor eigen leven.


Op 10 en 11 november 1914 bliezen de Duitsers systematisch alle bruggen over het Leopoldkanaal op, van Heist tot voorbij Sint-Laureins. Alleen de brug naar Watervliet bleef gespaard. In ’t Getrouwe Maldegem van 12 november lezen we hoe de Neelskensbrug richting Sint-Margriete werd opgeblazen. De knal verbrijzelde de ruiten van de herberg die er vlakbij stond.


Het werd nog erger toen de Duitsers begonnen met het opzetten van Den Draad, een elektrische grensversperring die onder stroom stond en de vlucht naar Nederland moest verhinderen. De draad liep langs het Leopoldkanaal, daardoor raakten Moershoofde en de Oosthoek nog verder afgesneden van het dorpscentrum. Die zone kreeg in de volksmond de naam Klein België, een niemandsland zonder Duits gezag, zonder belastingen of opeisingen, maar ook zonder politie, scholen of pastoor.


Kinderen uit Moershoofde konden door den Draad niet meer aan de school geraken. Daarom richtte het gemeentebestuur van 16 maart 1916 tot 18 november 1918 een noodschool in de oude vellenfabriek op. De gezusters Gerarda en Jeanette De Taeye, zonder onderwijsdiploma maar met veel goede wil, gaven er les aan zo’n 65 kinderen.



Ondertussen werd het gewone dorpsleven door de Duitsers tot in de kleinste details gereglementeerd. Zo moesten in september 1915 lijsten aangelegd worden van alle metsers, timmerlieden, schrijnwerkers, schilders, dakwerkers, slotenmakers en schoenmakers. De Etappenkommandant Aegidi eiste 100 man. Toen niemand zich spontaan aanmeldde, wees de Ortskommandant mannen aan die verplicht werden mee te gaan naar Eeklo.


Zo ook in 1917. Alle klompenmakers moesten dan elk 25 paar klompen maken voor de Duitse overheid. Geen van hen had zogezegd hout of tijd maar de burgemeester werd verplicht om van elke verklaring een proces-verbaal op te stellen.


De bezetter eiste intussen ook vermaak. In september 1915 moest er een balzaal ingericht worden voor de soldaten, met alles erop en eraan, badkuipen, ketels, spiegels, emmers, kachels, tot een gat in het dak voor de damp van het douchen toe. Waar die balzaal stond is niet meer geweten.


In 1917 gingen ze nog een stapje verder, er kwam een casino voor officieren in de Flamingstrasse, ingericht met gestolen meubilair uit het Godshuis, een piano van dokter Jules Geersens, en zelfs asbakken en een tapijt. Ook de precieze plaats van dat casino staat niet vermeld.



Op 1 november 1918 bevrijdden Belgische troepen, deel van het geallieerde leger, Sint-Laureins. Den Draad stond nog onder stroom, maar op 2 november rukten Belgische militairen Klein België binnen. Met enkele handgranaten werd de versperring opgeblazen. Voor de Sentenaars was de oorlog voorbij.


In 1919 werd de Oud-strijdersbond van Sint-Laureins opgericht, met meester Gailliaert als voorzitter. Nog datzelfde jaar werd op kermiszondag een vrijheidsboom geplant voor het gemeentehuis, een jonge beuk die vandaag nog altijd waakt over het oorlogsmonument dat er een jaar later kwam.


1918-1940


Den Grooten Oorlog was eindelijk voorbij. Soldaten keerden terug, gezinnen vonden elkaar terug, of bleven verweesd achter. De scholen gingen open, het dorpsleven kwam langzaam weer op gang. Maar écht zorgeloos werd het nooit meer. De honger en de ontbering hadden diepe sporen nagelaten, en de jaren twintig werden geen gouden tijd.


Na de oorlog kwamen de eerste schadevergoedingen traag op gang. Pas eind 1923 kreeg de gemeente eindelijk geld in handen om het ergste leed enigszins te verzachten.


Het dagelijks leven moest intussen gewoon verder. De vellenfabriek op Moershoofde, die tijdens de oorlog nog als school had gediend voor de kinderen van Klein België, werd tussen de oorlogen omgebouwd tot arbeiderswoningen. Ze kreeg een nieuwe bestemming, maar behield de oude bijnaam, ’t fabriekje.


In diezelfde periode kreeg Sint-Laureins er ook een figuur bij die zijn stempel zou drukken op het dorpsbeeld, veldwachter Jules Latomme. Geboren in 1885 ging hij eerst als landarbeider en vlasbewerker aan de slag. Tijdens de Eerste Wereldoorlog had hij trouw zijn plicht gedaan aan de IJzer. In 1920 werd hij tot champetter benoemd. Eerst was hij van gewone bouw, maar met de jaren vergaarde hij een ander soort reputatie, die van de dikste veldwachter van Oost-Vlaanderen, en volgens sommigen zelfs van heel België. In zijn volle glorie bracht hij 146 kilo op de weegschaal. In Sente sprak men van den dikken sapitter, en daarbuiten wist men precies wie bedoeld werd als men het had over den dikken sapitter van Sente. Toen de jonge Laurent De Sutter in 1938 met zijn 25 jaar tot burgemeester werd benoemd, hield de gemeente meteen twee records in handen, de jongste burgemeester én de zwaarste veldwachter van het land.



In 1928 zat het gemeentebestuur met een dilemma: moest men nu eindelijk den elektriek doortrekken naar de wijken van Sente, of nog een beetje wachten tot de olie op was? De inwoners waren verdeeld. Sommigen vonden hun olielamp nog goed genoeg, anderen droomden van een toekomst zonder walm. Na veel vijven en zessen werd in 1930 beslist om dan toch de grote straten aan te sluiten op het elektriciteitsnet. In de buitenwijken was het geduldiger wachten, daar duurde het tot na WO II eer de laatste olielampen uitgingen, in de Oosthoek zelfs tot 1954.


En dan was er de tram. Al sinds 1897 zat Sint-Laureins te wachten op een aansluiting op de buurtspoorweg. Elk jaar kwam er een nieuwe studie, een nieuw plan, een nieuwe commissie. Tegen 1921 leek het dan toch te gebeuren, de verbinding Eeklo–Balgerhoeke–Sint-Laureins–Oostburg zou er komen. Dat dachten ze toch.


Maar zoals zo vaak in de Sentse geschiedenis liep alles vast in studies, Hollandse twijfel en Belgische traagheid. De lijn werd nooit aangelegd. Tegen 1940 had de Nationale Maatschappij der Buurtspoorwegen de hele zaak afgevoerd, de bus was intussen doorgebroken. En dus bleef Sente tramloos, een halve eeuw gepalaver ten spijt.


Toch werd er ook gefeest. In 1928 herdacht de fanfare met de Brabançonne en de Vlaamse Leeuw enthousiast dat WO I tien jaar voordien eindigde. Twee weken later vroegen ze de gemeenteraad om een iets ruimere toelage. Die werd met eenparigheid van stemmen geweigerd. Voor vorst en vaderland mochten ze uit volle borst blazen, maar als er een duit in het zakje moest voor de werking van de fanfare, dan kon het er plots niet meer af.


Toch hielden ze vol, tot een interne ruzie in 1937 het doek liet vallen over Concordia. De instrumenten werden ingeleverd, en daarmee verdween ook de klank uit het dorpshart. Het werd wachten tot 1944 vooraleer de nieuwe fanfare Sint-Michielskring weer leven in de brouwerij zou brengen.


En ook de kerk bleef haar invloed behouden. De misdienaars, zondagsscholen, broederschappen en godsvruchtige genootschappen bloeiden als vanouds. De jeugd leerde lezen en schrijven bij de zusters, en zedenleer kwam vooral vanop de preekstoel.


Toch was het geen rustige tijd. De crisis van de jaren 1930 trof ook het platteland. Veel boeren zaten met de handen in het haar, de middenstand had het moeilijk, en jongeren trokken naar de stad op zoek naar werk. In het Godshuis liepen de onderhoudskosten beetje bij beetje op. Het gebouw begon tekenen van verval te tonen, maar geld om te renoveren was er niet.


En toch werd de cultuur in het interbellum niet vergeten. “Voor godsdienst, taal en vaderland”, onder dat motto werd in 1932 ook in Sint-Laureins een afdeling van het Davidsfonds opgericht. Er waren al van bij het begin 92 leden. Het bestuur ontwikkelde meteen een grote activiteit en lanceerde 11 julivieringen, voordrachten, ontspannings- en toneelavonden.


In de jaren ’30 konden we in onze gemeente zelfs naar de film, en wel in de Pluim. Fons Longueville baatte er in de jaren 1930 een cinema uit. Zwart-witte stomme films, al dan niet begeleid op piano door zus Louise.

 

 

Later zouden in de cinemazaal bolbanen aangelegd worden. De Pluim werd het Boldershof.

En dan begon het weer te rommelen in Europa. De oude vijand roerde zich opnieuw. Niemand kon het geloven, maar toch, op 10 mei 1940 vielen de Duitsers België weer binnen.


Sint-Laureins stond opnieuw aan het begin van een woelige tijd.

bottom of page