Scheervlucht - Aflevering 36
Tweede Wereldoorlog
De Duitsers waren daar weer. De oorlog die al maanden in de lucht hing, stond plots aan de deur. Vanuit het oosten rolden Duitse tanks België binnen. In Sint-Laureins voelde men de dreiging snel dichterbij komen. De eerste dagen brachten verwarring, geruchten en militair verkeer. Vreemden trokken door het dorp, Belgische soldaten op doortocht, vluchtelingen uit het binnenland, Duitse verkenners aan de rand van de velden.
Op 24 mei 1940 bliezen Belgische genietroepen de brug op van Moershoofde. Kort daarna was het duidelijk, de vijand was er, en hij zou niet meteen weer vertrekken.

De bezetting begon stil. Soldaten kwamen het dorp binnen, namen gebouwen in, richtten controleposten op en deelden bevelen uit die niemand durfde te negeren. Alles veranderde. Op straat werd niet langer vrijuit gesproken. Mensen bleven vaker binnen, in hun huizen en boerderijen. Het gewone leven ging door, maar zonder de vroegere zorgeloosheid.
De Duitsers hielden Sint-Laureins nauwlettend in de gaten. Wie zich op straat liet zien, kon gecontroleerd worden. De grens lag vlakbij en de streek stond bekend als een risicogebied. Boeren moesten hun oogst afgeven en zonder discussie gehoorzamen. Op de zwarte markt liepen de prijzen hoog op. Koffie, zeep en tabak, alles wat niet van het land kwam, werd pure luxe, en wie toch probeerde te smokkelen, speelde met zijn leven.
In 1943 haalde de bezetter de klokken uit de toren. Twee bronzen kanjers die jarenlang het ritme van het dorp hadden aangegeven, verdwenen naar Duitsland om te worden omgesmolten tot oorlogstuig. Hun wegvoering liet stilte achter en een gevoel van machteloosheid.
Toch gaf Sint-Laureins niet zomaar op. Mensen vonden elkaar in een kleine kring van bekenden, luisterden ’s avonds in het geheim naar de BBC en hielpen elkaar waar dat kon.
Intussen kregen jongeren bevel zich te melden voor tewerkstelling in Duitsland. Sommigen gingen noodgedwongen mee, anderen doken onder bij familie of bekenden, maar leefden elke dag in angst om ontdekt te worden.
Op 16 september 1944 trokken Canadese troepen Sint-Laureins binnen. Velen dachten, het is voorbij. Aan het gemeentehuis van Sente werden drie vlaggen gehesen, de Belgische in het midden, de Engelse links en de Amerikaanse rechts. Ze zullen geen Canadese vlag gehad hebben zeker, wat niet onlogisch was want de Canadese troepen vochten in Europa onder de Britse Union Jack. In 1944 kenden we de Canadese vlag in Vlaanderen dus nog niet.
Toch bleef het gevaar vlakbij. Aan de overkant van het Leopoldkanaal hielden nog Duitse troepen stand. De brug van Moershoofde mocht dan wel opnieuw vernield zijn, het dorp lag nog lang niet buiten schot.
Op 21 september gebeurde het onverwachte. Een groep SS'ers die zich nog schuilhield op Moershoofde stak het kanaal over en nam het gemeentehuis in. Iedereen die er toevallig was, ambtenaren, voorbijgangers, werd onder schot gehouden. De vlaggen moesten omlaag. De aanwezigen werden verplicht munitiekisten naar de vaart te dragen. Onder dreiging van geweld sleepten ze de lading door het dorp, tot de Duitsers hen uiteindelijk vrijlieten. Nauwelijks waren ze terug op weg of er brak een vuurgevecht uit met de gealarmeerde Canadese troepen. De gegijzelden vluchtten alle kanten uit, geschrokken maar ongedeerd.

Voor veel inwoners was de bevrijding geen feest, maar een wekenlange overlevingstocht. Julia Cusse, toen zestien, woonde met haar familie in de oude vellenfabriek op Moershoofde. Toen de eerste granaten vielen, sloegen ze op de vlucht. Eerst schuilden ze bij Meulemeesters, waar Duitse soldaten een veldkeuken hadden ingericht. Daarna trokken ze van hoeve naar hoeve, de Keursteenweg, de Kattenhoek, Waterlandkerkje… Altijd weer op de dool, op zoek naar een veilige plek, vaak zonder eten, soms onder vuur. Pas weken later konden ze terugkeren. Het huis lag in puin. Ze sliepen in de meisjesschool, later in Ten Doorn in Eeklo. De oorlog was gedaan, maar het gewone leven liet op zich wachten.
1945–1960
De meeste huizen kwamen de oorlog min of meer ongeschonden door, maar in het dorp en zeker op Moershoofde lagen sommige woningen volledig in puin.
De muzikanten probeerden na de oorlog de draad weer op te nemen. De oude fanfare Concordia, ooit de trots van het dorp, was in de jaren ’30 stilgevallen. Een mengeling van interne ruzies en een gebrek aan gemeentelijke steun had haar de das omgedaan.
In 1944, toen de oorlog nog nasmeulde, kwamen enkele oud-muzikanten opnieuw bijeen. Ze richtten de Sint-Michielskring op, onder impuls van koster-organist Albert De Keyser.
Er werd opnieuw gemusiceerd op processies, kermissen, dorpsfeesten. De eerste jaren was het behelpen, geen uniformen, oude instrumenten, partituren die in kartonnen dozen bewaard werden. Maar de motivatie was groot. Jong en oud speelden samen, sommigen lazen noten alsof het de gazet was, anderen vertrouwden gewoon op hun gehoor.

Tegen de jaren ’60 was de fanfare weer een vaste waarde. Er werden uitstappen georganiseerd naar dorpen in de buurt en zelfs optredens in Brugge en Gent. Wie erbij was, weet het nog, de sfeer op die bussen, het geroezemoes voor het concert, de pint achteraf in een cafeetje.
De Sint-Michielskring was geen eliteclub. Het was een dorpsfanfare pur sang, met veel hart, soms een beetje vals, maar altijd enthousiast. En ze drukte, net als de Chiro zou doen, de boodschap uit die het dorp toen zo hard nodig had, Sente leefde opnieuw.
Het Godshuis, ooit symbool van bescherming en zorg, stond er na de oorlog haveloos bij. De nonnen hadden hun handen vol met scheuren en lekkende zolders.

En toch… in 1949, precies honderd jaar na de oprichting, vierde het Godshuis feest. Er was een turnfeest, een Vlaamse kermis, een tentoonstelling in de vochtige keldergangen waar tijdens de beschietingen van 1944 hele gezinnen hadden zitten bibberen. Er was zelfs een circus. Het hele dorp liep uit, niet alleen voor het feest, maar ook om te steunen. De opbrengst ging namelijk naar de meisjesschool, drie klassen waren daar volledig vernield. De zusters zelf, onder leiding van een onverzettelijke moeder Rosine, stonden mee op de werf. Ze sorteerden en kuisten bakstenen en baden ondertussen voor cement. In juli 1950 werd de nieuwe school plechtig ingezegend.
De kinderen van Sint-Laureins hadden tijdens de oorlog zes jaar lang niet al te veel lol gehad. Ze hadden nood aan meer dan catechismus en aardappelen planten. Ze wilden zingen, spelen, ravotten en vooral, ze wilden een plek waar ze geen schrik meer hoefden te hebben.
Het dorp moest een eigen Chiro krijgen. De jongens begonnen. In 1950 namen onderpastoor Van Hulle en Georges De Pover, de enige met een beetje ervaring in jeugdwerking, het voortouw. Eenvoudig was dat niet. Ze begonnen met niets. Geen lokalen, geen geld, een beetje ervaring maar veel goesting. De eerste leiders, Wilfried Van Killegem, Wilfried Ruebens, Michel Dedrie en Dionys Minnebo, wisten amper hoe eraan te beginnen. Maar ze stonden er, elke zondag opnieuw.
De jongens werden verdeeld in vendels, elk met een eigen naam, Breydel, Artevelde, De Coninck, Borluut. Ze marcheerden door de Leemweg alsof ze het dorp gingen veroveren. De onderpastoor begeleidde zangstonden en nam hen mee naar de Zonne, naar de Kleine Vlotweg en zelfs naar het kelderke onder het podium van de Sint-Michielszaal, hun allereerste lokaal.
En dan waren er de kampen. In 1951 trok men naar de Fleynus, een jaar later naar Waterland-Oudeman, en tegen 1953 al naar de Ardennen. Wie daar was, vergeet het nooit, de vlaggengroet bij het krieken van de dag, strobalen als matras, muizen in de gamel, leiders die stiekem een pint gingen drinken. Het was hard, simpel, en onvergetelijk.

In 1953 werd het kerkhof uitgebreid met een lap grond, ten zuiden van het bestaande kerkhof. Petrus De Keyzer, onze koster sinds 1891, had zich gevestigd in de Leemweg, juist naast het kerkegangsken. Op de grens met het kerkhof dus. Hij overleed in 1928 en zijn kinderen wilden een blijvende herinnering aan hun vader nalaten. Zij braken een deel van de muur af die het kerkhof van hun eigendom scheidde en bouwden in hun tuin, meegefinancierd door giften van de bevolking, een kapel die werd toegewijd aan Onze Lieve Vrouw van Banneux. Waarom die van Banneux? Wel die verschijningen van de maagd Maria aan de Waalse Mariette Beco dateerden weliswaar al van 1933 maar werden pas in 1949 door de bisschop van Luik erkend. En laat dat nu net de periode zijn waarin het idee van de kapel vorm kreeg. De kapel werd op 10 mei 1953 ingewijd. Het werd een mooie kapel met een marmeren Onze-Lieve-Vrouwbeeld van de Brugse beeldhouwer Dupont. In de tijd waarin er nog niet al te veel gecremeerd werd, werd hier na de begrafenisdienst een laatste groet gebracht aan de overledene.
In 1955 deden ook de meisjes een gooi naar hun eigen jeugdgroep. Hedwige Blondeel en Yvette Staelens trokken de stoute schoenen aan en probeerden een meisjeschiro op te richten. Maar pastoor Moens had daar geen oren naar. Chiro was hem te modern, te vrijgevochten. Dus noemden ze zich de Edelweisjes, een alternatief dat wat braver leek, zonder uniform en zonder officiële erkenning. Maar ze gaven niet op.
In 1957 draaide de wind, de pastoor ontdooide, en de meisjes mochten zich aansluiten bij de officiële Chiro. De groep kreeg de naam Sint-Lutgardis, met onderpastoor De Geyter als proost, een man die volgens de overlevering niet bepaald straalde van enthousiasme. Gelukkig kwamen later figuren als Van Laere en Van Wichelen, die wél voeling hadden met jongeren.
De meisjesgroep bloeide open. Met een vlag, een uniform, eigen liederen en, niet te vergeten, eigen kampverhalen. Hedwige en Yvette bleven nog lang de stille motor van die werking.

Vanaf 1954 had de jeugd ook letterlijk ruimte gekregen. Op grond van de COO, de voorganger van het OCMW, was een speelplein ingericht. Onderpastoor Van Hulle plantte er eigenhandig bomen. Er kwamen gymnastiekfeesten, optredens en pleinspelen. De jeugd had eindelijk een plek waar ze niet gedoogd werden, maar gewenst waren. De feestelijke opening was op 5 juni 1955, hoewel ze pas in 1956 het gebouwtje op het plein zouden oprichten.
De Chirojongens gebruikten het terrein voor hun activiteiten, de meisjes volgden niet veel later. Er werd gevoetbald, gelopen, gespeeld en zelfs gemarcheerd, door de jongens dan toch.
In navolging van De Pluim konden we eind jaren ’50 opnieuw naar de cinema in Sente. Een filmclub zorgde ervoor dat de parochiezaal op winterse zondagavonden werd omgevormd tot een cinemazaal. Met dank aan het Davidsfonds.