top of page
< Back

Scheervlucht - Aflevering 37

​

1960-1980


Die parochiezaal, opgericht in 1911, was jarenlang een van de drukst bezochte plaatsen van het dorp. Toneelopvoeringen, bonte avonden, filmvoorstellingen, het passeerde er allemaal. Af en toe stonden er zelfs artiesten op het podium die ook ver buiten Sint-Laureins bekend waren, zoals de Gentse “Drie Charels”. Vrijwel elk weekend was er wel iets te doen.


Maar hoe bruisend het er ook aan toeging, één principe bleef onaantastbaar: in de parochiezaal was geen bar en die zou er ook nooit komen. De pastoors wilden het zo. Alcohol hoorde volgens hen niet thuis in een kerkelijke omgeving. Dat standpunt werd consequent volgehouden, met een voorspelbaar resultaat. Zodra de pauze begon, liep de zaal leeg.


Voor de kinderen was dat geen probleem. Zij trokken richting het snoepwinkeltje van Marietje Cusse om hun frank pree te spenderen. Voor de volwassenen lag de zaak anders. Die hadden één duidelijke bestemming: het café van Leona Vanderhaeghen, vlak rechtover de parochiezaal. Leona en haar echtgenoot Hilaire Bonamie hadden in september 1961 het winkeltje dat daar tot dan toe was uitgebaat overgenomen en er een café van gemaakt. Dat bleek een schot in de roos.


Het café van Leona werd al snel een vaste waarde in het dorpsleven. Meer nog, het nam een rol op zich die de parochiezaal zelf niet mocht vervullen. In de praktijk fungeerde het café als de bar van de parochiezaal. Van heinde en ver bekend, altijd vol en steevast het kloppend hart tijdens elke pauze. Wie naar een voorstelling kwam, wist dat de echte ontmoeting zich aan de overkant van de straat afspeelde.


Was er “iets” te doen in de parochiezaal en zat er een pauze in het programma, dan werd het publiek als vanzelf richting Leona gezogen. Een snelle pint, een korte babbel, als het lukte zelfs een tweede rondje, en dan weer terug naar de zaal voor het tweede bedrijf. Zo bleef de parochiezaal officieel braaf en alcoholvrij, terwijl het sociale leven zich tijdens de pauze en na de voorstelling onvermijdelijk concentreerde in het café van Leona.



Het café van Leona was bovendien niet alleen druk bij voorstellingen in de parochiezaal. Ook op gewone avonden, wanneer er geen toneel, film of feest op het programma stond, zat het café vaak goed vol. Het was een plek waar men elkaar opzocht, voor een pint, een babbel en het laatste dorpsnieuws, los van alles wat er eventueel aan de overkant van de straat gebeurde.


Begin de jaren zestig kregen we warempel een middelbare school in Sente. De 4de graad van de lagere school werd afgeschaft en, om de “trek van de leerlingen naar de stad” (Eeklo) te bestrijden schakelden de nonnen van het Godshuis over op technisch en beroepsonderwijs. Ze huurden een stuk grond van de toenmalige COO en zetten er een prefab gebouw op. Veel meer dan een bureelke, een bergplaatske en 2 klassen was het niet.

 

 

Ze staken van wal met 46 leerlingen en een zeer beperkte kring van leerkrachten. Het project kreeg echter geen zegen van de schoolinspectie. “Als jullie willen erkend worden moeten er 5 werkklassen komen.” De nonnen staken de handen uit de mouwen. De grond werd niet langer gehuurd maar gekocht en aan architect Antoine Dupré werd opdracht gegeven om de plannen te tekenen. Op 1 juli 1962 werd de splinternieuwe school plechtig ingezegend door de bisschop van Gent, Monseigneur Calewaert. Sente was een moderne middelbare technische school rijk: het Edward Poppe Instituut, het EPI voor de vrienden. Dat ging gepaard met een groot feest waar zowat het ganse dorp op aanwezig was.


In de jaren zestig kwam Sint-Laureins stilaan onder stoom. De ergste oorlogslittekens waren genezen, de jeugdbewegingen draaiden, de school liep weer vol. Maar er borrelde iets. De jeugd wilde meer dan zondagse spelletjes en catechismus. Ze wilde dansen, sporten, samenkomen, zonder altijd onder het waakzame oog van de pastoor te moeten staan.


In 1964 richtte een groepje jongelui de allereerste jongerenclub van Sint-Laureins op. Ze kozen, met veel gevoel voor mysterie en avontuur, de naam Paramaribo. Waarom precies? Volgens de stichters was het een samentrekking van ‘para’ (grote rivier) en ‘maribo’ (inwoners), met een knipoog naar het Leopoldkanaal. Een vleugje exotiek in de Sentse polder.



Paramaribo was geen studentenclub, daar waren de meesten nog te jong voor. Maar het werd wél een plek voor T-dansants, uitstappen, volksavonden en vriendschap. Er werd gebabbeld, gelachen, wat gedronken ook. En op de achtergrond begon een sport te bloeien die niemand had zien aankomen, volleybal.


Op een betonplein met zelf getrokken lijnen en een niet altijd reglementair opgehangen net, speelde de Paramaribo zijn eerste vriendenwedstrijden. In 1967 stapten ze in de officiële competitie, PM Sint-Laureins in de tweede provinciale. Het jaarlijks inschrijvingsgeld bleek een struikelblok, tot pientere secretaris Norbert De Coster een list bedacht: we richten een nieuwe club op met een ander stamnummer. Dat spaarde geld uit, en zo kon de ploeg blijven bestaan.


Later verhuisden ze naar het Groene Plein, naast het gemeentehuis, waar ze onder het toeziend oog van gemeenteraadsleden en notabelen hun thuismatchen speelden. Albert Van Damme, buschauffeur en volleybalfanaat, gaf hen onderdak in zijn garage, die hij speciaal voor de club twee meter hoger liet bouwen. Er lag zaagsel op de vloer tegen het zweten, condens droop langs de muren, en de BRT omschreef de sportzaal ooit als “een Sentse kerststal”.


Intussen begon het op het pleintje in de Smissestraat ook te jeuken bij een ander groepje jonge gasten. Geen netten of smashes voor hen, wel stevige tackles, schelle fluitjes en scheenbeen tegen scheenbeen. Ze noemden zich de Pelevrienden, naar de Braziliaanse voetbalgod Pelé.


Ze gingen op zoek naar oudgedienden. In de jaren vijftig had Sint-Laureins immers al eens een voetbalploeg gehad, met namen als Robert Vanhyfte en Daniel Landschoot. Die mannen hadden ervaring, en sommigen ook nog goesting. Apotheker Kamiel Niville werd voorzitter, en in 1974 was het zover, de Goalgetters Sint-Laureins werden opgericht. Clubkleuren, rood en zwart. Stijl, onstuimig maar sympathiek.


De ploeg sloot zich aan bij het Katholiek Sportverbond (KVS) en kreeg, zonder veel problemen, toestemming van de pastoor om het plein in de Smissestraat te gebruiken. Al moest er bij een kermis of Chiroactiviteit plaats geruimd worden. De Goalgetters speelden hun eerste seizoenen met meer hart dan techniek, maar al snel kwam er structuur. En overwinningen.


Na een paar jaar kregen ze hun eerste titel te pakken. Op het gemeentehuis werden ze ontvangen, met bloemen, handdrukken en vooral veel pinten. De supportersclub draaide op volle toeren, stamcafé bij Madeleine werd het kloppend hart van de ploeg. Dat het café officieel Café Adegem noemde wist geen kat. En het interesseerde ze waarschijnlijk ook geen bal.



In 1981 schakelde de ploeg over naar de Belgische Voetbalbond. Dat betekende meer regels, sterkere tegenstanders, maar ook meer bekendheid. Tegen 1988 speelden ze kampioen in vierde provinciale. Ze werden een jojoploeg, heen en weer tussen derde en vierde, maar de sfeer bleef onaantastbaar.


Omdat het plein in de Smissestraat te klein werd, stelde landbouwer Herman De Craene een lap grond ter beschikking in de Celiekerkweg. Het bestuur, samen met vrijwilligers en supporters, bouwde er eigenhandig een kantine en kleedkamers.


In de kantine daverde het elke zondagavond. Liedjes, schouderklopjes, frieten met mayonaise. Sint-Laureins had weer een ploeg om fier op te zijn, niet alleen vanwege de prestaties, maar vooral omdat het hele dorp mee aan de kar trok.


Eind jaren zestig en begin jaren zeventig kende de kleinkunst hoogdagen, ook in Sente. Carlos Vanhecke en Gerda Geernaert vormden als Carlos en Gerda samen een duo dat menige avond kleurde. Beiden hadden hun roots binnen de Chiro en waren daar al op de planken te zien. Ze brachten de typische kleinkunst van die tijd, met liedjes over liefde en afscheid, maar ook over vrede en het gewone leven. Denk aan namen als Miek en Roel of Zjef Vanuytsel, al brachten ze naast bekende nummers ook hun eigen liedjes. Geen grote podia, wel bonte avonden, familiefeesten en de parochiezaal. Later sloot Carlos Matthys zich bij hen aan, en zo groeide het duo uit tot een trio dat naam maakte tot een heel eind buiten Sente.



Naast grote voetbal- en volleybalclubs hadden we natuurlijk ook nog andere jeugd. Niet zo sportief en misschien al te groot voor het speelplein. Die hadden ook nood aan een eigen plek. De speelpleinwerking draaide, de Chiro groeide, maar lokalen ontbraken. Onderpastoor Van Wichelen en Chiro-hoofdleider Jozef Verhasselt staken de koppen bij elkaar. Er kwam grond vrij tussen het gemeentehuis en het rustoord, eigendom van de kerkfabriek. Niet de beste plek, maar wel van hen. Daar gingen ze bouwen.


Op 23 augustus 1969 ging de eerste schop in de grond. Geen aannemer, geen firma, wel een leger vrijwilligers, gecoördineerd door Jeroom Van Houcke, ze waren er elke zaterdag. Zand en stenen werden geleverd, beton werd gemengd met de hand.


De rekeningen stapelden zich op, maar de creativiteit ook. Er kwamen wafelbakken, tombola’s, bals, zelfs een autozoektocht. Alles om de volgende lading bakstenen te kunnen betalen. Onderpastoor Van Wichelen zat er middenin, een rozenkrans in de ene hand, de bouwplannen in de andere. Maar het lukte. In augustus 1970 werd het Jeugdcentrum plechtig geopend. Een plek van, voor en door de jeugd.



Later werd het complex ook opengesteld voor andere verenigingen. Jeugdhuis ’t Sentenaarke nam er zijn intrek, er kwamen typelessen, kookavonden, zangrepetities. Het was een duiventil van verenigingen. Toen de Chiro uiteindelijk uitdoofde bleef enkel het jeugdhuis over. Maar ook dat kende zijn neergang. De gebouwen raakten in verval. Uiteindelijk besliste de gemeente om het terrein te herontwikkelen.


Onderpastoor Van Wichelen had echt wel het hart op de juiste plaats want ook de Chiromeisjes werden niet vergeten. In mei 1970 werd het Roelandshof ingehuldigd. Net als bij het Jeugdcentrum kwam het er dankzij subsidies, wafelbakken en tombola’s.


De meisjes deden alles zelf. De kerkfabriek stelde het gebouw wel ter beschikking, maar gas, elektriciteit en onderhoud waren voor eigen rekening. Niet klagen, niet zagen, doen. Er kwamen optredens, familiefeesten, dansavonden, vaak opgeluisterd door een discoset.


Toen de Chiro uiteindelijk verdween, werd het Roelandshof nog een tijdje verhuurd. Maar het werd stil. Uiteindelijk werd het gebouw gesloopt. Maar de herinneringen bleven, en werden nog één keer opgehaald bij een afscheidsavond, met verhalen, foto’s en een laatste dans op krakende planken.


Op 1 januari 1977 verdween een bestuurlijk landschap dat eeuwen had bestaan. De gemeenten Sint-Laureins, Sint-Jan-in-Eremo, Sint-Margriete, Waterland-Oudeman en Watervliet werden samengesmolten tot één grote gemeente, Sint-Laureins. Niet op lokale vraag, maar opgedrongen door Brussel, onder het mom van efficiëntie.


De eerste aankondiging kwam eind 1973. In 1974 volgde een voorstel om ook Kaprijke en Lembeke mee op te nemen. Maar dat oogde niet mooi op de kaart, aldus een gemeenteraadslid. Een gemeente als esthetisch concept, ook dat was België.


De naam Krekenland werd geopperd. Maar enkel in Sint-Laureins klonk daar wat enthousiasme over. De rest zweeg. Na wat discussie koos men uiteindelijk voor de naam van het grootste dorp en zo werd Sint-Laureins hoofdgemeente.


In december 1976 vonden de laatste gemeenteraden plaats. Elk dorp nam op eigen wijze afscheid van zijn zelfstandigheid, maar in Sint-Laureins zelf vinden we in de laatste gemeenteraad geen woord over de fusies terug.


In 1977 was de parochiezaal tot op den draad versleten. De gordijnen vielen letterlijk uit de rails, en de muffe geur van oude stoffen overheerste alles. Toenmalig pastoor Broodcoorens wou, op vraag van veel toneelliefhebbers, werk maken van de nodige renovatie ervan. Daarvoor waren echter centen nodig en om de nodige financiën bijeen te krijgen werd beroep gedaan op enkele parochiale medewerkers die al jarenlang actief waren met toneelactiviteiten bij diverse verenigingen, met als doel om een eigen toneelgroep op te richten. Theatervreugd werd opgericht.


Onder de bezieling van Noël Verheecke en Antoine Blondeel groeide de groep uit tot een dorpsfenomeen. De stukken waren volks, grappig, herkenbaar. Men speelde klassiekers met een hoek af, stukken van eigen makelij, en zelfs maatschappijkritische komedies met een pint in de hand.


Het sloeg aan want de zaal zat avond na avond afgeladen vol.



bottom of page