Scheervlucht - Aflevering 38
1980-2000
De jaren tachtig begonnen in Sint-Laureins met een gevoel van vertrouwdheid. Eerst leek alles nog als vroeger, de bakker zwaaide, de cafébaas kende zijn stamgasten. Maar stillekesaan veranderde er wat. Jongeren trokken vaker naar de stad, de duivenclubs hadden geen opvolgers meer en op zondag stonden er al langsom minder fietsen aan de kerk.
Ook Sente wilde in de jaren tachtig gehoord worden. En dus kreeg het zijn eigen vrije radio. Op 7 oktober 1982 ging Radio Polderland officieel de ether in.
De motor achter dat avontuur was Gustaaf De Vent, beter bekend als Rocky. Zonder grote middelen, maar met veel goesting zette hij iets op poten waar het hele dorp naar luisterde. Vooral bij de oudere Sentenaars was de fierheid groot.
Het succes kwam snel, de problemen ook. Nog voor de zendmast warmgelopen was, dreigde het einde al. De Hoge Raad van Niet-Openbare Radio’s gaf een ongunstig preadvies, maar dat viel in Sente duidelijk niet in goede aarde. Er kwam protest. Een delegatie van Polderland trok naar het gemeentehuis, waar ze door het College van Burgemeester en Schepenen werd ontvangen. Daarna volgde een optocht met zwarte vlaggen. Sente stond op stelten.
Het hielp. Radio Polderland mocht blijven uitzenden.

De Sint-Michielskring, de fanfare die na WO II weer tot leven was gewekt, had inmiddels heel wat watertjes doorzwommen. De hoogdagen van koper en klarinet lagen achter hen, maar ze bleven spelen, repeteren, animeren.
In de jaren tachtig liep het ledenaantal terug. De jongeren wilden liever gitaar dan bugel, liever Queen dan marsmuziek. Maar een koppig groepje legde zich toe op een nieuw, moderner genre. In 1988 richtten ze de Saint-Michael’s Big Band op. Geen processiemarsen meer, maar swing, jazz, pop, met klarinetten én drums.

En dan hadden we nog onze nonnetjes. Zoals overal in het land nam het aantal roepingen ook in Sente drastisch af. De nonnen waren in 1849 het Godshuis ingetrokken en maakten er in de eerste plaats een tehuis voor weeskinderen en een rusthuis voor ouderen van dagen van. Zoals het een goede non betaamt moeiden ze zich ook al snel met het onderwijs van de Sentse jeugd, voornamelijk van de meisjes. Maar toen er al langsom minder nonnen kwamen moest het werk in het Godshuis overgelaten worden aan het OCMW-bestuur en het lekenpersoneel. De zusters verlieten het rustoord in 1971. Eerst woonden ze nog een tijd in de Dorpsstraat, in het vroegere pand van meubelhandel De Neve, en later vonden ze onderdak in het EPI.
In 1987 werd zuster Alberta, de directrice van de lagere meisjesschool, opgevolgd door Rudy Braet en kwam er een einde aan de samenwerking van de nonnen met de meisjes- en de kleuterschool. In hetzelfde jaar ging ook zuster Harlinda van het EPI in pensioen.
In 1991 vetrokken de laatste nonnen uit Sint-Laureins. Daarmee kwam een einde aan 142 jaar aanwezigheid van de congregatie Kindsheid Jesu in de gemeente.

Het Godshuis zelf stond ondertussen leeg en dreigde een spookhuis te worden. In 1986 werd het nog als monument geklasseerd, voornamelijk door toedoen van een Eeklose architect, Ronny Lippens. De gemeente wou het klasseringsbesluit nog tegenhouden maar dit mislukte. Volgens de burgemeester betekende dit het failliet van Sente.
In 1992 verkocht de gemeente ten einde raad het Godshuis voor 0 frank aan een aannemer uit Harelbeke. Voor de grond, de stallingen en de opritten werd 1.750.000 frank betaald. Frank hé, geen euro. De koper moest het gebouw restaureren maar daar werd geen termijn op geplakt. En dan bleef het oorverdovend stil langs zijn kant. Wachten tot de boel in mekaar donderde om de grond nadien te kunnen verkavelen zeker?
Zes jaar nadat jeugdhuis ’t Sentenaarke noodgedwongen, en onder veel protest, zijn deuren moest sluiten probeerden een aantal jongeren onder leiding van Natalie De Wilde en Bart Van Canneyt in 1994 een nieuwe ruimte te vinden om de niet georganiseerde jeugd bijeen te brengen. Voor de 15- en 16-jarigen, mossel noch vis, was er in Sente eigenlijk niets te beleven. Ze voelden zich te oud om bij een jeugdvereniging aan te sluiten maar waren te jong om uit te gaan. Zo’n ontmoetingsplaats was echt wel nodig. Het gemeentebestuur ging op hun vraag in en er werd een nieuw jeugdhuis ingericht in een deel van de oude melkerij die de gemeente juist had aangekocht. Het werd de start van JH Opsenter.
Sint-Margriete
1900-1914
Op het uiterste puntje van Vlaanderen ligt Sint-Margriete. Klein maar toch breed uitgesmeerd over de polders. Het dorp leefde van de akker en van de koe, en een beetje van de smokkel, maar sst!
Rond 1900 telde Sint-Margriete een paar honderd inwoners. Ze woonden verspreid over het Dorp, de Hontseindestraat en de Comer, dat arme, winderige uithoekje met z’n zandwegen en zijn koppige bewoners. Daar stond, op de hoek van de Comercaatsweg en de Graafjansdijk, een huis waar al in het midden van de 19de eeuw bier werd getapt. De eerste waard was Nicodemus Debbaut, bijgenaamd Deemken, die zijn gasten welkom heette met een rijmend uithangbord dat zowel om zegen als om klanten smeekte.
Nicodemus Debbaut die woont hier
Hij verkoopt wijn en bier.
Hij heeft niets anders te wenschen
Dan de gunsten van de menschen,
En den zegen van den Heer.
Na zijn dood in 1863 nam zijn zoon Petrus over, en vanaf 1905 diens zoon Kamiel. Rond die tijd verdween het leuke, maar ouderwetse, uithangbord en kwam er een nieuw bord met de naam Café du Nord. Eerst lachten de bewoners van de Comer ermee, 't was precies Parijs, maar later waren ze er eigenlijk best wel fier op.
In en rond het café werd gebold, gekaart, gebiljart en vooral gelachen. Soms wat te luid, soms wat dubbelzinnig. En als het wat te gortig werd, zei de cafébazin kordaat: “Jongens, der zijn latten aan ’t huis.” Waarna de mop eindigde en het gesprek weer over duiven, patatten of de koers ging.

Een eind verder, aan de vaart, baatte Prudence Neels het café Polderzicht uit, met niet alleen zicht op de polders maar ook op de brug vlak naast de deur. Ze was de dochter van Alois Neels, een uit IJzendijke afkomstige herbergier. Later zou die brug naar haar genoemd worden, maar dat wist toen nog niemand. In haar herberg kwamen kommiezen, vissers en boeren langs. Voor boterhammen met spek, een glas jenever, en om te komeren.
Maar het hart van het dorp klopte ook elders. Bijvoorbeeld bij de fanfare Sint-Cecilia, die sinds 1840 bestond. Ze was de muzikale ziel van Sint-Margriete. In 1890, bij het vijftigjarig bestaan, trok de fanfare met Belgische én Nederlandse zusterverenigingen in stoet door het dorp. Koning Leopold II stuurde zelfs een ereprijs, al liet hij zichzelf niet zien. De trompetten schalden langs de gevels en in de cafés was het dagenlang feest. Rond 1900 was de fanfare nog altijd springlevend en stond ze bij elk feest op kop, bij processies, jubilees en kermissen.
Aan de Sint-Lievenspolderdijk stond het klooster met de meisjesschool, waar de nonnen er de tucht in hielden. Jongens en meisjes werden apart onderwezen. De schooldiscipline was strikt, het godsdienstonderricht grondig. De meisjes leerden naaien, catechismus en rekenen. De school van de jongens lag in het dorp waar ze op leien schreven en leerden lezen onder het wakend oog van meester Van Cauwenberghe, die het hele lager onderwijs draaiende hield.
Tot in 1907. Meester Van Cauwenberghe kondigde aan dat hij wilde stoppen, en stelde zijn zoon Jozef voor als opvolger. De jongeman was belezen, vriendelijk en had de steun van veel ouders. Maar de pastoor lag dwars en schoof een andere kandidaat naar voor. Ook de burgemeester, naar het schijnt onder zachte druk, koos de kant van het kerkelijk gezag.
Wat toen losbrak, was geen ruzie meer maar een opstand. Petities gingen rond, pamfletten werden gedrukt. Meester Van Cauwenberghe liet briefjes drukken voor de ganse bevolking met de vraag of ze voor of tegen hem waren. Van de 500 kwamen er 490 terug te zijnen gunste. Het lokale weekblad ’t Getrouwe Maldeghem geeft een uitvoerig relaas van de manifestatie op de dag van de stemming. Er waren die namiddag wel 1500 mensen bijeen. Er was niemand die nog werkte in Sint-Margriete, er was ook veel volk uit Sint-Laureins, den Oudeman en alle omliggende gemeenten. Burgemeester Braet, op kop van de stoet, vroeg zo rustig mogelijk te blijven en vooral niemand te beledigen. Vooraan droeg men een groot plakkaat: “Leve M. Van Cauwenberghe”, daarna kwam de gemeentelijke fanfare waarvan de burgemeester ondervoorzitter was, daarna de internationale veloclub van Hollanders en Belgen samen 100 man sterk, dan de burgersgilde, de vissers van de Kantijne, de Sint-Margrietenaren met daarna alle vreemdelingen. En heel die menigte trok Sint-Margriete rond, zonder geweld, lijk een kruiskensprocessie. Klokslag 15 uur stonden ze voor het gemeentehuis, de raadsleden trokken naar boven, de zitting begon.

Jozef Van Cauwenberghe kreeg vijf van de zes stemmen. In triomf werden de meester en zijn zoon in stoet naar huis geleid. Er werd gejubeld, gevierd en geweend van geluk en het feesten heeft nog de hele zondag daarna geduurd. Naar ’t schijnt was er geen druppel drank meer te krijgen in heel Sint-Margriete!
Ondertussen kabbelde het dorpsleven verder. Op zondag ging men naar de mis, op maandag naar het veld. In de week werd er gewerkt, maar ook gebold en, soms, gesmokkeld. Want de grens was dichtbij en boter of een rund vonden al eens een alternatieve route, over de dijk, verstopt in het hooi, of via familie net over de grens. Hoe beperkt ook, de kiemen van de latere bloeiende smokkelhandel werden toen al gezaaid.