Aflevering 05
5 ZOMER VAN SPANNING
OORLOG LANGS DE SENTSE VAART
Al snel werd duidelijk dat het Leopoldkanaal een belangrijke rol zou spelen in de verdediging, om de geallieerden te beletten de toegang en het gebruik van de haven van Antwerpen via de Westerschelde te verhinderen. Van de landing in Normandië hadden de Duitsers lessen getrokken. De noordzijde van het kanaal stond al onder water om het gebruik van tanks onmogelijk te maken. Op de kaart is het deel met golfjes het gebied onder water.

De zuidelijke kant van het kanaal, met de wijk Middeldorpe, moest volgezet worden met rommelasperges om het landen van zweefvliegtuigen te beletten. Daarvoor werden landbouwers opgeëist. Zij moesten bomen kappen die langs het kanaal stonden, deze in lengtes van vier meter zagen en in twee klieven. Deze stammen werden dan in ruitvorm, 25 meter van elkaar, rechtgezet en verbonden met prikkeldraad. Ja den Duits ging grondig te werk. Mijn vader, geboren in 1931 en wonende in de Oosthoek, heeft het zelf gezien. Een voorbeeld van deze opstelling zie je op de foto, maar dan wel aan zee.

Rommelasperges aan het strand
Via de radio hoorde de bevolking dat de Canadezen in aantocht waren en het nu wel snel zou gaan, maar dit was een flinke misrekening.
TUSSEN DE PRIKKELDRAAD EN DE PREI
Ook in de oorlog was er tijd voor ontspanning. In de Oosthoek was er een oefening van een bende SS’ers, en deze begonnen ook een houten brug aan te leggen bijna recht over de Vuilpanstraat naar het Roodwegelken (toen in de volksmond de Polderstraat genoemd) om gemakkelijk van de Oosthoek naar Middeldorpe te kunnen. Ze is echter nooit voltooid en weer afgebroken.
Zonder brug was er een beperkte bewegingsvrijheid en mogelijkheden tot ontspanning in de wijk die bijna rondom in het water lag. Zo bleef in de zomer van 1944 iedereen maar wat in de buurt. Veelal werd de vrije tijd doorgebracht met krulbollen bij een of ander buurman die een hoger gelegen en nog droog lapje grond had. Zelfs de Duitsers hadden plezier in het spel en het hout van de afgebroken brug werd door hen ter beschikking gesteld om banken van te maken en denders op het einde van de bolbaan om de bollen tegen te houden.

Door deze bezigheid en de betrokkenheid van de Duitsers ging het leventje in die zomer rustig voorbij en werd er naarstig gewerkt op het veld tot eind augustus, begin september, toen bij het naderen van de geallieerde troepen de sfeer wel omsloeg.
GE KLAPTE NIET TE LUID IN DIE DAGEN
Eind augustus en begin september 1944 begonnen veel Duitse troepen binnen te komen in Watervliet, vluchtend vanuit Frankrijk. Duizenden Duitsers zouden in die dagen door Watervliet trekken richting Zeeuws-Vlaanderen. (Tegenwoordig is dat ook zo, maar gelukkig komen ze op vakantie). De tocht ging, zoals eerder gezegd, richting de haven van Breskens.
Vanaf begin september viel ook de postbedeling stil, want voor de stoomtram vanaf Eeklo was de dorpskern niet meer te bereiken. Vanaf 1935 reed de tram op mazout, maar door gebrek aan deze brandstof in de oorlog was men terug overgegaan op stoom.

De stroom van soldaten bleef maar aanhouden. Paarden en wagens werden gevorderd om te rijden voor de Duitsers. Bij avond bleven ze slapen op de vele hofsteden en lieten hun paarden nog eens goed voederen. Daarbij namen ze ook nog eens alles in beslag wat hun onderweg kon dienen: kippen, konijnen en ja, zelfs varkens namen ze mee.
De ochtend van 17 september moesten alle mannen van Watervliet aan een tankwal werken en deze zo diep mogelijk uitgraven, om daarna te laten vollopen met water om zo de Canadese tanks te vertragen die dezelfde ochtend aan de oevers van het Leopoldkanaal verschenen waren.
Water was blijkbaar een grote bondgenoot van de Duitsers.
