
Een scheervlucht over de Sentse dorpen
Aflevering 2
I Hoe het allemaal begon
De vroegste tijden
In de tijd van de dinosaurussen, tientallen miljoenen jaren geleden, stond onze streek onder water. Een warme, ondiepe zee overspoelde het hele gebied. Je zal hier dus geen skeletten vinden van dino’s. Haaientanden en fossiele resten van walvissen, schelpen, roggen en ander zeegrut, dat wel.
Het landschap dat we vandaag het Meetjesland noemen, begon zo’n 2,5 miljoen jaar geleden, in wat de geleerde mensen het Pleistoceen noemen. Geen kat die hier toen woonde, tenzij een mammoet of een wolharige neushoorn. IJstijden en warmere tussenpozen wisselden elkaar af. En neen, er lag géén ijs over Vlaanderen zoals in Scandinavië, maar de gevolgen waren toch niet min. De zeespiegel zakte sterk, waardoor grote delen van de Noordzee droog kwamen te liggen, en grote rivieren zoals de Schelde en de Leie begonnen zich een weg te schuren door de ondergrond.

En wat krijg je als water jarenlang blijft schuren? Juist, een vallei. Tijdens het Pleistoceen ontstond zo een brede, open vlakte in Midden-Vlaanderen, uitgesleten door rivieren zoals de Schelde en de Leie. De noordrand werd gevormd door een al bestaande zandrug, die in het Pleistoceen bloot kwam te liggen, de latere rug van Maldegem-Zelzate-Stekene. Geen berg natuurlijk, maar toch hoog genoeg om later dorpen als Maldegem, Kleit en (deels) Eeklo een droge plek te geven. Ten noorden van die rug lag een andere, lagergelegen vlakte. Die zou later uitgroeien tot het natte, getijdengevoelige gebied waar nu de polders van Sint-Laureins liggen.
In die ijzige tijden, lang voor er sprake was van dorpen of dijken, lag onze streek er kaal en bar bij. Een soort poolsteppe, met weinig begroeiing, veel wind en vooral veel stof. In andere delen van Vlaanderen weten we zeker dat mammoeten, rendieren en zelfs holenleeuwen rondtrokken. Ze volgden de rivierbeddingen en trokken door open vlaktes, op zoek naar voedsel.
Of er ooit een mammoet door het latere Sente gestapt is? Misschien wel, de hoger gelegen zandrug van Maldegem bood alleszins een drogere route. Maar in de ondergrond van Sint-Laureins zelf werden nauwelijks sporen van zo’n beest gevonden. Een keer een tand ja, maar daar bleef het ook bij.

Na de laatste ijstijd warmde het klimaat op. De grote ijskappen in het noorden van Europa smolten weg en overal steeg de zeespiegel. Meer ten zuiden van ons, op de hogere zandgronden, zakte het regenwater de bodem in. Door het hoogteverschil werd dat water ondergronds naar onze lagere vlakte gestuwd. Daar botste het op ondoordringbare lagen klei en veen en vond het nauwelijks een uitweg. Het werd dan maar omhooggeduwd en maakte de bodem drassig. Zo veranderde een droge vlakte langzaam in een nat schorren- en moerasgebied.
Zo ontstond een jong getijdenlandschap. Het zeewater trok geulen door de vlakte, liet hier en daar schorren achter en zorgde voor de eerste veenvorming. De hoger gelegen zandgronden bleven droog en kregen al snel een dun tapijt van planten. Daar, op die hogere gronden bij Aalter, Eeklo, Maldegem en Gent, doken in de prehistorie ook de eerste mensen in onze streek op. In de steentijd, later in de bronstijd en de ijzertijd, hielden ze zich vooral daar op, want de natte vlakte was nog nauwelijks bewoonbaar.
Sente was toen nog grotendeels een onstabiel moeras, waar de getijden vrij spel hadden. Een soort waddengebied. Geen plek om een hut te bouwen of een koe te houden. Zelfs de stadsmensen kwamen hier op zondag niet picknicken.
Toen kwamen de Romeinen. Maar ’t was weer van ’t zelfde, deze streek bleef grotendeels drassig en ongeschikt voor villa’s of legerwegen. In het nabije Aardenburg, toen gelegen aan een getijdenkreek die in verbinding stond met de zee, een soort binnenhaven, lag een stevig Romeins castellum (rond het jaar 175). En ook in Maldegem zijn er bewijzen van een beperkte Romeinse aanwezigheid. In de wijk Vake kwamen bij opgravingen sporen aan het licht, zoals aardewerk en andere resten, die wijzen op een tijdelijk verblijf. Maar in de latere Sentse polders was het veel te nat. Resten van Romeinse gebouwen moet je hier niet gaan zoeken; hoogstens spoelden er eens een paar munten of potscherven aan. Het bleef een niemandsland van modder en moeras.

Turf
Als je zo de ontstaansgeschiedenissen leest van andere steden en gemeenten, startten die altijd in de nabijheid van een kasteel, op een kruispunt van grote wegen of langs een stroom of rivier. Niet zo Sente. Onze dorpen zijn echt uit de modder getrokken.
In natte, moerassige gebieden groeiden allerlei planten. Wanneer die afstierven, zakten ze naar de bodem. Omdat het daar voortdurend nat was en er weinig zuurstof in de grond zat, verteerden de plantenresten niet volledig. Bovendien kon het regenwater vaak niet meer weg, doordat natuurlijke geulen dichtslibden of de bodem al volledig verzadigd was.
Zo ontstond een dikke, zompige hutsepot van halfvergane plantenresten: veen. Dat proces duurde eeuwen, soms zelfs duizenden jaren.
In diezelfde periode begonnen steden zoals Brugge en Gent fameus te groeien. Die van ‘t stad verwarmden hun huizen met hout, maar dat begon stillekesaan een beetje te duur uit te vallen. Of had het te maken met het feit dat het vele houtkappen de bossen deed slinken, … en dus een bedreiging vormde voor het jachtgebied van de graven en andere edelen? In ieder geval, er werd gezocht naar een alternatieve brandstof.
Dat veen bleek daarvoor ideaal. Het werd in blokken met de spade uit de grond gestoken en te drogen gelegd in zon en wind. Pas als het voldoende was uitgedroogd, werd het turf genoemd, een goedkope brandstof die perfect geschikt was voor stoof en oven. En toen men het, in het noorden van wat het Meetjesland zou worden, vanaf de 12de eeuw systematisch begon te ontginnen, waren we vertrokken. ‘k Ga niet zeggen dat het een even grote toestroom veroorzaakte als toen ze eeuwen later in Amerika goud ontdekten en de gold rush begon, maar ’t zal toch niet veel gescheeld hebben.

In de 12de eeuw kwam er hier dus eindelijk een beetje leven in de brouwerij. Het ganse gebied werd al vlug bekend als het Moer van Aardenburg, dat zich uitstrekte van Aardenburg tot Boekhoute. Al in 1187 zag je in onze streek de eerste turfstekers verschijnen. Die moesten uiteraard ergens eten en slapen, dus werden de eerste nederzettingen gesticht.
Watervliet moest natuurlijk weer de uitzondering zijn. Het wordt al genoemd in een charter van keizer Otto II uit 976 (of toch in een 12de-eeuwse kopie daarvan).
Maar onze andere dorpen zie je pas in de loop van de 13de eeuw opduiken, toen de turfwinning in het moergebied op gang kwam. Eerst uiteraard als gewone nederzettingen. Ja, er zal wel een kapelletje gestaan hebben, want de mensen waren devoot, of werden toch zo gehouden.
Er was nu wel genoeg turf maar de infrastructuur was er nog niet. Binnen de nederzettingen werden kleine kanalen of leden gegraven. Zo had je in Sente het Vakeleed langs de Kruiskenstraat, vroeger de Vakeweg, en het Ser Jansleed, langs de Eerstestraat. Maar dat was maar plaatselijk verkeer. Die turf moest wel in de steden geraken hé. De stoven in Brugge en Gent moesten branden.
Rond 1250 werd de Lieve door de Gentenaars gegraven om een kortere verbinding naar zee te krijgen. Dat zou natuurlijk ideaal geweest zijn voor onze turfstekers, je kon zo naar Gent en naar Brugge. De vraag werd gesteld maar ge ziet van hier dat de Gentenaars er moesten van weten dat er met prutsbootjes, volgestapeld met turf, op hun splinternieuwe Lieve gevaren werd.
Er werd dan maar een nieuwe beek gedolven tussen de bestaande Noordwatergang in Eeklo en het in 1264 gegraven Ser Jansleed in Sint-Laureins. De Noordwatergang voerde het water vanaf het Aalstgoed naar de Ede, zo ruwweg het tracé van de huidige Expresweg. Het Ser Jansleed was de gracht die langs de Eerstestraat liep, vanaf de Moerstraat via het Luizekerkhof op Celie naar de Lieve. Eeklo en de mannen van de turfdorpen besloten die nieuwe beek verder door te trekken, vanaf het Ser Jansleed tot in Aardenburg. En zo, ergens rond 1276, werd de Eeklose Watergang geboren.
Hij noemde eerst nog niet zo. In het begin (1276) spraken ze van le fosseit vers Rodembourg. Fosseit staat voor “fossé” (sloot) en Rodembourg (Rodenburg) is de oude naam voor Aardenburg. Soms sprak men van de Moerwatergang en zelfs van Schipleed. In 1346 lezen we voor de eerste keer “anden Eclooschen waterganc”.
De tocht naar Aardenburg werd waarschijnlijk per vlot afgelegd. In Aardenburg werd de turf dan geladen op schepen die via de Ede, het Zwin en de Reie naar Brugge voeren.
