
Een scheervlucht over de Sentse dorpen
Aflevering 20
Sint-Jan-in-Eremo
Na de Tachtigjarige Oorlog kwam Sint-Jan-in-Eremo in de Zuidelijke (Spaanse) Nederlanden te liggen, terwijl het Ambacht IJzendijke, waartoe Sint-Jan vroeger behoorde, bij de Noordelijke Nederlanden werd ingelijfd, in het gebied dat bekend werd als Staats-Vlaanderen.
Omdat het oude ambachtelijke bestuur niet meer van toepassing was en Sint-Jan geen eigen schepenbank meer had, kwam het dorp rechtstreeks onder het gezag van het Brugse Vrije. Dat stelde er een hoofdman aan die namens het Vrije de taken uitvoerde die elders door schepenen en baljuws werden vervuld.
De streek lag er maar drassig bij. De kerk was danig toegetakeld en de meeste mensen woonden in Bentille.
Maar Sint-Jan gaf niet op. Na de bedijking van de Generalen Vrijen Polder in 1651–1652 lapten ze de oude kerk zo goed en zo kwaad als het ging weer op. Alleen het koor (met het altaar) hield stand; het middenschip werd gesloopt. Daar zaten we dan, met een halve kerk.
Ook het kerkhof kon weer gebruikt worden want de mensen hadden hun overledenen toch het liefst in hun midden. De herwijding van het kerkhof was voorzien op 31 mei 1663, maar dat zou niet zonder slag of stoot gaan. De oorlog mocht dan wel voorbij zijn, de protestanten bleven niet in hun kot. Toen de pastoor bij het kerkje aankwam stond daar ook een dominee die wou komen preken, vergezeld van zo’n 70 gewapende gereformeerden. De bevolking van Sint-Jan bekogelde hem met stenen en, gewapende lijfwacht of niet, de Hollanders werden verjaagd. Met al dat vechten en bloedvergieten was het kerkhof, in plaats van opnieuw gewijd, nog maar eens ontwijd. Het zou nog duren tot 1676 vooraleer die van Sint-Jan opnieuw hun doden zouden kunnen begraven op hun kerkhof.

Maar eens de doden teruggekeerd waren naar ’t oude kerkje moesten de levenden volgen. In 1682 zetten de bewoners een grote stap: daar waar vroeger het oude kerkje stond werd er een splinternieuwe kerk gebouwd, het witte Sint-Jan-de-Doperkerkje. Eenvoudig, eenbeukig, opgericht in baksteen, met een torentje op de voorgevel.
Het kerkje had echter geen chance, want al hetzelfde jaar, 1682, hadden we een nieuwe overstroming en hop, we konden het kerkje nog maar eens oplappen.
Bedevaart en geloof
En dan begon de triomftocht, het kleine kerkje groeide uit tot een bedevaartsoord.
Omstreeks 24 juni, de feestdag van Johannes de Doper, vonden in en rond het kerkje van Sint-Jan de bedevaarten plaats, waarbij de zegen werd gegeven met de in de kerk bewaarde Sint-Jansreliek. Het was een van de drukstbezochte bedevaartsoorden van het Meetjesland. Er kwamen hier tijdens de Sint-Jansdagen van 24 juni tot 2 juli duizenden bedevaarders. De bedevaart was een buitenommegang met zeven staties, taferelen uit het leven van Sint-Jan. Gedurende de omgang werd gebeden tegen de vallende ziekte, de seskens of stuipen, koortsen en plagen.
De bedevaart gaf het dorp niet alleen religieuze betekenis, maar ook economisch een beetje zuurstof, pelgrims gaven geld uit. De herbergiers deden goede zaken.
Bentille of Sint-Jan?
Maar hoe zat dat nu eigenlijk met Bentille? Het verhaal gaat dat het kerkje van Sint-Jan verlaten werd omwille van natuurgeweld (overstromingen). Daarom werd het ganse kerkgebeuren verplaatst naar Bentille. Klopt dat? Of is er meer aan de hand?
Het pittoreske kerkje stond midden de polders. Maar die polders en dus het kerkje liepen met de regelmaat van een klok onder water en dan trok de bevolking tijdelijk naar Bentille. Tijdelijk, want de rijke polderboeren eisten steeds opnieuw dat de pastoor terugkwam. We hebben gezien dat de geuzen de polders, en daarmee de kerk, in 1583, tijdens de Tachtigjarige Oorlog, onder water gezet hadden.
Er werd toen nog maar eens verhuisd naar Bentille. Maar het "tijdelijke" duurde nu toch wel een hele poos, want pas in 1684 kwam de pastoor terug naar Sint-Jan. De polderboeren hadden voor hem een pastorij gebouwd in de buurt van de molen. Eens de pastoor verhuisd was zou de rest van de bevolking wel spoedig volgen, dachten ze. Die boeren waren niet van plan om nog eens zo’n verhuis te moeten beleven en lieten de kapel op Bentille, die toch al wat vervallen was, afbreken. Voilà, gedaan met Bentille zou je denken.

Maar dat was zonder pastoor van de Foreeste gerekend. Op een goede dag in 1697 hield die het in de polder voor bekeken, zelfs zonder overstroming. Lag het aan het slecht karakter van de polderboeren, aan het barre polderklimaat of weigerde zijn kudde om van Bentille naar Sint-Jan terug te keren? Feit is dat pastoor van de Foreeste het afbolde naar Bentille, waar hij ging wonen op de hoek van de Sint-Jansstraat en de Moerstraat. Hij pendelde liever tussen Bentille en Sint-Jan, toch een drie kwartier te voet, om de erediensten te verzorgen dan dat hij in de polder bleef wonen. Hij moest wel pendelen, want in Bentille was er geen kapel meer. Gesloopt, weet je nog?
Onze pastoor liet een privékapelletje metselen bij zijn huis in Bentille. Hij ging een paar keer met de schaal rond en zette er een houten voorbouw aan, wat van het kapelletje al een ruime bidplaats maakte, de derde kapel van Bentille. Vanaf toen zou alleen nog de zondagse hoogmis in het polderkerkje gecelebreerd worden. Alle andere diensten verhuisden naar Bentille, naar wat in 1785 de Sint-Eligiuskerk zou worden.
En zo verschoof het dagelijkse leven langzaam van de parochie naar Bentille, terwijl Sint-Jan officieel als kerkelijk centrum overeind bleef.
De Franse tijd
In de zomer van 1794 kwamen de Franse revolutionaire troepen het Meetjesland binnen. De oude structuren verdwenen, geen heerlijkheden meer, geen tienden, geen kerkelijke macht. In juli van dat jaar werd pastoor Geeraard Samyn, die sinds 1785 in Sint-Jan stond, overgeplaatst naar zijn geboortedorp Kachtem. Daar weigerde hij de verplichte eed aan de Franse Republiek en moest hij onderduiken.
Samyns opvolger was Bernard Lippens, begin 1791 coadjutor (hulppastoor) in Sint-Jan benoemd en vanaf 31 juli 1791 officieel pastoor. Hij legde in eerste instantie wél de republikeinse eed af, net als zijn overste in Lembeke, maar herriep die op 10 februari 1801 en nog eens op 6 april 1801. In de tussenliggende jaren werden veel kerken gesloten, ook die van Sint-Jan. De mis werd in het geheim gehouden, in schuren en op zolders, ver van het oog van de Franse autoriteiten.

In 1798 voerde Frankrijk de dienstplicht in, jonge mannen moesten vechten in een leger dat door heel Europa trok. In Sint-Jan doken velen onder of vluchtten de grens over naar Staats-Vlaanderen, waar toen de Franse dienstplicht nog niet gold. In datzelfde jaar brak de Boerenkrijg uit, hevig in de streek rond Hasselt, maar bij ons zeer beperkt. Sint-Jan bleef gespaard van grote gevechten, maar de sympathie voor de opstandelingen was groot.
Na het Concordaat tussen Napoleon en paus Pius VII in 1801 mochten de kerken opnieuw open. Het kerkje van Sint-Jan werd heropend, en de bedevaarten kwamen voorzichtig terug. Toch was het leven niet meer zoals voorheen, het gemeentebestuur met zijn maire woog nu zwaarder dan de pastoor, en alle officiële akten, geboorte, huwelijk, overlijden, werden in het Frans opgesteld, een taal die de meeste boeren niet verstonden.
We worden Hollanders
In 1815 veranderde er veel in onze streek. Het Meetjesland werd, samen met de rest van België, ingelijfd bij het pas opgerichte Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Koning Willem I beloofde gouden tijden, nieuwe wegen en kanalen, beter onderwijs, een bloeiende economie.
Er kwam inderdaad wat vooruitgang, hier en daar een nieuwe steenweg, een kanaal, een school, maar het gevoel bleef dat het zuiden achtergesteld werd tegenover het noorden. Taal- en godsdienstverschillen deden er nog een schep bovenop. Het was bijna onvermijdelijk dat in 1830 in Brussel de Belgische Opstand losbarstte, en ook hier in het Meetjesland zouden de gebeurtenissen elkaar snel opvolgen.

Volgende aflevering
Liever alles in één keer lezen?
👉 Bestel het boek hier