top of page

Een scheervlucht over de Sentse dorpen

Aflevering 21

Sint-Laureins

De Vrede van Münster in 1648 betekende het einde van een lange oorlog, maar in Sint-Laureins zag men niet veel verandering. Er was geen dorpsplein om op te feesten. Er waren ook geen fanfares of vlaggen. Alleen een dorp dat, zoals altijd, zelf de brokken moest lijmen.

Anders dan dorpen als Sint-Jan of Sint-Margriete kende Sint-Laureins geen kreken die in de oorlog waren ontstaan. Er waren wel wat grachten dichtgeslibd en dijken beschadigd. Akkers lagen er wat verwilderd bij. Maar van grote overstromingen was het dorp grotendeels gespaard gebleven. Goed, we hadden wel eens met ons voeten in ’t water gestaan, maar er waren geen gebouwen vernield.

Rond de oude Sint-Laurentiuskerk groeide wel een losse kern van huizen, maar een echt marktplein was er niet. Voor marktdagen moest men naar Eeklo of Maldegem. Of, waarom niet, naar Watervliet.

Sint-Laureins was in die tijd geen zelfstandige gemeenschap, maar viel bestuurlijk onder het Ambacht Maldegem. Dat ambacht was één van de vele lokale rechtsgebieden van het Brugse Vrije. Het omvatte Maldegem zelf, Adegem, Sint-Laureins en Bentille. De beslissingen werden genomen door een schepenbank van in totaal acht schepenen. Sint-Laureins had er twee, en heel uitzonderlijk kwamen die schepenen eens samen in de Sentse herberg Sint-Hubertus, niet ver van de kerk.

Herstel na de oorlog

Na de oorlog begon het moeizaam herstel. Bestaande dijken werden hersteld en nieuwe afwateringssloten werden getrokken. Met schop en kruiwagen, ploeg en paard werd het land weer geschikt gemaakt voor akkerbouw.

Stilaan hernam het leven zijn gewone gang. In de kerk werden kinderen gedoopt, huwelijken ingezegend en doden begraven. En als je ziek werd was er de chirurgijn. Hij behandelde breuken, trok tanden, en tapte bloed tegen de koorts.

Die chirurgijns werden ten zeerste geacht en geëerd, maar wat hun reputatie schaadde, was niet hun vermeende onkunde, maar hun rondreizende concurrentie: kwakzalvers! In plaats van de geneeskunst te beoefenen maakten die er op jaarmarkten een grote show van door handig in te spelen op de nieuwsgierigheid en de onwetendheid van het publiek. Vooraleer het bedrog uitkwam hadden ze zich allang uit de voeten gemaakt.

21-1 Kwakzalver.png

Daarnaast tierde het bijgeloof welig, aangewakkerd door gebrek aan kennis en miserie. In Sint-Laureins moet men in de 17de en 18de eeuw nogal veel belang gehecht hebben aan belezen: gebeden of formules aframmelen waarvan men dacht dat ze genezend werkten. Zo hoorde de Brugse bisschop Martinus de Haudion tijdens zijn jaarlijks bezoek in 1648 al spreken over de vijt aflezen.

Maar ook gewone lieden zonder kwade bedoelingen deden hun best om het leed te verlichten. Jan De Lombaerde was in feite metser en slachter maar werd in de volksmond de Pokkenzetter genoemd omdat hij van een geneesheer het inenten tegen de pokken had geleerd en hierin zeer handig was. Ook reed men ooit te paard, vanuit Sint-Laureins verscheidene keren naar Drongen om daar “medicamenten” te halen voor ene Marie Baert die hierbij helaas geen baat vond en op 28 mei 1681 overleed.

Molens

In een bedrijvige gemeente hoorde natuurlijk een molen. Minstens één, maar het mochten er meer zijn. Sint-Laureins had er ooit drie.

De Stientjesmolen op de Comer was de oudste en zou opgericht zijn in 1685. Hij zou het uithouden tot 1935.

De Molen van Moershoofde, ook al eens Watergangschen molen genoemd, zou er al voor 1775 gestaan hebben. Hij behoorde oorspronkelijk toe aan de familie Vercraeye. Hij werd gesloopt in 1928 en vervangen door een elektrische maalderij.

Voor de oprichting van de Eykensmolen moeten we wachten tot 1846, en dat is voor het volgende hoofdstuk.

Parochieleven

Nu ze van het water af waren dachten de Sentenaars dat het verder wel zou loslopen. Van natuurelementen ben je echter nooit zeker. Bij een geweldig onweer werd de kerktoren op 27 mei 1761 door de bliksem getroffen. En het was er meteen boenk op. Kepers van 4 à 5 duym en acht voet lang vlogen tot aan de aloude herberg De Swaen. Zo’n balken van een centimeter of 12 dik en meer dan 2 meter lang, die zie je aankomen!

Die herberg De Swaen, dat was ook nog zoiets speciaal. In de 16de eeuw stond hij op de hoek van de Brieversweg (Dorpsstraat) met de Vlamingstraat. Die Vlamingstraat was daar echter enorm breed en ze hadden er niet beter op gevonden om er nog 2 piepkleine huisjes naast te bouwen, een beenhouwerij en een tweewoonst voor de onderpastoors. Onze Swaen stond nu tussen twee huizen in. Een eeuw later werd het allemaal rechtgezet. Van die nieuwe huisjes werd een groot gemaakt, de herberg verhuisde daarheen en kijk, De Swaen stond weer keurig op de hoek.

Toen de Oostenrijkers de Fransen in 1793 bij Neerwinden versloegen heerste er in Sente een zodanige euforie dat een aantal jongeren van de pastoor eisten dat hij de klokken jubelend zou laten luiden. Die was nogal weigerachtig, want wat als de Fransen zouden terugkeren? Geen doen aan, de klokken werden geluid! Maar onze pastoor kreeg gelijk, het jaar nadien al werden de Oostenrijkers bij Fleurus in de pan gehakt. De Fransen waren hier om te blijven.

Datzelfde jaar 1794 bezetten de Fransen de Zuidelijke Nederlanden; een jaar later volgde de officiële annexatie. De eeuwenoude structuur van heerlijkheden en parochiebesturen werd weggeveegd. Nieuwe bestuursvormen en bestuursstructuren werden ingevoerd, vergelijkbaar met de huidige.

Voor de gewone bevolking viel er in die tijd echter weinig te lachen. Zware belastingen drukten op de dorpen, en jonge mannen werden verplicht ingelijfd in het Franse leger.

De inval van de Fransen was geen al te beste tijd voor onze kerk. Al in 1795, tijdens het Schrikbewind werden onze kerkgoederen aangeslagen. De 5de september 1797 werd de kerk zelfs voor een lange vijf jaar gesloten. Het kruis werd van de toren gehaald, de Calvarieberg werd omvergeworpen en de kerk zelf werd herschapen in een hooischuur. Pas op, het waren niet de Franse soldaten die dit uitvoerden, maar plaatselijke inwoners die onder druk of overtuiging meewerkten! Nog in 1797 werden de klokken uit de toren geroofd en op wagens naar Eeklo en vandaar naar Gent gevoerd. Later zouden ze zelfs naar Parijs overgebracht zijn om er omgesmolten te worden tot kanonnen.

Toen eindelijk Napoleon ten tonele verscheen beterde het wat. Pastoor Glorie kon terugkomen uit ballingschap en de kerk werd opnieuw geopend. Ze was echter in zodanige staat dat er nogal wat herstellingswerken nodig waren. De kerkelijke diensten gingen voorlopig door in de pastorij, op het huidige Antonia Van Dammeplein. Pas op 27 mei 1802 werd in de herstelde kerk het eerste kindje gedoopt.

Sint-Laureins was in die jaren ingedeeld onder het Franse Departement van de Schelde, met Gent als hoofdstad. De plaatselijke burgemeesters stonden rechtstreeks onder toezicht van de prefect. Dat nauwe verband met het Franse bestuur gaf soms aanleiding tot opvallende verhalen. Sint-Laureins was doorweven met grachten, beken, wallen, waterlopen, geef maar gas. En die zaten vol vis. Vooral paling werd hier gevangen. Maar er zat ook andere vis. In het begin van de 19de eeuw zou burgemeester Jacobus Vercraeye een snoek van 48 kilo gevangen hebben. Of dat cijfer klopt, is twijfelachtig, maar het verhaal haalde wel Parijs, want de snoek werd naar de prefect in Gent gestuurd. Kwestie van een beetje te mouwvegen bij de baas, die hem zelf doorstuurde naar Parijs, waar hij volgens de overlevering op de tafel van Keizer Napoleon terecht kwam. Hoe vers zou hij dan nog geweest zijn zeg?

De verplichte dienstplicht leidde tot veel verzet. Toen in 1798 de Boerenkrijg uitbrak, steunde Sint-Laureins vooral stilletjes de opstandelingen. Openlijke strijd was er bij ons niet, maar veel jonge mannen doken onder om niet naar het Franse leger gestuurd te worden.

Willem I en het nieuwe koninkrijk

In 1815, na de val van Napoleon, werd Sint-Laureins deel van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Koning Willem I beloofde modernisering, wegen, kanalen, onderwijs. In 1816 voerde hij zelfs een onderwijswet in die overal openbare scholen moest brengen.  Maar in de praktijk veranderde er weinig voor het dorp. Willem had dan ook maar vijftien jaar de tijd gekregen en dat was, zelfs voor een Hollander, een beetje kort om wat te kunnen verwezenlijken.

De velden moesten geploegd, het vlas gerooid, en de kinderen leerden hun catechismus in de parochieschool, net zoals vroeger. In veel Vlaamse dorpen stonden pastoors en kerkmeesters wantrouwig tegenover de nieuwe “openbare scholen”, en Sint-Laureins vormde daarop geen uitzondering.

Er kwam wel een officiële gemeenteraad met een burgemeester, maar die bevestigde gewoon de bestaande toestand.

Sint-Laureins bleef in die jaren wat het altijd geweest was, een dorp van boerderijen, met de toren van de Sint-Laurentiuskerk als vertrouwd oriëntatiepunt boven de akkers. Geen kreken, geen stadse drukte, geen grootse plannen. Wel koppige boeren, gehecht aan hun grond, trouw aan hun geloof, en taai in hun bestaan.

Toen in 1830 het nieuws van de Belgische Opstand binnen sijpelde, keken ze in Sint-Laureins eens op van het veld, en ploegden daarna gewoon verder. Voor de meeste Sentenaars veranderde er in het begin weinig.

Volgende aflevering

Liever alles in één keer lezen?

👉 Bestel het boek hier

bottom of page